Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/5.3.1
5.3.1 Het Algemeen Rijksambtenarenreglement
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285617:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 56.
MvT, Kamerstukken II 1985/1986, 19 495, nr. 3, blz. 7, 14 en 18. Met ingang van 2 november 1988 is in art. 125a, derde lid, Ambtenarenwet 1929 een algemene geheimhoudingsbepaling voor ambtenaren opgenomen (Wet van 20 april 1988 tot wijziging van de Ambtenarenwet 1929 ter zake van de uitoefening van grondrechten, Kamerstukken II 1985/86, 19 495, Stb. 1988, 229). Art. 59 ARAR is echter pas in 1992 vervallen (besluit van 13 oktober 1992, Stb. 1992, 564).
Zie o.a.: NEV, Kamerstukken II 1987/88, 19 934, nr. 8, blz. 1 e.v. en MvA, Kamerstukken I 1988/89, 19 934, nr. 17b, blz. 2 en blz. 4.
MvA, Kamerstukken I 1988/89, 19 934, nr. 17b, blz. 4.
Advies RvS en NR, Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. B, blz. 26 en MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 56.
De wetteksten zijn opgenomen in Appendix A.
Wet van 9 maart 2017 tot wijziging van de Ambtenarenwet en enige andere wetten in verband met het in overeenstemming brengen van de rechtspositie van ambtenaren met die van werknemers met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (Wet normalisering rechtspositie ambtenaren), Kamerstukken II 2010/11, 32 550, Stb. 2017, 123. Vide: MvT, Kamerstukken II 2010/11, 32 550, nr. 3, blz. 27. De geheimhoudingsbepaling werd overgeheveld naar art. 9 bij NvW, Kamerstukken II 2011/12, 32 550, nr. 9.
Een van de indieners van het initiatiefwetsvoorstel verwoordde het als volgt: “Wij vinden het blijven bestaan van een Ambtenarenwet essentieel, omdat de wetgever daarin tot uitdrukking brengt wat voor ambtelijke dienst wij in het land willen hebben en welke niet-onderhandelbare, voor onbepaalde tijd geldende randvoorwaarden daarvoor noodzakelijk zijn. Daarvan moeten wat ons betreft verplichtingen op het gebied van integriteit en geheimhouding deel uitmaken” (Handelingen I 2016/17, nr. 1, item 8, blz. 16).
In de memorie van toelichting is de zeer algemeen luidende geheimhoudingsbepaling voor ambtenaren van art. 59 ARAR genoemd als voorbeeld van een bepaling die diende te blijven bestaan.1 Deze verwijzing was enigszins ongelukkig omdat drie jaar eerder al was aangekondigd dat art. 59 ARAR zou komen te vervallen in verband met de overbrenging van de geheimhoudingsplicht naar art. 125a, derde lid, Ambtenarenwet 1929.2 Hoewel de tekst van art. 59 ARAR inhoudelijk niet overeenkomt met de model-geheimhoudingsbepaling is zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer uitdrukkelijk betoogd dat geen sprake is van een inhoudelijk verschil.3 Met het overbrengen van de geheimhoudingsbepaling van art. 59 ARAR naar art. 125a, derde lid, Ambtenarenwet 1929 is evenmin een inhoudelijke wijziging beoogd.4 Zoals in paragraaf 1.3 al is opgemerkt is met art. 2:5 Awb evenmin een inhoudelijke wijziging beoogd ten opzicht van de model-geheimhoudingsbepaling.5 Dit betekent kortweg dat, ondanks de andere formuleringen, er inhoudelijk geen verschillen zijn (beoogd) tussen al deze bepalingen.6 In zoverre had art. 125a, derde lid, Ambtenarenwet 1929 al bij de invoering van de Awb kunnen vervallen. Met ingang van 1 januari 2020 is de geheimhoudingsbepaling van art. 125a, derde lid, Ambtenarenwet 1929 opgenomen in art. 9 Ambtenarenwet 2017 waarbij evenmin een wijziging is beoogd.7 Ondanks het feit dat de geheimhouding al volledig wordt gedekt door art. 2:5 Awb is bewust gekozen om ook in de Ambtenarenwet 2017 een geheimhoudingsbepaling op te nemen.8 Dit betekent dat voor ambtenaren art. 2:5 Awb (nog steeds) niet relevant is aangezien art. 9 Ambtenarenwet 2017 prevaleert boven art. 2:5 Awb.