De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.4.5:2.4.5 Grenzen aan pedagogische autonomie
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.4.5
2.4.5 Grenzen aan pedagogische autonomie
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949671:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is beschreven dat de leraar autonomie heeft om op basis van zijn vakdeskundigheid in het belang van de leerling kwalitatief goed onderwijs aan te bieden. In dit doel van pedagogische autonomie kunnen ook een tweetal functionele grenzen worden gevonden. De autonomie van de leraar wordt begrensd door 1) het belang van de leerling en 2) de kwaliteit van onderwijs. Deze grenzen zijn functioneel in de zin dat zij samenhangen met het doel van pedagogische autonomie; de leraar heeft autonomie om in het belang van de leerling kwalitatief goed onderwijs aan te bieden.
De pedagogische autonomie wordt in de eerste plaats begrensd doordat hiermee het belang van de leerling gediend moet worden. Avenarius en Heckel schrijven dan ook dat de pedagogische autonomie van de leraar niet dient om de individuele opvattingen en overtuigingen van de leraar, ten koste van de lesstof, op de leerling over te dragen.1 Voor Avenarius en Heckel staat bij de toepassing van pedagogische autonomie van de leraar het belang van de leerling centraal. De pedagogische autonomie eindigt volgens hen dan ook wanneer daardoor de prestaties van de school en de educatieve belangen van de leerling worden aangetast. Luthe schrijft eveneens dat de pedagogische autonomie van de leraar geen vrijheid in het individuele belang van de leraar is.2 De pedagogische autonomie is een functionele autonomie in het belang van de educatieve missie van de school. Doordat pedagogische autonomie in dit geval wordt afgeleid uit de educatieve missie van de school, is deze autonomie door de individuele leraar volgens Luthe nauwelijks in te roepen als recht.
In de tweede plaats wordt de pedagogische autonomie van de leraar begrensd doordat hij kwalitatief goed onderwijs moet aanbieden. De autonomie van de leraar brengt immers met zich dat van de leraar verwacht mag worden dat hij in de klas – als zijn kennis en kunde als professional wordt aangesproken – zorg betracht om de leerling kwalitatief goed onderwijs te bieden. Wat kwalitatief goed onderwijs is en wat in het belang is van de leerling, is in zekere mate een kwestie van perspectief. In abstracto is de norm van kwalitatief goed onderwijs in te vullen met algemene regels en standaarden. In concreto kunnen de ideeën uiteenlopen over wat kwalitatief goed onderwijs is voor een bepaalde leerling. De leerling en zijn ouders kunnen andere ideeën hebben over de belangen van de leerling dan de leraar, bijvoorbeeld als het gaat over het overgaan van de leerling naar een volgend schooljaar of naar een andere vorm van onderwijs. In concrete gevallen kunnen over de belangen van de leerling bij het gebruik van autonomie door de leraar de meningen dan ook verschillen. Aangezien de leraar de professional is, is het in de eerste plaats aan hem om met zijn autonomie te bepalen wat in het belang van de leerling is en wat kwalitatief goed onderwijs is, tenzij de leraar evident in strijd handelt met de belangen van de leerling.