Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/3.5.0
3.5.0 Introductie
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS398520:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover hierna in hoofdstuk 6, paragraaf 6.3.
Mayrhofer 1969a, p. 199, voetnoot 13. Zie ook Brinkmann 2011, p. 216. Zie met betrekking tot het zgn. Konzernvorbehalt ook BT-Drucks. 12/3803, p. 77.
Zie hiervoor in hoofdstuk 2, paragraaf 2.11.
Vgl. Reinicke & Tiedtke 2009, p. 506-507. Zie ook Rummel/Spielbüchler 2000, §§ 357-360 ABGB, Rn. 11die opmerkt dat de verkoper bij een verbreed eigendomsvoorbehoud een zaak voorbehoudt ‘die nach dem Zug-um-Zug-Prinzip bereit dem Schuldner gebührt.’
Zie hiervoor in paragraaf 3.4.1.
H.Koziol in diens noot onder OGH 10 januari 1968, JBl. 1969, p. 393-394, Frotz 1970, p. 213, Klang/ Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 465-467 en p. 677-680, Rummel/Spielbüchler 2000, §§ 357-360 ABGB, Rn. 6 en Rn. 11 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 26. Vgl. ook Mayrhofer 1969a, p. 197-202. Zie uit de rechtspraak OGH 4 april 1973, zaaknr. 1Ob40/73.
Zie bijv. Bülow 2012, p. 557-562, Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 149 e.v., Uhlenbruck/ Brinkmann 2015, § 47 InsO, Rn. 35 en MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 75. Zie uit de rechtspraak bijv. BGH 20 mei 1958, NJW 1958, 1231, BGH 15 juni 1964, NJW 1964, 1788 en BGH 23 november 1977, NJW 1978, 632. Volgens laatstgenoemde uitspraak kan een eigendomsvoorbehoud slechts dan niet worden bedongen, ‘wo seine Ausdehnung auf andere Forderungen als die ursprüngliche Kaufpreisforderung dem Sinn eines Kaufvertrags so sehr widerspricht, daû der Eigentumsvorbehalt als Sicherungsmittel einen Miûbrauch der Vertragsfreiheit beinhalten würde.’
Zie uit de rechtspraak o.m. OLG Frankfurt 11 september 1980, NJW 1981, 130, OLG Koblenz 14 april 1989, NJW-RR 1989, 1459 en LG Braunschweig 27 januari 1981, ZIP 1981, 876. Onbeslist: BGH 27 september 2000, NJW 2001, 292. Zie voor wat betreft de literatuur H.-G. Graf Lambsdorff & U. Hübner, Eigentumsvorbehalt und AGB-Gesetz, Köln: RWS 1982, Rn. 90, M. Wolf, N. Horn & W.F. Lindacher, AGB- Gesetz, München: Beck 1999, § 9 AGBG, Rn. E 33, Erman/Roloff 2011, § 307 BGB, Rn. 111, Staudinger/ Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 152, Uhlenbruck/Brinkmann 2015, § 47 InsO, Rn. 35 en F. Graf von Westphalen & G. Thüsing, Vertragsrecht und AGB-Klauselwerke, München: C.H. Beck 2016, Eigentumsvorbehaltsssicherung, Rn. 62 e.v. Zie voor het Nederlandse recht art. 7:89 lid 1 BW, dat in verhouding tot consumenten van dwingend recht is (art. 7:97 BW).
BGB-RGRK/Mezger 1978, § 455 BGB, Rn. 16, Soergel/Henssler 2002, Anh. zu § 929 BGB, Rn. 154, Bülow 2012, p. 560, Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 154 en MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 77. Zie ook Brinkmann 2011, p. 214-219. Zie uit de rechtspraak BGH 14 februari 1968, NJW 1968, 885.
Zie hierna in paragraaf 3.5.2.2.
Zie hierna in hoofdstuk 6, paragraaf 6.3.3.
Tiedtke 2000, p. 829-848.
