Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/8.2.1
8.2.1 Aanbieding akkoord en informatieverschaffing
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708276:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2018/19, 35249, nr. 3, p. 33. Zie ook bijvoorbeeld Rechtbank Oost-Brabant 20 april 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:4316, r.o. 4.7.
En aandeelhouders, die in deze dissertatie grotendeels buiten beeld blijven. Hoewel het hier met name gaat over de schuldeisers, is het goed om te bedenken dat het akkoord bij een kapitaalvennootschap in de regel ook aangeboden moet worden aan aandeelhouders.
Inmiddels is (slechts) één uitspraak gepubliceerd waarin een herstructureringsdeskundige is benoemd op verzoek van schuldeisers. Zie Rechtbank Amsterdam 25 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1876.
Zie over de klassenindeling onder meer Mennens 2020, hoofdstuk 6 en Bouts 2021.
Tollenaar 2016, par. 4.3.
De bewoordingen van het criterium dat wordt gebruikt voor de klassenindeling is niet overal gelijk. In artikel 9 lid 4 Herstructureringsrichtlijn is bijvoorbeeld opgenomen dat partijen met ‘voldoende gedeelde belangen (…) op basis van verifieerbare criteria’ in dezelfde klasse ingedeeld moeten worden. Zie over deze bewoordingen, ook in Engeland en de Verenigde Staten, Mennens 2020, hoofdstuk 6.
Zie over die waarde het amendement waarbij lid 3 is ingevoerd, Kamerstukken II 2019/20, 35249, nr. 14. Zie ook Jonkers 2021, par. 10.2 en Hoving 2021, p. 237.
Kamerstukken II 2018/19, 35249, nr. 3, p. 49. In de memorie van toelichting wordt als voorbeeld de fiscale behandeling van schuldeisers genoemd.
Vergelijk Rechtbank Limburg 8 oktober 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:8851, r.o. 3.3.16.
Rechtbank Amsterdam 24 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7643, r.o. 7.8.2.
Binnen een redelijke termijn die in ieder geval niet korter is dan acht dagen, aldus artikel 381 lid 1 Fw. Een termijn van acht dagen werd niet redelijk geoordeeld in Rechtbank Oost-Brabant 27 augustus 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:4818, r.o. 4. In een andere procedure werd een termijn van elf dagen zonder uitgebreide motivering van de rechtbank wel redelijk geacht. Zie Rechtbank Amsterdam 24 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7643, r.o. 3.2 en 7.9. Gelet op de ingewikkeldheid van het voorgelegde akkoord en het feit dat veel schuldeisers publiekrechtelijke rechtspersonen waren waardoor vaak tijdrovende besluitvorming nodig is om een stem uit te brengen, oordeelde de Rechtbank Den Haag dat een termijn van veertien dagen te kort was in Rechtbank Den Haag 8 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:1060, r.o. 5.6-5.11.
Rechtbank Den Haag 8 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:1060, r.o. 5.12.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag 8 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:1060; Rechtbank Midden-Nederland 10 november 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5531 en Rechtbank Den Haag 2 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1798.
De aanbieder van het akkoord is de schuldenaar zelf of een herstructureringsdeskundige.
Rechtbank Noord-Nederland 21 juli 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:2582; Rechtbank Rotterdam 15 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5838.
Als geen enkele klasse aan wie het akkoord is aangeboden een uitkering kan verwachten in faillissement, hoeft aan die voorwaarde niet te zijn voldaan. Een voorbeeld van een uitspraak waarin een schuldenaar niet-ontvankelijk werd verklaard in een homologatieverzoek omdat de enige ‘in the money klasse’ tegen het akkoord had gestemd is Rechtbank Amsterdam 28 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3855.
