Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/1.2.2:1.2.2 Aanscherping van de strafwetgeving
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/1.2.2
1.2.2 Aanscherping van de strafwetgeving
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200833:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er zijn ook ontwikkelingen te noemen die duiden op meer repressie en een hardere aanpak van criminaliteit door overheid en strafrecht. Er zijn verruimde opsporingsbevoegdheden voor politie en justitie gekomen, waaronder afluisteren en opnemen van gesprekken in woningen, meer bevoegdheden voor controle op voertuigen en ruimere koppelingsmogelijkheden van databestanden. Ook is een algemene identificatieplicht ingevoerd en werden fouilleermogelijkheden voor de politie verruimd. Er kwamen meerdere gevangenen op één cel. Het strafrecht zelf veranderde ingrijpend. De voorlopige hechtenis werd uitgebreid, er kwamen verruimde en nieuwe strafbaarstellingen (zoals die van allerlei vormen van mensenhandel) en hogere strafmaxima (bij recidive). Er kwamen bevoegdheden bij in het bestuursrecht die eerder onder het strafrecht vielen. Ook is in het parlement een wetsvoorstel behandeld – maar uiteindelijk afgewezen – ter invoering van minimumstraffen (De Roos, 2000; Terpstra, 2010; Kelk, 2013; Van der Woude, 2015).
Het sterk op de persoon van de dader georiënteerde strafrecht onderging volgens Kelk ‘een sterke verzakelijking’, waardoor het accent weer meer op vergelding kwam te liggen. Zo is het jeugdstrafrecht volgens hem in de jaren 1990 ‘aanzienlijk verhard’ (Kelk, 2013: 43), onder andere vanwege de verhoging van de specifieke jeugddetentie van maximaal 6 maanden naar in sommige gevallen twee jaar. In 1994 werd de in de jaren 1980 opgekomen ‘voorzorgslogica’ (Terpstra, 2010: 34) duidelijk zichtbaar in de strafwetgeving toen, vanwege het belang van de strijd tegen georganiseerde criminaliteit, naast de strafbare poging ook voorbereidingshandelingen voor ernstige delicten in het gehele strafrecht strafbaar werden gesteld (De Roos, 2000: 26). De in 2004 ingevoerde ISD-maatregel (Inrichting Stelselmatige Daders) van maximaal twee jaar, is bedoeld voor de aanpak van (meerderjarige) zeer actieve veelplegers en ‘strekt tot beveiliging van de samenleving en de beëindiging van verdachtes recidive’ (Kelk, 2013: 547-548). Een andere grote ontwikkeling in de richting van een hardere aanpak in de wetgeving vormt de invoering van de Wet terroristische misdrijven in 2004 (na de aanslagen van 11 september 2001 in de VS). Ook deze wet bevatte veel nieuwe strafbaarstellingen en wordt door Kelk (2013: 45) expliciet als uitdrukking van het hedendaagse ‘veiligheidsdenken’ beschouwd:
‘Intussen heeft de bezorgdheid over de onveiligheid van de samenleving, vooral als gevolg van criminaliteit, het steeds meer gewonnen van aandacht voor de daders van strafbare feiten en heeft het veiligheidsdenken ook in het strafrecht een dominante plaats ingenomen. (…) Derhalve worden vele maatregelen uit naam van een veilige samenleving gepropageerd of verdedigd zonder dat men zich afvraagt of niet veeleer van averechtse effecten sprake zal kunnen zijn. Het lijkt erop dat in de samenleving een enorm sterk geloof in het strafrecht is ontstaan. Men ziet het maar al te gauw als een systeem dat borg staat voor effectieve sociale controle.’
Nadat het principe van strafrecht als ultimum remedium gedurende tientallen jaren leidend geweest is voor het Nederlandse strafrecht, zou onder de huidige maatschappelijke en politieke omstandigheden dit beginsel minder sterk leven (Cleiren & Hol, 2013: 48). Volgens Kelk lijkt het zelfs alsof verdachten en daders tegenwoordig minder aanspraak maken op rechtsbescherming en mildheid van het recht, en op meer vergelding kunnen rekenen (Kelk, 2013: 46). Volgens hem onderging niet alleen het strafrecht belangrijke wijzigingen in deze richting, ook de ontwikkelingen op het gebied van de strafvordering zouden dit laten zien. Het strafprocesrecht werd op tal van punten gewijzigd ter stroomlijning van het strafproces, om daarmee, in de ogen van Kelk zoveel mogelijk te voorkomen dat de verdachte ‘door middel van te vergaande rechtswaarborgen het tegen hem gevoerde proces kan stagneren’ (2013: 43). De vraag is of ook de nog lopende modernisering van het Wetboek van Strafvordering in dit verband gezien moet worden.