Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.4.8
5.4.8 Masterfoods en artikel 16 Verordening 1/2003: de bevoegdheidsverdeling tussen de Commissie en de nationale rechter
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS574072:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 14 december 2000, zaak C-344/98 (Masterfoods), Jur. 2000, p.1-11369. Zie voor een nadere bespreking van deze uitspraak onder meer Fierstra 2001, p. 159-163; Preece 2001, p. 281-288; Wesseling 2001b, p. 222-226; Kjolbye 2002, p. 175-184.
R.o. 8.
R.o. 10.
Beschikking 11 maart 1998 (Van den Bergh Foods Ltd ), PbEG 1998, L 246/1 (98/531/EG). HB trad inmiddels op onder de naam Van den Bergh Foods Ltd.
R.o. 45.
R.o. 46.
HvJ EG 28 februari 1991, zaak C-234/89 (Delimitis), Jur. 1-935, NI 1992, 763, r.o. 44.
HvJ EG 4 maart 1999, zaak C-119/97 P (Ufex), Jur. 1999, p. 1-1341, r.o. 88.
R.o. 46.
R.o. 47.
R.o. 48.
R.o. 49 en 50.
R.o. 52. Volgens het HvJ EG is het feit dat de president van het GvEA EG de tenuitvoerlegging van beschikking 98/531 heeft opgeschort tot aan het eindarrest van het GvEA EG in dit verband niet van belang. De handelingen van de gemeenschapsinstellingen worden namelijk in beginsel vermoed rechtsgeldig te zijn zolang zij niet nietig zijn verklaard of ingetrokken (r.o. 53); Zie ook HvJ EG 15 juni 1994, zaak C-137/92 P (BASF e.a.), Jur. 1994, p. 1-2555, r.o. 48. Het HvJ EG overweegt vervolgens (r.o. 53): 'De beslissing van de rechter in kort geding om de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling krachtens art. 185 van het Verdrag op te schorten heeft slechts voorlopige werking. Zij loopt niet vooruit op de rechtspunten of feitelijke punten in geding en maakt evenmin de gevolgen van de later in het hoofdgeding te nemen beslissing bij voorbaat ongedaan (...)'. Zie ook HvJ EG 19 juli 1995, zaak C-149/95 P (R) (Atlantic Container Line e.a.), Jur. 1995, p. 1-2165, r.o. 22.
R.o. 58.
Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevat slechts een limitatief aantal gronden om een procedure te schorsen.
Zie ook Van Dijk 2004, p. 7.
Van Dijk 2004, p. 7.
Nazzini 2004, p. 171.
Nazzini 2004, p. 171. Partijen hebben op grond van art. 6 EVRM recht op een behandeling inclusief uitspraak binnen redelijke termijn. Deze redelijke termijn geldt zowel in totaliteit (van moment van instelling van de actie tot de onherroepelijke uitspraak) als wat de afzonderlijke procesfasen betreft. Zie echter EHRM 30 september 2003, zaaknr. 40892/98 (Koua Poirrez/Frankrijk), NJB 2003, p. 2206. In dit arrest werd overwogen dat de periode die verstrijkt door het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJ EG niet meetelt voor het berekenen van de termijn. Zie bijvoorbeeld ook EHRM 22 mei 2003, zaaknr. 41666/98 (Kyrtatos/Griekenland), NJB 2003, p. 1447. Zie Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 41; Van der Wiel 2004, p. 61.
Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 41.
[2006] UKHL 38.
Komninos 2008, p. 16.
Komninos 2008, p. 15-16.
De relatie tussen de Commissie en de nationale rechter is door het HvJ EG nog eens duidelijk gemaakt in de in 2000 gewezen zaak Masterfoods.1In deze zaak ging het om vrieskisten die HB Ice Cream (een dochter van de Unilever-groep) gratis of tegen een geringe huurprijs ter beschikking stelde aan de detailhandelaren van ijs. In de overeenkomsten tot levering van vrieskisten die HB had gesloten met detailhandelaren van ijs was een exclusiviteitsbeding opgenomen. Masterfoods (dochter van de Amerikaanse vennootschap Mars Inc.) betrad vervolgens de Ierse consumptie-ijsmarkt. Een aanzienlijk aantal detailhandelaren die beschikte over de door HB geleverde vrieskisten ging ertoe over om daarin het ijs van Masterfoods te bewaren en aan te bieden.