Zie voor die overweging hiervoor in voetnoot 144.
Tiedtke 2000, p. 832. Zie ook Brinkmann 2011, p. 215: ‘Die besonderen Bedenken beruhen nach hier vertretener Auffassung darauf, dass der erweiterte Eigentumsvorbehalt zwar konstruktiv an den einfachen Eigentumsvorbehalt anknüpft, mit diesem in funktionaler Hinsicht jedoch kaum etwas gemein hat.’
Larenz 1986, p. 126-127. Zie reeds Rühl 1930, p. 79. Zie m.b.t. het Konzernvorbehalt ook BT-Drucks. 12/ 3803, p. 78. Vgl. ook H. Lehmann, Reform der Kreditsicherung an Fahrnis und Forderungen, Stuttgart: Kohlhammer 1937, p. 58: ‘Bei der rechtlichen Neuordnung wird man (…) der im Kontokorrentvorbehalt gelegen miûbräuchlichen Übersteigerung der Sicherung richtiger die Anerkennung versagen.’ Zo ook Flume 1950, p. 849.
Voor het Duitse recht geldt dat in mindere mate. Het Duitse recht beschouwt de koopovereenkomst namelijk na betaling van de koopprijs als afgewikkeld en beschouwt de voorbehouden eigendom vanaf dat moment als zekerheidseigendom (zie daarover hierna in hoofdstuk 6, paragraaf 6.5.2, alwaar ook wordt uiteengezet dat deze route voor het Nederlandse recht niet begaanbaar is). In die benadering ligt het niet voor de hand het verbreed eigendomsvoorbehoud ontoelaatbaar te achten, omdat bij de ‘gewone’ zekerheidseigendom ook geen enkele samenhang is vereist tussen de tot zekerheid overgedragen zaak en de gesecureerde vordering. Vgl. Bülow 2012, p. 558-559 en Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 150. Zie evenwel ook MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 76.
Spielbüchler 1968, p. 590
Zie Mayrhofer 1969a, p. 199, voetnoot 14: ‘Das Kaufverhältnis würde künstlich in Schwebe gehalten.’
Zie uitgebreider hoofdstuk 6, paragraaf 6.5.1 en hiervoor in hoofdstuk 2, paragraaf 2.11.
OLG Koblenz 14 april 1989, NJW-RR 1989, 1459.
De hiervoor genoemde argumenten ter rechtvaardiging van het eenvoudig eigendomsvoorbehoud, gelden niet meer indien sprake is van een verbreed eigendomsvoorbehoud. Indien de verkoper zijn eigendom ook voorbehoudt voor andere vorderingen dan de directe tegenprestatie, verwerft de koper de zaak ook nog niet als hij de koopprijs reeds volledig heeft voldaan. Denkbaar is zelfs dat een zogenoemd kredieteigendomsvoorbehoud is overeengekomen, waardoor de koper de zaak zelfs niet verkrijgt indien hij op een bepaald moment niets meer verschuldigd is, omdat in de toekomst nog nieuwe vorderingen kunnen ontstaan.1
Daarmee wordt de neutraliteit die inherent is aan het eenvoudig eigendomsvoorbehoud doorbroken. De vermindering van het verhaalsvermogen van de koper die plaatsvindt doordat hij de koopprijs voldoet, wordt bij het eenvoudig eigendomsvoorbehoud geneutraliseerd door de toename van het actief door de eigendomsverkrijging. Voor het verbreed eigendomsvoorbehoud geldt dat niet: ook als de koper de koopprijs reeds volledig heeft voldaan, verkrijgt hij de eigendom van de verkochte zaak vooralsnog niet. Terwijl het eenvoudig eigendomsvoorbehoud aldus de overige schuldeisers geen verhaalsmogelijkheden ontneemt, is dat bij het verbreed eigendomsvoorbehoud wel het geval, omdat de gewoonlijk met betaling van de koopprijs plaatsvindende eigendomsverkrijging wordt uitgesteld. Treffend wordt dit bezwaar verwoord door Mayrhofer:
