Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.2.2
5.2.2 De Commissie Van Traa
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
De opheffing van het IRT Noord-Holland/Utrecht leidt tot de motie Dijkstal c.s. In deze motie wordt de wens naar voren gebracht een parlementair onderzoek in te stellen naar de opsporingsmethoden die in Nederland worden gebruikt en de controle erop. De naar aanleiding van deze motie ingestelde Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden concludeert in haar op 21 oktober 1994 uitgebrachte rapport Opsporing gezocht tot de instelling van een parlementaire enquêtecommissie, de uiteindelijke Commissie Van Traa.
Dit deel is onder leiding van C.J.C.F. Fijnaut onderzocht. Zie hiervoor Kamerstukken II 1995-1996, 24 072, nrs. 10, 11, 14 en 15 (eindrapport ‘Inzake Opsporing’ van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden en bijlagen VII t/m XI).
Hof Den Haag d.d. 24 maart 2009, LJN BH6193.
Kamerstukken II 1995-1996, 24 072, nrs. 10, 11, 14 en 15 (eindrapport ‘Inzake Opsporing’ van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden en de daarbij behorende bijlagen V en VI).
De Commissie van Traa wordt op 6 december 1994 ingesteld na politieke commotie over de opheffing van het interregionaal rechercheteam (IRT) Noord-Holland/Utrecht.1 De commissie heeft de opdracht onderzoek te doen naar:
de aard, ernst en omvang van de zware, georganiseerde criminaliteit;2
de feitelijke toepassing, de rechtmatigheid, het verantwoord zijn en de effectiviteit van de opsporingsmethoden;
de organisatie, het functioneren van en de controle op de opsporing.
In haar eindrapport constateert de Commissie Van Traa dat sprake is van een drievoudige crisis in de opsporing: ontbrekende normen, een niet goed functionerende organisatie en problemen in de gezagsverhoudingen. Hierbij merkt de commissie in zijn algemeenheid op dat de jurisprudentie voor een te groot gedeelte de normen van de opsporing bepaalt, waardoor in toenemende mate sprake is van een rechtersstaat. Hierdoor is de fundamentele rechtsstatelijke eis van voorafgaande normering te lang achterwege gebleven. Met betrekking tot de CID constateert de commissie allereerst dat er volstrekt onvoldoende sturing van en controle op de CID is, dat de verslaglegging binnen de CID niet naar behoren is en dat spanning bestaat tussen de tactische recherche en de CID. Gelet hierop pleit zij voor het expliciet wettelijk normeren van de taken en bevoegdheden van de CID en het volledig integreren van de CID in de recherche. Met betrekking tot het runnen van informanten stelt de commissie dat dit eveneens een wettelijke basis dient te krijgen nu het een zeer complexe en met risico’s omgeven opsporingsmethode is. Zij wijst in dit verband op het gevaar dat de politie de regie over de informant verliest en het gevaar dat de informant de runner leidt in plaats van andersom. Op deze plaats dient eveneens te worden gewezen op de risico’s die er voor de informant zelf bestaan, ook nadat hij zijn ‘werkzaamheden’ voor de politie heeft beëindigd. Illustratief is in dit verband een civiel arrest van het Hof Den Haag.3 In die zaak oordeelt het hof dat de Staat de zorgplicht ten aanzien van een informant niet is nagekomen en dus schadeplichtig is.
Voorts constateert de commissie dat de CID bij het runnen van informanten onvoldoende gestuurd en gecontroleerd wordt en dat de vrijheid van de CID bij het runnen van informanten te groot is. Er dient een meer adequate controle en sturing te zijn, waarbij een grote rol is weggelegd voor de officier van justitie. Volgens de commissie is het runnen van informanten pas rechtsstatelijk verantwoord en effectief als een evenwicht kan worden gevonden tussen de controle en verantwoording van de informatie en de bescherming van de identiteit van de informant.4