Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.5.3:4.3.5.3 Wijze waarop het recht op teruggaaf moet worden herzien
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.5.3
4.3.5.3 Wijze waarop het recht op teruggaaf moet worden herzien
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495406:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien en voor zover de vergoeding, nadat het recht op teruggaaf is ontstaan, alsnog geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen, moet de teruggaaf op grond van art. 29 lid 5 Wet OB 1968 worden herzien: de ondernemer wordt de btw ter zake van de alsnog ontvangen vergoeding verschuldigd op het tijdstip waarop die vergoeding wordt ontvangen.1 De laatste volzin van voornoemde bepaling schrijft voor dat art. 14 lid 1 Wet OB 1968 van overeenkomstige toepassing is. Dit betekent dat de verschuldigd geworden btw op aangifte moet worden voldaan. De verplichting om de btw-herziening in de aangifte te verwerken geldt niet enkel in de reguliere situatie waarin de leverancier de vergoeding alsnog betaald krijgt; ook de overnemer van vorderingen dient de wegens herziening verschuldigde btw in zijn btw-aangifte op te nemen.2 Dit lijkt moeilijk verenigbaar met gedachte (ook) de lastendruk van overnemers van vorderingen terug te dringen, door aan deze groep belastingplichtigen (wat betreft de overgenomen vorderingen) juist geen aangifteverplichtingen op te leggen. Het komt mij namelijk voor dat wanneer het verwerken van de initiële btw-teruggaaf bij overnemers van vorderingen op praktische bezwaren stuit, deze ook zouden moeten gelden voor het maken van een herzieningscorrectie. Het verschil in de wijze waarop de correcties door overnemers van vorderingen moeten worden verwerkt is ook in de parlementaire geschiedenis niet onopgemerkt gebleven. De staatssecretaris van Financiën merkt op:3
“De leden van de fractie van de VVD vragen voorts naar het feit dat factorbedrijven een verzoek om teruggaaf van btw apart kunnen doen, terwijl een eventuele terugbetaling op aangifte moet plaatsvinden. Is dit procedurele verschil gewenst voor praktijk en de Belastingdienst, zo vragen deze leden. (...)
Wanneer een factorbedrijf voor een overgenomen vordering recht heeft op teruggaaf van btw, blijft daarvoor dus een apart teruggaafverzoek noodzakelijk. Wanneer een vordering alsnog geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen, is de daarop betrekking hebbende btw op aangifte verschuldigd. Ook factorbedrijven dienen deze btw op de gebruikelijke wijze op aangifte te betalen. Dit staat los van het feit dat voor de teruggaaf een apart verzoek nodig blijft.”
Een duidelijke rechtvaardiging voor het verschil in behandeling tussen de aanvankelijke correctie en de herzieningscorrectie ontbreekt echter. De vraag rijst of de wetgever niet had kunnen opteren voor een alternatief, zoals een systeem op grond waarvan de Belastingdienst de overnemer van de vordering naar aanleiding van een afzonderlijk ingevuld formulier zou confronteren met een naheffingsaanslag. Daarmee zou de correctie bij een betaling alsnog ook buiten de aangifte kunnen blijven. Ik zou echter menen dat dit lastig is. Reden hiervoor is dat het instrument van de naheffingsaanslag veronderstelt dat de belastingplichtige eerst een betalingsomissie heeft begaan.4 Daarvan is op het moment van de ‘betaling alsnog’ naar mijn idee geen sprake van. Door te verwijzen naar art. 14 lid 1 Wet OB 1968 legt de wetgever mijns inziens terecht het initiatief bij de ondernemer. Gaat hij niet tijdig over tot het maken van een correctie, dan kan het instrument van de naheffingsaanslag nog altijd (ook op verzoek van de ondernemer) worden aangewend.