Een schuldenaar die een problematische schuldenlast heeft maar nog wel aan zijn lopende verplichtingen kan voldoen,1 kan aan zijn schuldeisers, of een deel daarvan,2 een akkoord aanbieden (art. 370 lid 1 Fw). De akkoordprocedure kan ook worden geïnitieerd door een schuldeiser, een aandeelhouder, de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging. Zij kunnen niet zelf een akkoord aanbieden, maar kunnen wel verzoeken om de aanwijzing van een herstructureringsdeskundige die een akkoord kan aanbieden (art. 371 lid 1 Fw).3
Schuldeisers worden in beginsel ingedeeld in klassen (art. 374 Fw) en stemmen ook in die klassen over het akkoord.4 De reden hiervoor is dat diverse schuldeisers verschillende juridische posities hebben. Een schuldeiser met zakelijke zekerheidsrechten heeft juridisch een andere positie dan een concurrente schuldeiser. De uitkomst van een stemming heeft uitsluitend legitimerende werking als gestemd is door schuldeisers die zich in een (vrijwel) vergelijkbare positie bevinden.5 In artikel 374 lid 1 Fw is daarom bepaald dat schuldeisers in een andere klasse moeten worden ingedeeld ‘als de rechten die zij bij een vereffening van het vermogen van de schuldenaar in faillissement hebben of de rechten die zij op basis van het akkoord aangeboden krijgen zodanig verschillend zijn dat van een vergelijkbare positie geen sprake is.’6 In ieder geval moeten schuldeisers die op basis van de wet of een overeenkomst, waarin een achterstellingsclausule is opgenomen, een verschillende rang hebben, in verschillende klassen worden ingedeeld. Verder moeten zogenaamde MKB-schuldeisers die minder dan 20% van hun vordering krijgen aangeboden in een aparte klasse worden ingedeeld (art. 374 lid 2 Fw) en moet de vordering van pand- en hypotheekhouders ter hoogte van de waarde7 van de goederen waarop een zekerheidsrecht rust in een andere klasse worden geplaatst dan de concurrente restvordering (art. 374 lid 3 Fw).
Het is mogelijk, maar op grond van artikel 374 Fw niet verplicht, om bij de klassenindeling rekening te houden met andere factoren dan de rechten die schuldeisers hebben in faillissement of aangeboden krijgen onder het akkoord en de factoren die zijn genoemd in artikel 374 lid 2 en lid 3 Fw.8 Wordt met die andere factoren geen rekening gehouden, dan is het mogelijk dat de klassenindeling, hoewel in overeenstemming met artikel 374 Fw, bijdraagt aan de conclusie dat de stemuitslag geen legitimerende werking heeft en dat de homologatie van het akkoord om die reden wordt geweigerd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als één of meer klassen worden gedomineerd door gelieerde partijen9 of als er partijen met verschillende rechten zijn die om deze reden in meerdere klassen ingedeeld moeten worden.10 In het laatste geval wordt de wijze waarop een stem in de ene klasse wordt uitgebracht, mogelijk beïnvloed door de behandeling van dergelijke partijen in de andere klasse.
Het akkoord moet tijdig11 worden voorgelegd en voldoende informatie bevatten (art. 375 Fw), zodat schuldeisers een geïnformeerd oordeel kunnen vormen voordat de stemming over het voorgelegde akkoord plaatsvindt. In artikel 375 lid 1 Fw is opgesomd welke informatie het akkoord in ieder geval moet bevatten. In lid 2 is genoemd welke bijlagen aan het akkoord moeten worden gehecht. De opsomming van gegevens in artikel 375 Fw is niet limitatief.12 Welke informatie in een specifiek geval moet worden verschaft, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De informatie die wordt verschaft moet, in de woorden van de rechtbank Den Haag, ‘overzichtelijk en correct zijn en moet toereikend zijn om de schuldeisers in staat te stellen tot een afgewogen keuze te komen. Er moet sprake zijn van een compleet en helder dossier, waarbij op relatief eenvoudige wijze duidelijk wordt hoe men tot bepaalde berekeningen en de daarop gebaseerde beslissingen is gekomen.’ Alleen dan kan het akkoord het resultaat zijn van zuivere besluitvorming.13 Bij de beoordeling van het homologatieverzoek toetst de rechtbank ambtshalve of de verstrekte informatie voldoet aan de eisen die artikel 375 Fw hieraan stelt (art. 384 lid 2 sub c Fw). De praktijk laat zien dat rechtbanken daadwerkelijk en serieus toetsen of de informatieverschaffing toereikend is.14
Onderdeel van de informatie die moet worden verschaft aan schuldeisers, is de klassenindeling (art. 375 lid 1 sub c Fw). De schuldeisers brengen hun stem over het akkoord uit in de klassen waarin zij zijn ingedeeld op een wijze die wordt bepaald door de aanbieder van het akkoord.15 Een klasse schuldeisers heeft het akkoord aangenomen als ten minste twee derden van het bedrag aan vorderingen in de klasse heeft ingestemd met het akkoord (art. 381 lid 6 Fw). Hebben alle stemgerechtigden ingestemd met het akkoord, dan is homologatie van het akkoord door de rechtbank niet nodig.16 Is dat niet het geval en heeft ten minste één klasse die in faillissement een uitkering zou kunnen verwachten ingestemd met het akkoord, dan kan degene die het akkoord heeft aangeboden de rechtbank verzoeken het akkoord te homologeren (art. 383 lid 1 Fw).17 Homologeert de rechtbank het akkoord, dan is het akkoord verbindend voor alle stemgerechtigde schuldeisers (art. 385 Fw).