‘Auch entgeht durch eine solche Erweiterung über den Zeitpunkt der Kaufpreiszahlung hinaus den (ungesicherten) Gläubigern des Käufers der Zugang eines Vermögenswerters, für den dieser den Gegenwert (Kaufpreis) bereits entrichtet hat. Dieser Vermögenswert bleibt für einen einzelnen Gläubiger (den Verkäufer) besonders reserviert.’ 2
Dit is het gevolg van het feit dat de verbreding van het eigendomsvoorbehoud leidt tot een enigszins kunstmatige uitbreiding van de wederkerigheidsband.3 Door het eigendomsvoorbehoud ook overeen te komen met betrekking tot andere vorderingen dan de koopprijs, roepen partijen een wederkerigheidsband in het leven tussen verbintenissen die normaliter niet tegenover elkaar staan, namelijk de verbintenis tot eigendomsoverdracht van de verkoper tegenover de verbintenis tot betaling van de koopprijs en de overige betalingsverbintenissen. Het is aldus deze ruime wederkerigheidsband die de neutraliteit van het eigendomsvoorbehoud doorbreekt.
De voorrangspositie die het verbreed eigendomsvoorbehoud tot gevolg heeft laat zich daarmee niet goed rechtvaardigen. De verbreding leidt tot een overstrekking van de doelstelling van het eigendomsvoorbehoud, die gelegen is in de handhaving van de wederkerigheid ondanks het feit dat de verkoper de zaak reeds levert. Strikt genomen vervult het eigendomsvoorbehoud ook deze doelstelling na de verbreding, maar uitsluitend omdat partijen een ruimere invulling van het begrip ‘wederkerigheid’ zijn overeengekomen, door daaronder ook de overige vorderingen te begrijpen. Daarmee wijkt de koopovereenkomst met een verbreed eigendomsvoorbehoud af van het normaaltype koopovereenkomst. Voor het eenvoudig eigendomsvoorbehoud geldt dat niet. Dat fungeert namelijk juist binnen een normale koopovereenkomst als instrument om het uitgangspunt van ‘gelijk oversteken’ te handhaven, ondanks het feit dat de verkoper de zaak reeds levert en de koper uitstel van betaling verleent. Het eenvoudig eigendomsvoorbehoud waarborgt daarmee dat de verkoper niet in een slechtere positie verkeert dan het geval zou zijn indien de koper de koopprijs gelijktijdig met de aflevering zou voldoen. Het verbreed eigendomsvoorbehoud gaat verder, omdat het niet slechts waarborgt dat de verkoper niet slechter af is dan bij gelijktijdige uitwisseling van de tegenover elkaar staande prestaties, maar daarenboven dat de verkoper een betere positie heeft dan volgens het wettelijk uitgangspunt van ‘gelijk oversteken’ het geval zou zijn.4
Vanwege de hiervoor genoemde redenen kan het eigendomsvoorbehoud naar Oostenrijks recht niet tot andere vorderingen worden verbreed. Zoals hiervoor aan de orde kwam, wordt het eenvoudig eigendomsvoorbehoud in Oostenrijk gerechtvaardigd door het feit dat het beding het uitgangspunt van ‘gelijk oversteken’ benadrukt en aldus geen vermogensbestanddeel onttrekt aan het verhaal van de overige schuldeisers.5 Dat geldt niet voor het verbreed eigendomsvoorbehoud. Zodra de koopprijs door de koper volledig is voldaan, zou de handhaving van het eigendomsvoorbehoud leiden tot een vermindering van de verhaalsmogelijkheid voor de overige schuldeisers.6 Daaraan stelt het Oostenrijkse recht nadere publiciteitseisen – het uit de macht van de koper brengen van de verkochte zaak – waaraan het verbreed eigendomsvoorbehoud niet voldoet.
