Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.5.6.2
5.2.5.6.2 Maatregelen ter verzekering van aanwezigheid van getuige
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
In EHRM 4 maart 2010, appl.no. 18487/03 (Khametshin/Rusland) werd onvoldoende gevonden dat na aanhouding van een zitting de desbetreffende politieambtenaren niet als getuige waren verschenen omdat de zittingsdag hen niet uitkwam.
EHRM 12 april 2007, appl.no. 11423/03 (Pello/Estland), § 34.
EHRM 26 juli 2005, appl.nos. 39481/98 & 40227/98 (Mild & Virtanen/Finland), § 44-47. Zie ook EHRM 16 december 1999, appl.no. 29728/96 (dec.) (Vahtera/Finland), p. 12.
EHRM 26 januari 2010, appl.no. 25585/02 (Emen/Turkije), § 35; EHRM 5 februari 2009, appl.no. 13769/04 (Makeyev/Rusland), § 45-46; EHRM 4 december 2008, appl.no. 1111/02 (Trofimov/Rusland), § 35-36.
EHRM 8 december 2009, appl.no. 44023/02 (Caka/Albanië), § 108.
EHRM 10 april 2012, appl.no. 8088/05 (Gabrielyan/Armenië), § 82.
EHRM 27 januari 2011, appl.no. 42224/02 (Krivoshapkin/Rusland), § 48 en 60.
Wanneer een getuigenverzoek is toegewezen, zal de getuige moeten worden opgeroepen of gedagvaard. Het eenmalig oproepen van een getuige is niet altijd voldoende.1 Wanneer de getuige daaraan geen gevolg heeft gegeven, zal de zitting immers kunnen worden geschorst en zal de getuige nogmaals kunnen worden opgeroepen. Verschijnt de getuige ook na hernieuwde oproeping niet, dan mag niet automatisch worden aangenomen dat het laten verschijnen van de getuige onmogelijk is. Geeft de getuige niet vrijwillig gevolg aan een oproeping, dan hebben rechters dikwijls de bevoegdheid om een bevel tot medebrenging uit te vaardigen. Het uitblijven van zo’n bevel kan dan worden aangemerkt als nalatigheid van de autoriteiten.2 Het ehrm verwijt de autoriteiten ook nalatigheid wanneer het nationale recht geen bevoegdheid tot het geven van een bevel tot medebrenging kent. In de zaak Mild & Virtanen weigerde een getuige te verschijnen en kon deze volgens de Finse wet niet worden gedwongen te verschijnen. Het ehrm oordeelde: ‘Thus, the law was inadequate on this point’ en meende dat niet iedere redelijke inspanning was gedaan om de getuige beschikbaar te stellen voor ondervraging.3
Wanneer een getuige gedetineerd is, levert het uitblijven van een ondervragingsgelegenheid al snel nalatigheid op.4 Door middel van een bevel tot medebrenging moet het in dat geval immers mogelijk zijn de getuige naar de rechtszaal over te brengen. Ook ten aanzien van politieambtenaren neemt het ehrm redelijk snel nalatigheid aan. In het arrest Caka overwoog het:
‘The Court notes that the testimonies of the three police officers constituted evidence of, at least, prima facie relevance to the applicant’s defence. The failure of the respondent State (...) to ensure the attendance of the police officers who act as the depository of the public authority responsible for protecting the general interests of the State, combined with the trial court’s inability to secure the enforcement of its summons, falls short of the diligence which the Contracting States must exercise in order to ensure that the rights guaranteed by Article 6 are enjoyed in an effective manner’.5
Wanneer een bevel tot medebrenging is gegeven, maar de getuige niet op het van hem bekende adres aanwezig is, zal de politie moeite moeten doen om de getuige op te sporen. Zij kan bijvoorbeeld pogingen doen om een nieuw adres te achterhalen of om de reden voor de afwezigheid van de getuige vast te stellen. Verblijft een getuige niet in zijn woning, maar is wel te verwachten dat hij in de nabije toekomst thuis zal komen, dan zou dat moment kunnen worden afgewacht.6
De bereidheid van een getuige om bij een verhoor te verschijnen kan toenemen wanneer een reiskostenvergoeding in het vooruitzicht wordt gesteld. In de zaak Krivoshapkin zou een getuige een flinke reis moeten ondernemen om de plaats van verhoor te bereiken. Hij had aangegeven dat dit voor hem om financiële redenen niet mogelijk was. Het ehrm oordeelde dat de vergoeding van reiskosten en andere uitgaven aan deze belangrijke getuige geen onneembare hindernis was voor de justitiële autoriteiten en meende dat zij niet aan hun inspanningsverplichting hadden voldaan.7