Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/1.4.4.1
1.4.4.1 De effectenlease-arresten
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655713:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de hiernavolgende bespreking neem ik het arrest HR 5 juni 2009, NJ 2012/182, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2012/184 (De Treek/Dexia) tot uitgangspunt.
Het aan de effectenlease-arresten onderliggende feitencomplex veronderstel ik verder bekend.
R.o. 5.1-5.2.
R.o. 5.5.1.
R.o. 5.5.1-5.5.3.
Zie over dit onderdeel van de effectenlease-arresten ook De Bie Leuveling Tjeenk 2014, p. 319; Giesen & Maes 2014, p. 227-228; Klaassen 2013, p. 145-149; Klaassen 2012a, p. 10-15; Akkermans & Van Dijk 2012, § 4; Giesen 2010, p. 127-128; Asser 2010, p. 86-87; Schild 2009, p. 262-263.
Het vermoeden lijkt mede te zijn gebaseerd op een algemene ervaringsregel, aangezien het ook een normatieve component kent, waarover hierna.
Aldus ook Asser 2010, p. 86-87; Klaassen 2012a, p. 12; Klaassen 2013, p. 147; Giesen & Maes 2014, p. 227-228.
Vgl. Asser 2010, p. 87; Klaassen 2012b, § 5.
Zie voor een voorbeeld van een geval waarin de aanbieder aan de verzwaarde motiveringsplicht wist te voldoen Hof Amsterdam 3 juli 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1726 (Dexia Bank Nederland B.V./X), r.o. 3.10. Zie in dit verband ook Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen 10 augustus 2009, JOR 2009/265 (M.C. e.a./Ennia Caribe Leven N.V.), r.o. 2.10-2.11.
Vgl. De Serrière 2011, p. 218-219. Vgl. in dit verband ook De Jongh & Schild 2013, p. 2522-2523.
Vgl. Schild 2009, p. 262-263. Ook volgens Schild zou het door de aanbieder gevoerde verweer als een voldoende gemotiveerde betwisting moeten worden beschouwd van de stellingen van de afnemer. Schild lijkt de door de Hoge Raad gehanteerde bewijslastconstructie vervolgens echter net iets anders te duiden dan ik hier doe.
In het verleden heeft onder meer Van Schaick erop gewezen dat de grenzen tussen enerzijds de stelplicht en anderzijds de bewijslast in de praktijk vloeiend kunnen zijn. Zie Van Schaick 2009, p. 28-36 en zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022, nr. 94-96.
Het hybride karakter van de door de Hoge Raad gehanteerde bewijslastconstructie blijkt bijvoorbeeld ook uit de uitspraak Rb. Amsterdam 7 maart 2012, JOR 2012/216 (X/ABN AMRO Bank N.V.), r.o. 4.22.
Voor een (analoge) toepassing in de lagere rechtspraak van deze door de Hoge Raad in de effectenlease-arresten gehanteerde bewijslastconstructie wijs ik verder nog op de uitspraken Rb. Zeeland-West-Brabant 1 mei 2013, JA 2013/125 (X en Y/Solplaya BV e.a.), r.o. 3.10 en Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen 10 augustus 2009, JOR 2009/265 (M.C. e.a./Ennia Caribe Leven N.V.), r.o. 2.7-2.11. En ook in de uitspraak van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2012-458 d.d. 19 november 2012, JOR 2013/44 (Seuren/ ABN AMRO Bank N.V.), r.o. 4.3.2 meen ik een (analoge) toepassing van deze bewijslastconstructie te ontwaren.
De term ‘jurisprudentiële verzwaarde motiveringsplicht’ ben ik als zodanig nog niet in de literatuur tegenkomen.
De reden dat bij de bewijslastconstructie die in het tweede onderscheidingsgeval wordt toegepast normatieve overwegingen in sterkere mate een rol spelen dan bij de constructie die in het eerste geval wordt toegepast, is gelegen in het feit dat de kans dat de afnemer de overeenkomst niet zou zijn aangegaan als hij beter over de risico’s was geïnformeerd, in het eerste geval feitelijk gezien wat groter is. Daarnaast komt in het tweede geval het normatieve karakter van de bewijslastconstructie ook scherper in de motivering tot uitdrukking dan in het eerste geval. Zo refereert de Hoge Raad in het tweede geval expliciet aan de strekking van de op de aanbieder rustende waarschuwingsplicht, namelijk waarschuwen tegen het aangaan van onnodige risico’s.