Ook in de Duitse literatuur bestaan gewichtige bezwaren tegen het verbreed eigendomsvoorbehoud. Desalniettemin wordt een verbreding van het eigendomsvoorbehoud tot andere vorderingen in de rechtspraak en door de heersende leer in beginsel geaccepteerd.7 Bezwaren bestaan tegen deze figuur, omdat de verbreding tot gevolg heeft dat de verkoper ook eigenaar blijft van de verkochte zaak, indien de koopprijs allang is betaald. Dat wordt problematisch geacht, omdat de eigendomsverkrijging van de koper daardoor tot ver in de toekomst kan worden uitgesteld.8 Bovendien leidt het bedingen van het eigendomsvoorbehoud voor allerhande vorderingen volgens sommigen tot een ‘Verschwommenheit der Eigentumsverhältnisse.’9 Daarbij dient bedacht te worden dat het Duitse recht, anders dan het Nederlandse recht met artikel 3:92 lid 2 BW, geen nadere eisen stelt aan het type vordering, waarvoor het eigendomsvoorbehoud kan worden bedongen. De enige wettelijke beperking van het verbreed eigendomsvoorbehoud is neergelegd in § 449(3) BGB, op grond waarvan het eigendomsvoorbehoud niet kan worden bedongen voor vorderingen van derden, in het bijzonder een tot het concern van de verkoper behorende onderneming in de zin van § 15 AktG. Daarnaast worden in de rechtspraak nadere beperkingen gesteld aan het bedingen van een verbreed eigendomsvoorbehoud.
In de eerste plaats wordt een verbreed eigendomsvoorbehoud ongeldig geacht op grond van § 307 BGB, indien het in niet-handelsrelaties in algemene voorwaarden wordt bedongen.10 Een verbreding van het eigendomsvoorbehoud is derhalve slechts rechtsgeldig indien het niet in algemene voorwaarden is overeengekomen of indien het tussen koopmannen wordt overeengekomen. Als tweede beperking wordt in de literatuur bepleit dat bij de beantwoording van de vraag voor welke vorderingen het verbreed eigendomsvoorbehoud is bedongen, een restrictieve maatstaf moet worden aangelegd, hetgeen ook in de rechtspraak tot uitdrukking lijkt te komen.11 Bovendien lijkt een zekere samenhang met de koopovereenkomst te worden geëist.12 In de derde plaats wordt in de rechtspraak en literatuur als nadere beperking aangenomen dat de koper in ieder geval eigenaar wordt indien hij op een zeker moment alle op dat moment verschuldigde vorderingen voldoet, waarbij onverschillig is dat in de toekomst nieuwe vorderingen kunnen ontstaan, waarvoor het eigendomsvoorbehoud ook is bedongen.13
Een minderheid in de Duitse literatuur meent dat het verbreed eigendomsvoorbehoud in het geheel niet toelaatbaar is. Daarbij wordt in het bijzonder toegespitst op het zogenoemde Kontokorrentvorbehalt, op grond waarvan de eigendom wordt voorbehouden voor alle bestaande en toekomstige vorderingen die de rechtsverhouding tussen de verkoper en de koper voortvloeien. Dit standpunt is het meest uitvoerig onderbouwd door Tiedtke.14 Hij keert zich tegen de overweging van het BGH dat het verbreed eigendomsvoorbehoud geldig kan worden overeengekomen, tenzij de verbreding tot andere vorderingen zozeer in strijd komt met de aard van de koopovereenkomst, dat sprake is van misbruik van de partijautonomie.15 Volgens Tiedtke komt een verbreding van het eigendomsvoorbehoud namelijk per definitie in strijd met de aard van de koopovereenkomst. Het eigendomsvoorbehoud strekt ertoe de verkoper te beschermen tegen de gevaren die ontstaan doordat hij als eerste presteert. Het beding biedt, aldus nog steeds Tiedtke, de verkoper de mogelijkheid zich tegen deze gevaren