Personentoetsingen in de financiële sector
Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/1.6:1.6 Centrale vraagstelling
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/1.6
1.6 Centrale vraagstelling
Documentgegevens:
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268500:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit proefschrift staat de volgende vraag centraal:
Welke juridische knelpunten liggen er besloten in het systeem van personentoetsingen in de Nederlandse financiële sector, bezien vanuit zowel de Nederlandse als de Europese juridisch kaders, en welke aanbevelingen volgen uit deze analyse voor de Nederlandse en Europese wetgevers en toezichthouders?
Met de term “systeem van personentoetsingen” wordt gedoeld op het samenstel van de aan te toetsen personen gestelde wettelijke eisen (beoordelingscriteria), de verplichting van financiële instellingen om te beschikken over personen die aan deze eisen voldoen (instellingentoets), en de wijze waarop de externe toezichthouders toezien op de naleving van deze verplichting (toezichthoudertoets).
Onder “juridische knelpunten” wordt verstaan: punten waarop het systeem van personentoetsingen op gespannen voet staat of zou kunnen staan met algemeen erkende rechtsprincipes zoals rechtszekerheid, rechtsgelijkheid, effectieve rechtsbescherming, het beginsel van een gelijk speelveld binnen de Europese Unie en met uitgangspunten voor toezicht en regelgeving zoals effectiviteit en proportionaliteit.
De aanbevelingen zien steeds op de vraag hoe het achterliggende doel van de toetsingen, namelijk het bijdragen aan de integriteit en de financiële soliditeit van financiële instellingen en aan de stabiliteit van het stelsel, kan worden bereikt terwijl recht wordt gedaan aan de genoemde uitgangspunten en rechtsprincipes.
Uit de centrale vraagstelling kunnen verschillende deelvragen worden afgeleid, waarvan de volgende in dit onderzoek worden beantwoord:
Hoe luidt de wet- en regelgeving op het gebied van personentoetsingen in de Nederlandse financiële sector?
Welke juridische knelpunten liggen besloten in de Nederlandse wet- en regelgeving op het gebied van personentoetsingen, en welke aanbevelingen volgen hieruit?
Hoe luidt de Europese regelgeving op het gebied van personentoetsingen in de financiële sector?
Welke verschillen bestaan er tussen de Nederlandse en de Europese juridische kaders, in hoeverre leiden deze verschillen tot juridische knelpunten en welke aanbevelingen volgen hieruit?
In hoeverre is er in de Europese regelgeving sprake van cross- sectorale harmonisatie van het systeem van personentoetsingen? In hoeverre leidt een gebrek aan cross-sectorale harmonisatie tot juridische knelpunten en welke aanbevelingen volgen hieruit?
In hoeverre wijkt de Nederlandse tweede echelon-regeling af van de Europese juridische kaders voor het toetsen van hoger management en houders van interne controlefuncties? In hoeverre leiden deze afwijkingen tot juridische knelpunten? In hoeverre is de Nederlandse en Europese regelgeving op het gebied van tweede echelon-toetsingen cross-sectoraal geharmoniseerd? Welke aanbevelingen volgen uit deze analyses?
In hoeverre biedt de Nederlandse wet- en regelgeving een juridische grondslag om klimaat-gerelateerde risico’s te betrekken bij de geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsingen in de Nederlandse financiële sector? In hoeverre wijken de Nederlandse kaders op dit punt af van de Europese kaders, en welke aanbevelingen volgen hieruit voor de (Europese) wetgevers en toezichthouders?
Hoe verhoudt de Nederlandse en Europese regelgeving ter bevordering van diversiteit in de financiële sector zich tot de geschiktheidstoetsingen? Maakt het aspect diversiteit (in het bestuur of de RvC als collectief) onderdeel uit van de geschiktheidstoets? Werpen de geschiktheidseisen een drempel op voor de beoogde diversiteit in de besturen en RvC’s van banken? Welke aanbevelingen volgen uit dit onderzoek?
Welke rechtswaarborgen en rechtsbeschermingsmogelijkheden bestaan er bij toetsingsonderzoeken en toetsingsbesluiten van DNB en de AFM (“Nederlandse toetsingen”)? In hoeverre wijken deze waarborgen en rechtsbeschermingsmogelijkheden af van “Europese” toetsingen, waarbij de besluitvorming plaatsvindt door de ECB? In hoeverre kan de rechtspositie van een “teruggetrokken” bestuurder worden versterkt? Welke aanbevelingen volgen hieruit?
In hoeverre is er sprake van samenloop tussen de regelgeving op het gebied van personentoetsingen en het Nederlands bancair tuchtrecht, en in hoeverre leidt dit tot juridische knelpunten? Welke aanbevelingen volgen hieruit?