HB vorderde vervolgens nakoming van het exdusiviteitsbeding. Masterfoods stelde een vordering in bij het Ierse High Court, die de strekking had vast te stellen dat het exdusiviteitsbeding krachtens het nationale recht en de artikelen 85 en 86 EG-Verdrag (thans artikelen 81 en 82 EG) nietig was. HB stelde vervolgens een vordering in die ertoe strekte Masterfoods te verbieden de detailhandelaren ertoe aan te zetten het exclusiviteitsbeding te overtreden.
Nadat het High Court een voorlopig verbod ten gunste van HB had uitgesproken, nam het High Court een beslissing ten principale op de vorderingen van Masterfoods en HB. Het High Court verwierp de vordering van Masterfoods en legde ten gunste van HB een definitief verbod op aan Masterfoods om de detailhandelaren ertoe te bewegen de producten van Masterfoods in vrieskisten van HB te bewaren.2 De vordering van HB tot verkrijging van schadevergoeding werd afgewezen.
Masterfoods stelde tegen deze beslissingen beroep in bij het Ierse Supreme Court. Parallel aan deze procedure was door Masterfoods bij de Commissie een Macht tegen HB ingediend wegens het feit dat HB aan detailhandelaren vrieskisten leverde die uitsluitend voor de producten van dat merk mochten worden gebruikt.3 Na een beschikking van de Commissie, waarin onder andere werd vastgesteld dat HB inbreuk maakt op de artikelen 81 en 82 EG, heeft HB bij verzoekschrift beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld bij het GvEA EG.4 Tevens heeft HB bij afzonderlijke akte verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking totdat het GvEA EG ten principale heeft beslist. Onder deze omstandigheden heeft het Ierse Supreme Court de behandeling van de zaak geschorst en prejudiciële vragen gesteld die gerezen zijn in twee gedingen tussen Masterfoods en HB Ice Cream over de uitlegging van de artikelen 85, 86 en 222 EG-Verdrag (thans de artikelen 81 EG, 82 EG en 295 EG).
In antwoord op de vragen van het Ierse Supreme Court herinnert het HvJ EG aan de beginselen die de bevoegdheidsverdeling tussen de Commissie en de nationale rechter bij de toepassing van de communautaire mededingingsregels beheersen.5 Het HvJ EG overweegt dat de Commissie, die de taak heeft over de in de artikelen 81 en 82 EG neergelegde beginselen te waken, de oriëntatie van het communautaire mededingingsbeleid moet bepalen en uitvoeren.6 Onder verwijzing naar de arresten Delimitis7en Ufex e.a./Commissie,8overweegt het HvJ EG dat de Commissie bij het geven van individuele beschikkingen en het vaststellen van vrijstellingsverordeningen aan de bij haar ingediende Machten een verschillende prioriteit mag toekennen.9
Het HvJ EG zet aan de hand van het arrest Delimitis uiteen dat de Commissie haar bevoegdheden tot toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG deelt met de nationale rechterlijke instanties. Aan de hand van het BRT1-arrest wordt nog eens herhaald dat de genoemde bepalingen rechtstreekse gevolgen teweegbrengen in de betrekkingen tussen particulieren en voor de justitiabelen rechtstreekse rechten doen ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven. Het HvJ EG concludeert vervolgens dat de nationale rechter bevoegd blijft tot toepassing van de artikelen 81 lid 1 en 82 EG in het geval de Commissie een procedure krachtens de artikelen 2, 3 of 6 van Verordening nr. 17 heeft ingeleid.10
Het HvJ EG overweegt vervolgens dat (r.o. 48)
'(...) de Commissie bij de vervulling van de haar door het Verdrag toegekende taak niet [kan] zijn gebonden aan een beslissing die een nationale rechter op grond van de artikelen 85, lid 1, en 86 van het Verdrag [thans de artikelen 81 lid 1 en 82 EG, Ejz] heeft gegeven'.
