Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.2.2.1:2.5.2.2.1 Bedreiging in artikel 284 Sr
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.2.2.1
2.5.2.2.1 Bedreiging in artikel 284 Sr
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859282:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Lindenberg 2007, p. 221-222.
Lindenberg 2007, p. 223 en 231.
Lindenberg 2007, p. 223. Vgl. ook Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, artikel 284 Sr, aant. 3 (online, bijgewerkt tot en met 1 oktober 2012) en Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 242 Sr, aant. 1 (online, bijgewerkt tot en met 15 augustus 2018).
Lindenberg 2007, p. 231.
Lindenberg 2007, p. 201 en 237.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de uitleg van het begrip bedreiging wordt in artikel 284 Sr een subjectieve maatstaf toegepast. Dat houdt in dat niet gekeken wordt of een redelijk c.q. modaal mens in de gegeven omstandigheden de gedraging als bedreiging opvat. Het perspectief van de bedreigde is leidend. Wel geldt hierbij de kanttekening dat de vrees van de bedreigde gerechtvaardigd moet zijn. Deze kanttekening houdt volgens Lindenberg geen objectivering in, maar een formeelrechtelijke toetssteen. Het gaat er volgens hem om dat de vrees van het slachtoffer geloofwaardig moet zijn. De vrees mag niet uit de lucht komen vallen, maar moet op begrijpelijke wijze uit de omstandigheden van het geval voortvloeien.1 Bij de toepassing van artikel 284 Sr kan volgens Lindenberg het volgende bedreigingscriterium worden gehanteerd:
‘van ‘bedreiging met X’ is sprake wanneer de verdachte opzettelijk een zodanige dreiging heeft opgeroepen dat de vrees van het slachtoffer voor het plaatsvinden van X gerechtvaardigd was.’2
Bij deze toets moet dus acht worden geslagen op de omstandigheden van het geval, omdat een gedraging die op het eerste gezicht niet geschikt lijkt om vrees aan te jagen, dat in de gegeven omstandigheden wel kan zijn.3 Hierbij is niet relevant in welke vorm de bedreiging geschiedt: woorden, daden of een combinatie daarvan.4
Uit de hiervoor weergegeven formulering volgt bovendien dat in de term bedreiging opzet besloten ligt. Er moet opzet zijn op het teweegbrengen van de desbetreffende vrees bij het slachtoffer. Het opzet is erop gericht dat de bedreiging ter kennis komt van het slachtoffer. Daarbij is het niet noodzakelijk dat de dader de bedreiging zelf overbrengt.5
Tot slot geldt voor bedreiging, gelijk als bij het middel feitelijkheid, dat niet relevant is tegen wie of wat de bedreiging zich primair richt. De vraag die voorligt, is of de bedreigde door de bedreiging met een feitelijkheid is gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden.6