Volgens Asser is om deze reden de verwantschap tussen de in de effectenlease-arresten gehanteerde bewijslastconstructie en de omkeringsregel evident en hij spreekt dan ook van een ‘specialis’ van de omkeringsregel. Zie Asser 2010, p. 86-87.
Deze aansprekende metafoor is ontleend aan Asser 2010, p. 87. Zie over dit aspect van de effectenlease-arresten ook Vranken in zijn NJ-noot (sub 24) onder HR 5 juni 2009, NJ 2012/184.
Vgl. Asser 2010, p. 87.
In de effectenleasezaken1 was onder meer in geschil of er een causaal verband bestond tussen het tekortschieten in de zorgplicht door de aanbieder van een effectenleaseproduct en de door de afnemer van dit product geleden beleggingsschade (bestaande uit een restschuld, rente, aflossingen en eventuele kosten).2 Na te hebben overwogen dat het hof met juistheid heeft geoordeeld dat op de aanbieder jegens de afnemer een waarschuwingsplicht rustte voor het aan de effectenelease-overeenkomst verbonden restschuldrisico, alsmede dat de aanbieder gehouden was onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van de afnemer, teneinde hem al naar gelang de uitkomst hiervan te adviseren de overeenkomst niet aan te gaan,3 overweegt de Hoge Raad dat van het in art. 6:98 BW bedoelde oorzakelijk verband eerst sprake kan zijn, indien is voldaan aan het in art. 6:162 BW bedoelde csqn-verband.4 Vervolgens overweegt hij dat voor de gevallen waarin door de aanbieder is aangevoerd dat de afnemer de overeenkomst ook zou hebben gesloten indien de aanbieder wél aan haar zorgplicht zou hebben voldaan, het volgende aantekening verdient:5
‘(…) Indien ervan kan worden uitgegaan dat de inkomens- en vermogenspositie van de afnemer destijds van dien aard was dat de aanbieder had moeten begrijpen dat voldoening van de leasetermijnen en/of de mogelijke (maximale) restschuld naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer zou leggen, is de kans dat deze particuliere wederpartij de effectenlease-overeenkomst niet zou zijn aangegaan indien hij zich van die bijzondere risico’s waaraan de overeenkomst hem blootstelde bewust was geweest zo aanzienlijk, dat – behoudens zwaarwegende aanwijzingen van het tegendeel – ervan kan worden uitgegaan dat hij zonder dat tekortschieten van de aanbieder in diens zorgplicht de overeenkomst niet zou hebben gesloten.
(…) Indien ervan kan worden uitgegaan dat de financiële positie van de afnemer ten tijde van het aangaan van de overeenkomst toereikend was om zijn betalingsverplichtingen uit die overeenkomst (…) na te komen, zal – in verband met de omstandigheid dat de op de aanbieder rustende waarschuwingsplicht ook ertoe strekt te waarschuwen tegen het aangaan van onnodige risico’s – het verweer van de aanbieder dat de afnemer de overeenkomst ook zou zijn aangegaan indien de aanbieder niet in zijn zorgplicht was tekortgeschoten, in het licht van de desbetreffende stellingen van de afnemer voldoende concreet moeten zijn onderbouwd. Is deze onderbouwing niet genoegzaam, kan eveneens tot uitgangspunt worden genomen dat de afnemer zonder dat tekortschieten van de aanbieder in diens zorgplicht de overeenkomst niet zou hebben gesloten.’ (curs. ACWP)
In beide onderscheiden gevallen komt de Hoge Raad de afnemer dus in zijn bewijslast voor het csqn-verband tegemoet.6 In het eerste geval doet hij dat door ten gunste van de afnemer een vermoeden aan te nemen. Dit vermoeden lijkt mede7 te zijn gebaseerd op de algemene ervaringsregel dat de particuliere belegger die vanwege zijn beperkte financiële draagkracht door zijn professionele financiële dienstverlener wordt ontraden een bepaalde overeenkomst aan te gaan, inderdaad conform dit advies zal handelen. Hierbij is interessant dat de toepassing van het door de Hoge Raad geformuleerde vermoeden niet is beperkt tot één concrete zaak, maar dat het in beginsel steeds van toepassing is wanneer de aanbieder van een effectenleaseproduct jegens de afnemer in zijn onderzoeksplicht tekort is geschoten. Het vermoeden draagt daarmee meer het karakter van een ‘regel’ en derhalve zou het kunnen worden aangemerkt als ‘jurisprudentieel vermoeden’.8 De Hoge Raad lijkt zelf te spreken van een ‘uitgangspunt’ (getuige de formulering ‘ervan kan worden uitgegaan dat’).
