Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.4.7:9.4.7 Cornelius Haga Lyceum Amsterdam (2018-2020)
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.4.7
9.4.7 Cornelius Haga Lyceum Amsterdam (2018-2020)
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977156:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
WVO 1963.
Vgl. P. Zoontjens, ‘De aanwijzing in het OCW-bekostigingsrecht’, NTOR 2021, 3, p. 20.
Rb. Amsterdam 20 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:226.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit een recente casus bleek wederom dat wetswijziging vereist is om ‘dieper’ te kunnen toetsen of voldoende aan burgerschapsvorming wordt gedaan. De vraag was aan de orde of het Haga Lyceum, een islamitische middelbare school, al dan niet had voldaan aan de burgerschapsopdracht in artikel 17 Wvo (een bepaling gelijkluidend aan artikel 8 lid 3 Wpo).1 Dat daaraan niet voldaan zou zijn, vormde een van de gronden voor de minister om een aanwijzing te geven tot vervanging van het schoolbestuur, de Stichting Islamitisch Onderwijs (SIO).2 De minister vond namelijk dat de school haar onderwijsaanbod niet afstemde op de achtergrond van de leerlingen populatie, terwijl dat wel haar taak is. Daarnaast vond de minister het zorgelijk dat het bestuur personen toeliet die een anti-integratief en anti-democratisch gedachtegoed aanhangen en uitdragen, waardoor het risico aanwezig was dat leerlingen daarmee in aanraking komen. De school heeft geen maatregelen genomen om uit te sluiten dat leerlingen onder de invloedssfeer komen van die personen.
De directeur-bestuurder weigerde om afstand van deze personen te nemen en in het onderwijs was ook niet uitgewerkt hoe tegenwicht wordt geboden aan dit gedachtegoed. Daarmee creëerde SIO, volgens de minister, risico’s voor de burgerschapsvorming en handelde het bestuur in strijd met de burgerschapsopdracht. SIO betoogde daarentegen dat zij niet handelde in strijd met de opdracht. Daartoe verwees zij naar de As Siddieq-uitspraak van de ABRvS, op grond waarvan er alleen strijdigheid met die opdracht is als op geen enkele wijze gestalte is gegeven aan burgerschap. In het standaardcurriculum wordt kritisch aandacht geschonken aan het antidemocratisch gedachtegoed. Hierdoor is volgens SIO in voldoende mate afgestemd op de leerlingenpopulatie. SIO staat niet toe dat op school antidemocratisch gedachtegoed wordt uitgedragen.
Volgens de rechtbank was niet in geschil dat SIO in elk geval op enige wijze invulling geeft aan de burgerschapsopdracht.3 De concrete invulling vindt plaats via reguliere schoolvakken, zoals geschiedenis en biologie (waaronder het thema seksuele diversiteit), en via excursies. In essentie komen de verwijten van de minister erop neer dat SIO méér zou moeten doen en op een andere manier invulling moet geven aan de burgerschapsopdracht. ‘Het verwijt van de minister dat de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs tekortschiet, is niet terecht’, aldus de rechtbank. De wijze waarop een school invulling geeft aan de burgerschapsopdracht is vrij. De gestelde eisen reiken verder dan waartoe de burgerschapsopdracht van artikel 17 Wvo strekt. Onder meer op grond hiervan concludeerde de rechtbank dat het aanwijzingsbesluit geen stand kon houden en vernietigde het besluit. Tegen deze uitspraak is de minister in hoger beroep gegaan bij de ABRvS, maar heeft dat naderhand ingetrokken.