Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/1.2.4
1.2.4 Rode draad
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268470:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de hierna te bespreken G20/OESO Principles of Corporate Governance, de Code Banken en Governance principes verzekeraars (principe 3.2.3). Ook de EBA-Richtsnoeren inzake interne governance van 21 maart 2018, EBA/GL/2017/11, besteden veel aandacht aan dit aspect (Hoofdstuk 10). Zo dient het leidinggevend orgaan hoge ethische en beroepsnormen in acht te nemen en toe te zien op de naleving van deze normen door medewerkers.
Ook EBA en EIOPA noemen het belang van cultuur en de bepalende rol van beleidsbepalers bij het bepalen van een integere en risicobewuste bedrijfscultuur (zie de EBA-Richtsnoeren voor interne governance, Hoofdstuk 9 en 10 en EIOPA, “Final Report on Public Consultation No. 14/017 on Guidelines on system of governance,” EIOPA-BoS-14/253, 28 januari 2015, Toelichting bij Richtsnoer 2, nr. 2.4: “It is important that the undertaking ensures that it has an organisational culture that enables and supports the effective operation of its system of governance. This requires an appropriate “tone at the top” with the AMSB and senior management providing appropriate organisational values and priorities”). Zie ook de hierna te bespreken BCBS Corporate governance principles for banks. Zie voorts de hierna te noemen DNB-brochures over cultuur en de rol van beleidsbepalers daarbij.
Zie bijvoorbeeld het rapport van De Larosière, met de oproep tot vergelijkbare standaarden en actie in alle onderdelen van de financiële sector, de OESO-rapporten, het Walker-rapport en de aanbevelingen van de Commissies-De Wit. Deze laatste aanbevelingen zijn gericht op banken en andere financiële ondernemingen, in het bijzonder verzekeraars en pensioenfondsen. Zie ook het EU Groenboek waarin wordt aangegeven dat de aanbevelingen zich weliswaar richten op banken en levensverzekeraars maar de lessen voor alle onder toezicht staande financiële instellingen relevant kunnen zijn. Volgens het Groenboek bestaan er fundamentele overeenkomsten tussen de verschillende subsectoren en is governance daarom van nature cross-sectoraal van aard.
Aanbeveling van de Commissie van 15 februari 2005 betreffende de taak van niet bij het dagelijks bestuur betrokken bestuurders of commissarissen van beursgenoteerde ondernemingen en betreffende de comités van de raad van bestuur of van de raad van commissarissen, Pbl. L 52/51.
G20/OECD Principles of Corporate Governance, 2015, http://www.oecd.org/corporate/principles-corporate-governance.htm. Zie in het bijzonder Hoofdstuk IV.
Nederlandse corporate governance code van 8 december 2016, Stcrt. 2017/45259. De code is van toepassing op beursgenoteerde vennootschappen. De code uit 2016 verving de code uit 2008 en bevat onder meer bepalingen over tijdbesteding, onafhankelijk en deskundig intern toezicht en diversiteit. Zie over de herziene code en het belang van integer leiderschap H.T. Masmeyer, ‘Nieuwe standaard voor integer leiderschap?’, TvCo 2017, afl. 5, p. 295-302.
Hoewel iedere commissie zijn eigen accenten legt, lopen de volgende aanbevelingen als een rode draad door de verschillende rapporten en onderzoeken heen. In de eerste plaats wordt gewezen op de noodzaak om de deskundigheid en het kennisniveau bij zowel bestuurders als commissarissen te verhogen, in het bijzonder op het gebied van risicomanagement. Daarnaast moeten eisen worden gesteld aan vaardigheden zoals leiderschapskwaliteiten en kritisch vermogen (onafhankelijkheid) en aan de beschikbaarheid voor de functie (in termen van tijdsbesteding). Deze laatste aspecten worden in het bijzonder van belang geacht voor commissarissen. Onafhankelijke commissarissen, die in staat zijn tot objectieve onafhankelijke oordeelsvorming en kritische tegenspraak kunnen bieden aan de bestuurders en het hoger management, geen belangen dienen die kunnen conflicteren met die van de onderneming en voldoende tijd (kunnen) besteden aan hun taak, zijn essentieel voor het realiseren van een adequaat systeem van checks and balances in de organisatie. Hier heeft het in de crisis te vaak aan geschort.
Daarnaast is gewezen op het belang van een evenwichtige samenstelling en functioneren van het bestuur en de RvC als geheel. Gewaarborgd dient te zijn dat alle noodzakelijke kennis en expertise aanwezig is binnen het collectief, en dat voldoende diversiteit wordt nagestreefd in onder meer achtergrond en werkervaring, en aspecten zoals leeftijd en geslacht. Een grotere diversiteit kan leiden tot een meer evenwichtige besluitvorming, waarbij verschillende perspectieven aan bod komen en een meer evenwichtige afweging wordt gemaakt tussen de commerciële belangen van de financiële instelling en de te nemen risico’s. De toetsing van bestuurders en commissarissen zou voorts moeten plaatsvinden in het licht van de samenstelling en het functioneren van dit collectief.
Een aantal commissies merkt op dat medewerkers in de financiële sector, en in het bijzonder bestuurders en commissarissen, hoge ethische standaarden dienen te hanteren en uit te dragen.1 In het bijzonder de Commissie Maas wees er op dat zij zich, gegeven de belangrijke publieke nutsfunctie van de financiële sector, bewust dienen te zijn van hun maatschappelijke verantwoordelijkheden en morele verplichtingen. Een concrete aanbeveling was de invoering van de bankierseed.
Tot slot wordt gewezen op de grote rol van cultuur binnen financiële instellingen en de invloed van het management op het uitdragen van een integere, risicobewuste bedrijfscultuur. Een centraal begrip daarbij is “de toon aan de top”. Cultuur wordt gezien als een belangrijke onderliggende oorzaak van misstanden en wangedrag in (financiële) instellingen, en raakt daarom aan de soliditeit en integriteit van de instellingen en van de stabiliteit van het stelsel als geheel.2
Een cross-sectoraal toepassingsbereik
Genoemde rapporten zijn veelal geschreven met de bankensector in het achterhoofd, maar een aantal richt zich ook expliciet tot verzekeraars en/ of pensioenfondsen, of geeft aan dat de relevantie van de aanbevelingen niet beperkt is tot banken en zich ook uitstrekt tot andere typen ondernemingen in de financiële sector,3 of zelfs buiten de financiële sector. Een deel van de aanbevelingen, zoals die welke zien op de rol van commissarissen en het belang van een adequaat systeem van checks and balances, kunnen mutatis mutandis van toepassing zijn in (met name grotere of meer complexe) ondernemingen buiten de financiële sector. Zo adviseerde de Europese commissie al in 2005 over de onafhankelijkheid en tijdsbesteding van commissarissen bij beursgenoteerde vennootschappen.4 Ook de G20/OESO Principles of Corporate Governance5 werden in 2010 aangepast om gehoor te geven aan de hiervoor besproken aanbevelingen van de OESO, waarmee deze aanbevelingen een ruimere strekking kregen dan uitsluitend de financiële sector. De Nederlandse Corporate Governance Code werd in 2016 op vergelijkbare punten gewijzigd.6
Veel van de genoemde lessen en aanbevelingen zijn nationaal en internationaal omarmd en hebben een plaats gekregen in (gedrags-)codes en principes, in wet- en regelgeving en in de toezichtstrategieën van externe toezichthouders.