Einde inhoudsopgave
Uitbesteding van werk en (on)gelijke behandeling (MSR nr. 87) 2024/4.3.3.1
4.3.3.1 Interpretatie door de regering
M.A.C. Keijzer, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
M.A.C. Keijzer
- JCDI
JCDI:ADS943440:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2010/11, 32 895, nr. 3, p. 12 (MvT bij wijziging Waadi).
Art. 5 lid 1 Richtlijn 2008/104/EG (Uitzendrichtlijn); Kamerstukken II 2010/11, 32 895, nr. 3, p. 5 en 6.
In 2008 merkten ook Tanja en Van Lent op, onder verwijzing naar de omschrijving van de wetgever van ‘loon en overige vergoedingen’, dat art. 8 lid 1 Waadi in materieel opzicht geen volledig gelijke beloning verlangt, in: Tanja & Van Lent, ArbeidsRecht 2008/11.
Heyma e.a. concludeerden in 2020 in een rapport uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van SZW dat de verschillende uitleg in de rechtspraak over de vraag welke beloningscomponenten onder de inlenersbeloning in de zin van art. 8 Waadi vallen, leidt tot rechtsonzekerheid en onduidelijkheid, zie Heyma e.a. 2020, p. 86.
Kamerstukken II 2018/19, 35074, 3, p. 35 (MvT WAB).
De implementatie van de richtlijn door Nederland veranderde het loonverhoudingsvoorschrift voor wat betreft de arbeidsvoorwaarde loon niet. Art. 8 lid 1 Waadi bleef spreken van ‘loon en overige vergoedingen’. De regering herhaalde de omschrijving die zij hiervan bij invoering van de Waadi had gegeven. Daaraan voegde zij toe dat loon niets anders is dan de tegenprestatie voor de bedongen arbeid en mede het loon omvat voor bijvoorbeeld overuren, werken op feestdagen en loon over vakantiedagen.1 De regering meende dat met het loonverhoudingsvoorschrift uit art. 8 Waadi al werd voldaan aan de implementatie van de in de richtlijn vastgelegde gelijke-behandelingsnorm ten aanzien van bezoldiging. Wijziging van art. 8 Waadi zag er dan ook uitsluitend op om aan door de richtlijn vereiste gelijke behandeling ten aanzien van andere arbeidsvoorwaarden te voldoen.2
De wetgever beschouwde de woorden ‘loon en overige vergoedingen’ uit het loonverhoudingsvoorschrift dus als een geschikte invulling van het begrip ‘bezoldiging’ uit de richtlijn. Aan lid 1 werd wel toegevoegd dat het ging om ‘ten minste’ dezelfde arbeidsvoorwaarden als de werknemers van de inlener en de titel van art. 8 Waadi spreekt sindsdien ook expliciet over gelijke behandeling.
Het loonverhoudingsvoorschrift heeft al met al in de loop der tijd meer een gelijke-behandelingskarakter gekregen. De Uitzendrichtlijn, en het daarin vastgelegde beginsel van gelijke behandeling, is daar vermoedelijk van invloed op geweest. De Nederlandse wetgever lijkt echter bij de implementatie van de richtlijn een enge interpretatie van ‘loon en overige vergoedingen’ te hebben gehanteerd. Dit kan verklaard worden door de oorspronkelijke ratio achter het voorschrift.3 Een ruime interpretatie van ‘beloning’ lijkt in de context van de Uitzendrichtlijn echter op zijn plaats.
Door de enge omschrijving van de wetgever van ‘loon en overige vergoedingen’ enerzijds en de invloed van de Uitzendrichtlijn anderzijds ontstaat echter onzekerheid over de vraag of uitzendkrachten op grond van art. 8 lid 1 Waadi echt exact hetzelfde betaald moeten worden als werknemers van de inlener in gelijke of gelijkwaardige functies.4
Of een uitzendkracht op grond van art. 8 Waadi bijvoorbeeld ook recht heeft op de bij de inlener geldende periodieke en initiële loonsverhogingen, toeslagen, scholingsbudgetten, eindejaarsuitkeringen, eenmalige uitkeringen en winst- of bonusregelingen, is niet direct op te maken uit de door de wetgever gegeven omschrijving van ‘loon en overige vergoedingen’.
In 2018 gaf de regering in de memorie van toelichting bij de WAB er blijk van het begrip ‘loon en overige vergoedingen’ uit art. 8 lid 1 Waadi ruim op te vatten. Dit gebeurde bij het bespreken van de definitie van de inlenersbeloning in de uitzend-cao – waarover hierna meer. Het volgende werd overwogen: “Deze inlenersbeloning (zoals gedefinieerd in de uitzend-cao (MK)) bestaat uit het periodeloon, verschillende toeslagen en bijvoorbeeld de arbeidstijdverkorting. Met de inlenersbeloning wordt daardoor niet hetzelfde loon betaald aan de uitzendkracht als voor hem zou gelden als hij rechtstreeks in dienst was bij de opdrachtgever. Zo sluiten deze cao’s gelijke beloning ten aanzien van een dertiende maand, (vaste) eenmalige uitkeringen, bovenwettelijke uitkeringen en bijdragen voor scholing uit. Beide cao’s wijken dus in dat opzicht af van de limitatieve gelijkstelling van artikel 8, eerste lid, van de Waadi (cursivering MK).”5 De regering gaat er daar dus van uit dat eindejaarsuitkeringen, scholingsbijdragen, (vaste) eenmalige uitkeringen en bovenwettelijke uitkeringen wel onder ‘loon en overige vergoedingen’ in art. 8 lid 1 Waadi vallen. Hoewel eerdere uitingen van de wetgever op een enge interpretatie van ‘loon en overige vergoedingen’ duidden, kan sinds de toelichting op de WAB ervan uitgegaan worden dat de wetgever ‘loon en overige vergoedingen’ in art. 8 lid 1 Waadi ruim opvat.
Desalniettemin wordt ook na invoering van de WAB in de rechtspraak vaak nog steeds geen ruime interpretatie gehanteerd.