De Commissie is dan ook volgens het HvJ EG bevoegd individuele beschikkingen houdende toepassing van de artikelen 81 en 82 EG te geven indien een nationale rechter reeds heeft beslist over een overeenkomst of gedraging en de door de Commissie voorgenomen beschikking in tegenspraak is met die rechterlijke beslissing.11
Aan de hand van eerdere rechtspraak maakt het HvJ EG duidelijk dat de gemeenschapstrouw ex artikel 10 EG ook geldt voor de nationale rechter.
Volgens het in artikel10 EG neergelegde beginsel van de gemeenschapstrouw onthouden de lidstaten zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-Verdrag in gevaar kunnen brengen en treffen de lidstaten alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het EG-Verdrag of uit handelingen van de instellingen van de Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.
Het HvJ EG wijst nog eens op het feit dat een beschikking van de Commissie op grond van artikel 189, vierde alinea EG-Verdrag (thans artikel 249 EG) verbindend is in á haar onderdelen voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk zijn gericht.12 Na te refereren aan het arrest Delimitis, waarin is bepaald dat de nationale rechter ter voorkoming van schending van het algemene rechtszekerheidsbeginsel moet voorkomen dat beslissingen in tegenspraak zijn met een beschikking die de Commissie heeft gegeven of voornemens is te geven, overweegt het HvJ EG dat wanneer een nationale rechter zich uitspreekt over een overeenkomst of een gedraging waarvan de verenigbaarheid met artikel 81 EG en artikel 82 EG reeds in een beschikking van de Commissie is beoordeeld, hij geen beslissing mag nemen die tegen de beschikking van de Commissie indruist, ook al is deze laatste in tegenspraak met de beslissing van een nationale rechter in eerste aanleg.13 Tevens overweegt het HvJ EG dat (r.o. 55)
'Wanneer de geadresseerde van de beschikking van de Commissie, zoals in de hoofdgedingen, binnen de in artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag [thans, na wijziging, artikel 230 EG, EJZ] gestelde termijn krachtens dat artikel beroep tot nietigverklaring tegen deze beschikking heeft ingesteld, (...) de nationale rechter [moet] beoordelen, of hij de behandeling van de zaak zal schorsen om een definitieve beslissing op dat beroep tot nietigverklaring af te wachten of om het Hof een prejudiciële vraag te stellen.'
Nadat het HvJ EG er nog eens aan herinnert dat de toepassing van de Europese mededingingsregels berust op een verplichting tot loyale samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en de Commissie respectievelijk de communautaire rechterlijke instanties, overweegt het HvJ EG (r.o. 57):
'Wanneer de beslechting van het geschil voor de nationale rechter afhangt van de geldigheid van de beschikking van de Commissie, brengt de verplichting tot loyale samenwerking mee, dat de nationale rechter, om geen beslissing te nemen die tegen de beschikking van de Commissie indruist, de behandeling van de zaak schorst tot een definitieve beslissing van de communautaire rechterlijke instanties op het beroep tot nietigverklaring, tenzij hij van oordeel is, dat het in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is het Hof een prejudiciële vraag over de geldigheid van de beschikking van de Commissie te stellen.'
Daarbij ontstaat voor de nationale rechter nog de verplichting te onderzoeken of tijdens de procedure voorlopige maatregelen moeten worden genomen om de belangen van partijen tot zijn einduitspraak te beschermen.14
De Masterfoods-jurisprudentie is uiteindelijk gecodificeerd in het eerste lid van artikel 16 van de nieuwe Verordening 1/2003 (zie voor Verordening 1/ 2003 § 5.4). De bepaling vormt een verdere uitwerking van de verplichting die uit de zaak Masterfoods voorvloeit en luidt als volgt:
'Wanneer nationale rechterlijke instanties artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag toepassen op overeenkomsten, besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een beschikking van de Commissie, kunnen zij geen beslissingen nemen die in strijd zijn met de door de Commissie gegeven beschikking. Ook moeten zij vermijden beslissingen te nemen die in strijd zouden zijn met een beschikking die de Commissie overweegt te geven in een door haar gestarte procedure. Te dien einde kan de nationale rechterlijke instantie de afweging maken of het nodig is haar procedure op te schorten. Deze verplichting laat de rechten en verplichtingen op grond van artikel 234 van het Verdrag onverlet.'