In het tweede geval komt de Hoge Raad de belegger in zijn bewijslast tegemoet door met een constructie te werken die ik zou willen duiden als een ‘hybride’ tussen een verzwaarde motiveringsplicht (zoals we die kennen uit de sfeer van de aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaren) en een rechterlijk vermoeden. De constructie vertoont kenmerken van een verzwaarde motiveringsplicht, omdat de aanbieder expliciet de verplichting krijgt opgelegd om zijn causaliteitsverweer voldoende concreet te onderbouwen.9 Voldoet de aanbieder niet aan deze motiveringsplicht, dan kan ‘tot uitgangspunt worden genomen’ dat de afnemer de overeenkomst niet zou hebben gesloten als hij voldoende voor het restschuldrisico zou zijn gewaarschuwd.10 Maar de constructie vertoont ook kenmerken van een rechterlijk vermoeden.11 Zou namelijk strikt aan de hoofdregels van het bewijsrecht worden vastgehouden, dan zou het verweer van de aanbieder dat de afnemer ook bij een (meer) indringende waarschuwing de overeenkomst zou zijn aangegaan denk ik wel degelijk kunnen worden beschouwd als een voldoende gemotiveerde betwisting van de desbetreffende stellingen van de afnemer, aangezien er – naar algemene ervaringsregels geredeneerd – op dit punt mijns inziens inderdaad gerede twijfel kan bestaan.12 In dat geval zou dus de belegger als eerste aan zet zijn om zijn stellingen over het causaal verband te bewijzen. Wat echter thans van de aanbieder in het kader van zijn betwisting (onder de noemer van een verzwaarde motiveringsplicht) wordt verwacht, is praktisch gezien niet of nauwelijks te onderscheiden van een op de aanbieder rustende bewijslast (in de zin van bewijsleveringslast).13 De afnemer lijkt daarmee dus bij voorbaat ontheven te zijn van de last om bewijsmateriaal naar voren te brengen, waardoor de facto sprake is van een omkering van de bewijsleveringslast (hetgeen – ik herhaal dat nog maar eens – niet hetzelfde is als een omkering van het bewijsrisico). Vandaar dat men deze bewijslastconstructie ook zou kunnen zien als een rechterlijk vermoeden.14 Verder wijs ik erop dat ook voor deze constructie geldt dat haar toepassing niet is beperkt tot één concrete zaak, maar dat zij in beginsel steeds van toepassing is wanneer de aanbieder van een effectenleaseproduct jegens de afnemer in zijn waarschuwingsplicht tekort is geschoten.15 Ook deze constructie draagt daarmee het karakter van een ‘regel’ en zou derhalve kunnen worden aangemerkt als ‘jurisprudentiële verzwaarde motiveringsplicht’16 c.q. ‘jurisprudentieel vermoeden’.
Tot besluit merk ik nog op dat voor beide onderscheidingsgevallen geldt dat bij het aannemen van de respectieve bewijslastconstructies ook normatieve overwegingen een rol spelen (voor de constructie die in het tweede onderscheidingsgeval wordt toegepast geldt dit overigens in sterkere mate dan voor de constructie die in het eerste geval wordt toegepast).17, 18 Louter op basis van algemene ervaringsregels en op basis van de feiten zoals die zich in de effectenleasezaken aandienden, is het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt namelijk niet goed te verklaren; wie wilde destijds immers niet ‘meesurfen op de golf’ van steeds maar hogere beurskoersen?19 Bovenstaande overwegingen vormen daarmee een aansprekend voorbeeld van een geval waarin de stelplicht en bewijslast als instrument dienen tot handhaving van een door de Hoge Raad geformuleerde gedragsnorm.20