Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.5.3.3.5
II.5.3.3.5 De gevolgen van schendingen van het recht om schriftelijk informatie te verschaffen
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
AbRvS 3 september 2003, AB 2003/389 m.nt. Sew waarin de Afdeling een vernietiging en gegrondverklaring van het beroep door de rechtbank bevestigt. Hetzelfde gebeurt in: CRvB 28 mei 2002, AB 2002/364 m.nt. HBr.
Van Waterschoot wijst erop dat art. 7:4 lid 2 Awb als zodanig wordt beschouwd, Van Waterschoot 2002, p. 187. Zie ook: AbRvS 8 januari 1998, AB 1998/194 m.nt. PvB waarin schending van die bepaling wordt gepasseerd. Datzelfde lijkt mij dan in de rede te liggen voor art. 7:4 lid 1 Awb.
Voorbeelden daarvan heb ik echter niet gevonden. Zie echter ook bij schending van art. 7:4 lid 2 Awb: CRvB 26 april 2005, JB 2005/218.
Vgl.: AbRvS 25 februari 2009, AB 2009/222 m.nt. Den Ouden en Van Rijn van Alkemade. Daarin vond vernietiging wegens strijd met het motiveringsbeginsel plaats.
CBb 24 juni 1998, JB 1998/213; CRvB 12 december 1994, JB 1995/25 m.nt. ABJH/ELB.
Vgl.: Koenraad 2008a, p. 211; Van Waterschoot 2002, p. 187-188. De laatste meent van wel, maar wijst er wel op dat hoewel sprake is van een vormvoorschrift de vraag of een schending ervan gepasseerd moet worden een andere kwestie betreft.
Zie bijvoorbeeld: CRvB 9 november 1995, AB 1996/175.
Zie voor schendingen van de hoorplicht par. 5.3.2.6.
Wat betreft de gevolgen van schendingen van het recht om schriftelijk informatie te verschaffen, moet allereerst gedacht worden aan de mogelijkheid voor het bestuur om de stukken die zijn ingediend niet in zijn beoordeling te betrekken. In principe heeft het die bevoegdheid, indien het stukken betreft die binnen de termijn van tien dagen voor de hoorzitting zijn ingediend op grond van artikel 7:4, eerste lid, Awb. Als de goede procesorde dat vereist, kan het deze stukken buiten beschouwing laten. Het kan ze echter ook meenemen, maar dient de belanghebbenden dan een mogelijkheid te bieden om daarop te kunnen reageren. Worden de goede procesorde of verweermogelijkheden van belanghebbenden geschonden, leidt dat in beginsel tot vernietiging van het bestreden besluit.1 Omdat artikel 7:4, eerste lid, Awb echter een vormvoorschrift betreft, kan een dergelijke schending gepasseerd worden met toepassing van artikel 6:22 Awb indien belanghebbenden daar niet door worden benadeeld. Dat kan afgeleid worden uit het feit dat de bestuursrechter een schending van artikel 7:4, tweede lid, met toepassing van die bepaling weleens gepasseerd heeft. 2 Ook hier bestaat de mogelijkheid om over te gaan tot vernietiging van het besluit, indien de goede procesorde geschonden is en de rechtsgevolgen in stand te laten.3
Als het bestuursorgaan advies inwint bij een of meer deskundigen, dan dient een belanghebbende de mogelijkheid te hebben daar achteraf op te reageren. Wordt die gelegenheid niet geboden dan constateert de bestuursrechter een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarmee lijkt vernietiging geimpliceerd.4 Bij een schending van de plicht van het bestuursorgaan om zich ervan te vergewissen dat het advies zorgvuldig tot stand komt in strijd met artikel 3:9 Awb en/of het zorgvuldigheidsbeginsel wordt normaliter ook vernietigd.5 Er zal niet snel aanleiding bestaan een dergelijk gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren. Het is de vraag of uitwerkingen van artikel 3:2 Awb kunnen worden gezien als een vormvoorschrift waarvan schending gepasseerd kan worden.6 Desondanks worden schendingen van die bepaling soms zonder gevolgen gelaten7 en worden schendingen van andere uitwerkingen van het zorgvuldigheidsbeginsel soms ook gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb 8