De nationale rechter moet een eerdere beslissing van de Commissie volgen en dient te voorkomen dat zijn uitspraak in strijd raakt met de beslissing die de Commissie overweegt te nemen in een reeds lopende procedure. Verordening 1/2003 stelt in dat geval als mogelijkheid voor de nationale procedure op te schorten (wat in de praktijk neerkomt op een schorsing van het geding). Een complicerende factor hierbij is dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit niet als schorsingsgrond kent (informeel wel door aanhouding van de zaak te realiseren).15 Ook de Wet tot wijziging van de Mededingingswet in verband met de uitvoering van Verordening 1/2003 voorziet hier niet in. De rechter zal zijn schorsingsbevoegdheid mijns inziens dan ook direct op artikel 16 van Verordening 1/2003 moeten baseren, nu het hier immers een rechtstreeks toepasselijke en verbindende bepaling betreft.16 Het direct baseren van de schorsingsbevoegdheid op artikel 16 van Verordening 1 /2003 past ook bij de in Masterfoods nog eens benadrukte gehoudenheid van de nationale rechter om loyaal mee te werken aan de uniforme toepassing van het Europees mededingingsrecht.17
De jurisprudentie van het HvJ EG en Verordening 1/2003 laten wel enige ruimte voor de nationale rechter over om in bijzondere gevallen nog te kunnen manoeuvreren.18 De directe werking van de artikelen 81 en 82 EG zorgt er namelijk voor dat de nationale rechter formeel zijn bevoegdheid niet verliest om over de zaak te oordelen, ook á is een zaak aanhangig bij de Commissie. Daarnaast zal de voorrang van het gemeenschapsrecht dienen te worden afgewogen tegen het in artikel 6 lid 1 EVRM neergelegde recht van partijen op een behandeling van hun civiele zaak door de rechter binnen een redelijke termijn.19 Dit recht op behandeling binnen redelijke termijn geldt zowel in totaliteit (van moment van instelling van de actie tot de onherroepelijke uitspraak) als wat de afzonderlijke procesfasen betreft.20
Bij dit alles dient de kanttekening te worden gemaakt dat de kans op een conflict tussen de nationale rechter en een beschikking van de Commissie onder het regime van Verordening 1/2003 veel kleiner is geworden. Uit de Masterfoods-jurisprudentie en artikel 16 van Verordening 1/2003 wordt duidelijk dat een mogelijk conflict tussen de uitspraak van de Commissie en de uitspraak van de nationale rechter alleen dan bestaat indien de overeenkomsten, besluiten of gedragingen waar de nationale rechter een beslissing over neemt het voorwerp zijn van een beschikking van de Commissie of het voorwerp zijn van een beschikking die de Commissie overweegt te nemen. Een mogelijk conflict doet zich niet voor bij andere overeenkomsten, besluiten of gedragingen in dezelfde markt. Dit blijkt ook uit de beslissing die het House of Lords heeft genomen in de zaak Inntrepreneur Pub Company and others v. Crehan.21Beschikkingen van de Europese Commissie zijn volgens het House of Lords alleen bindend indien het zowel dezelfde partijen betreft als dezelfde overeenkomsten, besluiten of gedragingen die in strijd zijn met het mededingingsrecht.
Ondanks de mogelijke gebondenheid van de nationale rechter aan een beslissing van de Commissie staat de onafhankelijkheid van de nationale rechter en de zelfstandigheid van de privaatrechtelijke handhaving ten opzichte van de publiekrechtelijke handhaving van mededingingsrecht voorop. Er is in principe geen hiërarchische verhouding tussen de twee vormen van handhaving. De nationale rechter is als decentrale gemeenschapsrechter namelijk niet gebonden aan beslissingen van de Europese Commissie als mededingingsautoriteit, maar aan beslissingen van de Europese Commissie als supranationale gemeenschapsinstelling die getoetst kunnen worden door de centrale gemeenschapsrechters (GvEA EG en HvJ EG).22 Zie ook mijn kritische bespreking in § 9.5.7.7 van de in het Witboek voorgestelde binding van de nationale rechter aan een uitspraak van een nationale mededingingsautoriteit van een andere EU lidstaat.23