in te dekken door de eigendom pas te laten overgaan op het moment dat de koper de tegenprestatie voldoet, omdat aldus het uitgangspunt van ‘gelijk oversteken’ wordt gehandhaafd. De verbreding van het eigendomsvoorbehoud verdraagt zich volgens hem niet met dit uitgangspunt, omdat het niet de doelstelling van het eigendomsvoorbehoud is de verkoper een additionele zekerheid voor geheel andere vorderingen te verschaffen. De verkoper gebruikt het eigendomsvoorbehoud dan op een oneigenlijke manier: ‘er erschleicht sich eine zusätzliche Sicherung, die zu Lasten des Käufers und seiner ungesicherten Gläubiger geht und mit dem Abschluû des Kaufvertrages, der zur Vereinbarung dieses Vorbehalts geführt hat, nichts zu tun hat.’16 Een vergelijkbaar standpunt wordt ingenomen door Larenz en Rühl. Volgens hen leidt de verbreding tot andere vordering tot een ‘Entartung des Instituts des Eigentumsvorbehalts’, omdat de voor het beding zo wezenlijke ‘innere Zusammenhang zwischen Sicherungsmittel und zu sichernder Forderung’ wordt losgelaten.17 Daarmee wordt de zaak ingezet voor zekerheidsdoeleinden die niets met de koopovereenkomst te maken hebben.
Voor het Nederlandse recht overtuigen deze argumenten.18 De verbreding leidt tot een benadeling van de overige schuldeisers van de koper en druist daarmee in tegen de neutraliteit van het eigendomsvoorbehoud. 19 De verbreding leidt tot een ‘Entartung’ van het eigendomsvoorbehoud, omdat een wederkerigheidsband in het leven wordt geroepen door tegenover de verplichting tot eigendomsverschaffing niet alleen de verplichting tot betaling van de koopprijs te beschouwen, maar ook andere verplichtingen. Aldus wordt de koopovereenkomst kunstmatig in leven gehouden teneinde de verkoper de mogelijkheid te geven bij de afwikkeling van de koopovereenkomst zijn ongedaanmakingsverbintenis te verrekenen met de overige vorderingen.20 Deze ontaarding van de koopovereenkomst blijkt bovendien uit het feit dat de verkoper de koopovereenkomst die in feite door de koper volledig is nagekomen, noodzakelijkerwijs moet ontbinden om te kunnen profiteren van de voordelen van het verbreed eigendomsvoorbehoud.21 De uitoefening van het verbreed eigendomsvoorbehoud kan daarmee tot gevolg hebben dat een koopovereenkomst die reeds lange tijd geleden tot stand is gekomen moet worden ongedaan gemaakt. Dat alles verdraagt zich moeilijk met het ruilkarakter van de koopovereenkomst:
‘Da die Klausel somit einen erweiterten Eigentumsvorbehalt enthält, widerspricht sie der gesetzlichen Regelung des § 433 I BGB [vgl. 7:9 lid 1 BW; toevoeging EFV], die dem Verkäufer als Hauptpflicht die Verpflichtung auferlegt, dem Käufer das Eigentum an der verkauften Sache zu verschaffen. Mit der Verzögerung der Eigentumsübertragung bis zur Bezahlung aller bestehenden Forderungen, also auch solcher aus anderen Kaufverträgen, gefährdet die Klausel den Austauschzweck eines Kaufvertrages als wesentlichen Vertragszweck.’22
Gelet op de hiervoor genoemde argumenten, wordt een verbreding van het eigen- domsvoorbehoud terecht kritisch benaderd in het Oostenrijkse en het Duitse recht. Het voorgaande neemt echter niet weg dat een dergelijke verbreding naar Nederlands recht zonder meer toelaatbaar is met betrekking tot vorderingen die zijn omschreven in artikel 3:92 lid 2 BW. In het navolgende zal blijken dat daarvoor, ondanks de genoemde bezwaren, uiteindelijk toch een overtuigende rechtvaardiging bestaat in geval van doorlopende handelsrelaties.