Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/10.1:10.1 Samenwerking op basis van een verdrag dan wel verdragloze samenwerking
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/10.1
10.1 Samenwerking op basis van een verdrag dan wel verdragloze samenwerking
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS453379:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Veel hangt af van de vraag of de samenwerking alleen mogelijk is op basis van een verdrag of ook zonder verdrag kan plaatsvinden. In dat eerste geval wordt de kring van mogelijke staten reeds beperkt tot de kring van staten die partij zijn bij een toepasselijk rechtshulpverdrag. Ook wanneer de verdragseis asymmetrisch is, zoals bij overdracht van executie en uitlevering, waarbij de eis slechts geldt voor respectievelijk de overname van een straf en uitlevering en niet bij respectievelijk overdracht van een straf en inlevering, wordt vanwege het uitgangspunt van wederkerigheid de kring van staten waarmee kan worden samengewerkt de facto ook voor de niet verdraggebonden situatie tot op grote hoogte beperkt. De gelding van een verdrag beperkt tegelijkertijd weer de ruimte die bestaat voor een beoordeling van de concrete beoogde rechtshulppartner. Vaak staan verdragsverplichtingen daaraan in de weg, terwijl een verdragloze samenwerking altijd afhankelijk is van concrete overeenstemming tussen beide staten.
De kring van partnerstaten wordt, zeker bij een vigerende verdragseis, beperkt door het toepasselijke rechtshulpverdrag. Meestal valt die kring tot op zekere hoogte samen met een geografische en politieke band tussen deze staten, al is die samenval na de Koude Oorlog wel beduidend afgenomen. Niettemin zijn verdragen vaak nog steeds ‘Europese’ rechtshulpverdragen of in elk geval westerse rechtshulpverdragen. Ook daarbinnen kunnen inter- of supranationale samenwerkingsverbanden bestaan, zoals die van de Raad van Europa, de Scandinavische landen of de Benelux-landen, die mede onderwerpen van rechtshulp onderling hebben geregeld en waar het vertrouwen een grotere rol speelt. Dit is met name het geval bij algemene rechtshulpverdragen, verdragen die een bepaalde vorm van rechtshulp regelen. Waar het om bijzondere verdragen gaat, zoals verdragen betreffende verdovende middelen en terrorisme, welke verdragen doorgaans ook rechtshulpbepalingen kennen, is vaak sprake van samenwerking in VN-verband en dus van globale samenwerking. Van een beperking van de kring van partnerstaten is dan nauwelijks sprake, hooguit met uitzondering van ‘failed states’ of andere pariastaten.