Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.2.5
4.3.2.5 Sfeerschets: Jurisprudentieonderzoek periode 1979-2020
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661532:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Ter illustratie: het totale aantal ingekomen belastingzaken bij rechtbanken in de periode 2016-2020 ligt tussen de 24.550 en 32.450 zaken. Bij de gerechtshoven bedraagt het totale aantal ingekomen belastingzaken in dezelfde periode tussen de 3.610 en 6.690. Jaarverslag Rechtspraak over 2020, geraadpleegd op 27 januari 2022 via https://jaarverslagrechtspraak.nl/cijfers/#subsection-2-3-1-1. Bij de Hoge Raad kwamen in 2019 totaal 1.026 nieuwe belastingzaken binnen, in 2020 in totaal 877; zie Jaarverslag Hoge Raad 2020, bijlage 1, p. 2.
In één geval is het de uitkomst na de cassatieprocedure niet in stand gebleven (BNB 2021/76), in een ander geval is de uitkomst van het geslaagde beroep in cassatie bevestigd (BNB 2022/10). Beide zaken dateren uit 2021 en vallen dus buiten de resultaten die de periode bestrijken t/m 31-12-2020.
Hoe vaak beroepen belastingplichtigen zich al dan niet met succes op het vertrouwensbeginsel bij voorlichting? Op welke grond(en) faalt een beroep op het vertrouwensbeginsel? Hoe werken de door de Hoge Raad gestelde criteria uit? Om beter zicht te krijgen op de uitwerking van rechtsregel bij het vertrouwensbeginsel in verband met voorlichting in de fiscale jurisprudentie, heb ik (tevens) een systematisch onderzoek uitgevoerd naar de gepubliceerde uitspraken over vertrouwenwekkende voorlichting en inlichtingen op www.rechtspraak.nl over de periode 1979-2020. De nadere verantwoording van dat onderzoek, evenals de daaraan verbonden beperkingen, licht ik toe in de bijlage bij dit onderzoek (Annex I). De belangrijkste beperking is dat het jurisprudentieonderzoek geen volledig beeld van de rechtspraak ter zake geeft, met name vanwege het feit dat lang niet alle uitspraken worden gepubliceerd en omdat de gebruikte zoektermen leiden tot een selectie van de rechtspraak. Hoewel dus geen volledigheid is nagestreefd of geclaimd, biedt het jurisprudentieonderzoek een cijfermatig onderbouwde indruk van de rechtspraak ter zake. Dat levert informatie op over de praktische uitwerking van de huidige rechtsregel.
Na analyse van in totaal 726 uitspraken die uit de uitgevoerde zoekopdrachten naar voren kwamen tussen 1979 en 2020, blijkt dat er voor het onderhavige onderzoek in totaal 131 relevante uitspraken beschikbaar zijn. Dat is in absolute getallen niet per se weinig, maar in relatieve zin – vergeleken met het totale aantal zaken bij de belastingrechter van tienduizenden per jaar – is het over de afgelopen decennia een beperkte hoeveelheid.1
De belangrijkste resultaten van het uitgevoerde jurisprudentieonderzoek zijn:
In 124 van de 131 uitspraken is het beroep van de belastingplichtige op het vertrouwensbeginsel niet geslaagd (zo’n 95%). In veruit de meeste gevallen worden de door voorlichting gewekte verwachtingen dus niet beschermd.
Van die 131 uitspraken is het beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van door voorlichting gewekte verwachtingen in totaal in 7 uitspraken geslaagd (zo’n 5%).2
In de 7 gevallen waarin het beroep op het vertrouwensbeginsel was geslaagd, ging het in 2 gevallen om vertrouwen ontleend aan de BelastingTelefoon, in 1 geval om vertrouwen ontleend aan de toelichting bij het aangifteprogramma, in 1 geval om een uiting van een medewerker van de Belastingdienst, in 2 gevallen om de website en in 1 geval om een combinatie van website en BelastingTelefoon.
Bezien naar de twee gestelde criteria voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, sneuvelt het beroep op het vertrouwensbeginsel bij voorlichting veelal op het dispositievereiste (in 54 gevallen primair op dit criterium), terwijl dat in een kleiner aantal gevallen sneuvelt op het niet-kenbaarheidsvereiste (in 4 gevallen primair op dit criterium).
Het bovenstaande brengt mee dat het beroep op het vertrouwensbeginsel in veel gevallen ook om andere redenen faalt. Dan kan het liggen aan bewijslastproblematiek, de lezing van de belastingplichtige (hij leest iets wat er niet staat), bevoegdheidsissues, of combinaties van factoren (zoals een combinatie van bewijslast en het dispositievereiste).
In 7 uitspraken sneuvelde het beroep op het vertrouwensbeginsel reeds omdat sprake was van ‘slechts’ voorlichting.
Bij de belastingrechter hebben belastingplichtigen dus weinig succes wanneer zij zich beroepen op aan voorlichting ontleende verwachtingen. Daarbij kan het voor belastingplichtigen om allerlei redenen mislopen, van de criteria met name op het dispositievereiste (paragraaf 4.3.4).