Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.10.3.1
7.3.10.3.1 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940653:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Schuurmans 2005, p. 41.
Dit artikel geldt zowel voor de inspecteur als voor de belastingplichtige die weigert om in beroep inlichtingen of gegevens te verschaffen aan de rechter (zie paragraaf 7.3.6.4.2 en paragraaf 7.3.6.4.3). Zie voor een voorbeeld HR 14 september 2018, V-N 2018/51.16 (waarin de sanctie van art. 8:31 Awb in de meest vergaande vorm werd toegepast omdat de belastingplichtige, hoewel daartoe opgeroepen op grond van art. 8:59 Awb, niet in persoon op de zitting was verschenen).
De rechter heeft een grote vrijheid bij de uitoefening van zijn processuele bevoegdheden, zie HR 7 juli 2023, V-N 2023/32.14, BNB 2023/124, r.o. 4.2.1-4.2.2.
Zie daarover bijvoorbeeld Niessen-Cobben, hoofdstuk 4.
Van Buuren & Polak 1994, aant. 3 bij art. 8:69. Vgl. ook HR 13 november 1985, BNB 1986/5, waaruit duidelijk naar voren komt dat bij het niet voldoen aan de bewijslast door één partij daarmee niet meteen het gelijk van de andere partij (zonder nader onderzoek) zou vaststaan.
De belastingrechter is een bestuursrechter: hij is gehouden om een eigen onderzoek te verrichten, langs de lijnen die de Awb in hoofdstuk 8 schetst. Zo houdt de rechter een vooronderzoek, waarbij onder meer stukken worden bestudeerd (art. 8:42 Awb), kan hij nadere schriftelijke rondes organiseren, informatie bij partijen en bij derden opvragen (art. 8:43 en 8:45 Awb), een hoorzitting en/of inlichtingencomparitie houden (art. 8:44 Awb), getuigen en/of deskundigen oproepen respectievelijk benoemen (art. 8: 46 en 8:47 Awb), en zelfs een onderzoek ter plaatse (schouw, descente) instellen (art. 8:50 en 8:51 Awb). Daarna volgt dan nog het onderzoek ter zitting (afdeling 8.2.5 Awb). Het formele bewijsrecht is voor de beroepsfase dus in zekere mate wettelijk geregeld.1 Op een gebrek aan medewerking door partijen is voorts de bewijsrechtelijke sanctie van art. 8:31 Awb gesteld, die de rechter de ruimte geeft daaraan nadelige gevolgen te verbinden.2
Hoofdstuk 8 van de Awb bevat echter geen codificatie van specifiek voor de beroepsfase geldende bewijsregels. Binnen de grenzen van de rechtsstrijd kan de belastingrechter in beginsel dus zo creatief en diepgaand te werk gaan als hij maar wil.3 Van een in essentie lijdelijke rechter, zoals in civilibus,4 is in fiscalibus geen sprake.5