Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.7.3.3
7.3.7.3.3 Bewijsvoering en bewijsgaring door de rechter?
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940243:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.3.10.3.2 en paragraaf 7.3.7.2.
Zie paragraaf 7.3.7.2.
Zie Feteris 2007, p. 436 voor enkele voorbeelden van sturing die de rechter aan het proces van bewijslevering kan geven, bijvoorbeeld door de wederpartij uitdrukkelijk te stimuleren om een bepaalde stelling te weerspreken.
Vgl. Rb Arnhem 16 juli 2012, V-N 2012/45.21.3.
Zie HR 17 december 2004, BNB 2005/152, V-N 2004/67.11.
Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997 geven hun paragraaf 2.25 de titel ‘Bewijslevering zaak van de partijen’.
HR 11 oktober 2019, V-N 2019/49.23, r.o. 2.4.2.
De rechter heeft formeel slechts in beperkte mate de (discretionaire) bevoegdheid om zelfstandig bewijs te vergaren en aldus bij te dragen aan de bewijslevering. Het gaat om enkele wettelijk geregelde bevoegdheden, die in de Awb als onderdeel van het vooronderzoek zijn geregeld. Het gaat bijvoorbeeld om het (voorafgaand aan het onderzoek ter zitting) horen van partijen, het opvragen van schriftelijke inlichtingen en stukken, het oproepen van getuigen en het benoemen van deskundigen.1 In dit verband kan voorts worden gewezen op de in art. 8:69 lid 3 Awb gegeven bevoegdheid om ambtshalve de feiten aan te vullen, waarbij moet worden opgemerkt dat de uitoefening van deze bevoegdheid op gespannen voet kan staan met de grenzen van de rechtsstrijd.2 Ten slotte kwam hiervoor de zuivere eigen wetenschap en de eigen waarneming van de rechter aan de orde.3
In materieel opzicht geldt (ook tijdens het onderzoek ter zitting) de vrije bewijsleer. De rechter mag een tamelijk actieve rol aannemen, of beter gezegd: hij hoeft zich niet te beperken tot het geven van gelegenheid om bewijs te leveren.4 Hij mag verder gaan door bijvoorbeeld concreet aan te geven dat één van de partijen een bewijsaanbod moet doen, en daarbij te schetsen hoe dat aanbod zou kunnen worden ingevuld.5 Dat is echter geenszins een verplichting. De rechter hoeft ook geen tussenbeslissing of voorlopig oordeel te geven over de bewijspositie van partijen.6 De processuele gelijkheid van partijen brengt in dit kader wel mee, dat wanneer de rechter zelf (ambtshalve) bewijs vergaart, beide partijen in de gelegenheid moeten worden gesteld om zich daarover uit te laten.7
Uit het voorgaande kan de conclusie worden getrokken dat de bewijsvoering hoofdzakelijk een zaak is van partijen.8 Het initiatief ligt bij hen. De rechter kan hen daarbij behulpzaam zijn, maar dat hoeft niet. De rechter is niet gehouden om een eigen onderzoek in te stellen naar de feiten die door partijen moeten worden gesteld en bewezen.9