Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.5.6:4.3.5.6 Slotsom
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.5.6
4.3.5.6 Slotsom
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS493038:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 29 Wet OB 1968 lid 4, 5 (laatste volzin), 6 (laatste twee volzinnen) en lid 10 bevatten regels over de wijze waarop het recht op teruggaaf en de correctie bij een betaling alsnog moeten worden geëffectueerd. Voor een goed begrip van de regeling heb ik eerst stilgestaan bij de wijze waarop het recht op teruggaaf onder art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (tot 2017) moest worden verwezenlijkt. Aan het vereiste van het moeten doen van een afzonderlijk teruggaafverzoek kleefden de nodige praktische en theoretische bezwaren. Met de invoering van de hoofdregel dat de btw voortaan eigenmachtig via de reguliere btw-aangifte moet worden teruggevraagd, komt de wetgever met art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017) tegemoet aan deze bezwaren. Voor vorderingen die zijn overgenomen moet nog wel een afzonderlijk teruggaafverzoek worden ingediend. Met onderhavige bepalingen wordt tegemoetgekomen aan de wens de regeling voor oninbare vorderingen te vereenvoudigen. Ik kom tot de conclusie dat bedoelde regels in overeenstemming zijn met het Unierecht en het rechtskarakter van de btw.