Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/4.4.2:4.4.2 Privatisering overheidsbedrijven
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/4.4.2
4.4.2 Privatisering overheidsbedrijven
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630487:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook S.A. Stevens 2003, pagina 241-242.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het verleden zijn diverse overheidsbedrijven geprivatiseerd, waardoor ze geen gebruik meer konden maken van de toenmalige vrijstelling van artikel 2, lid 7 Wet Vpb 1969. Ook zijn diverse ondernemingen zoals N.V. Nederlands Inkoopcentrum en De Koninklijke Nederlandse Munt N.V. opgericht in het kader van een privatisering en sindsdien belastingplichting.1 In de privatiseringswetten was veelal opgenomen dat op de openingsbalans geen goodwill mocht worden geactiveerd. Thans is dit goodwillverbod opgenomen in artikel 33 Wet Vpb 1969.
In deze paragraaf beperk mij tot een bespreking van de privatisering van het Nederlands Inkoopcentrum (NIC), omdat die privatisering heeft geleid tot een belangrijk arrest van de Hoge Raad. De overige privatiseringen hebben geen nieuwe inzichten opgeleverd over het totaalwinstvraagstuk. In de loop van 1921 heeft de Overheid het Rijks Inkoop Bureau (RIB) opgericht. Dit bureau, een onzelfstandig onderdeel van het Ministerie van Financiën, had ten doel te komen tot een centrale inkoop van artikelen ten behoeve van het Rijk. De Rijksoverheid was verplicht de desbetreffende artikelen via het RIB te betrekken. In het definitieve regeerakkoord van het in 1986 aangetreden kabinet was opgenomen dat het RIB zou worden geprivatiseerd. De regering besloot eind 1987 tot oprichting van N.V. Nederlands Inkoopcentrum waarvan de aandelen voorshands volledig in handen van de Staat zouden zijn en welke N.V. de werkzaamheden van het RIB zou overnemen. De formele oprichting van N.V. Nederlands Inkoopcentrum vond plaats op 1 mei 1990.
Aangezien de aandelen in N.V. Nederlands Inkoopcentrum (NIC) werden gehouden door een publiekrechtelijke rechtspersoon, was sprake van een indirect overheidsbedrijf. Het werd echter als onwenselijk ervaren dat het gebruik kon maken van de vrijstelling voor indirecte overheidsbedrijven en daarom is wettelijk geregeld (artikel 2, lid 7, sub b Wet Vpb 1969) dat het NIC belastingplichtig is. In de privatiseringswet was bepaald dat voor de heffing van de vennootschapsbelasting geen goodwill mocht worden opgevoerd op de fiscale openingsbalans. Deze privatisering heeft interessante jurisprudentie opgeleverd. In HR 14 juli 2000, nr. 34 691, BNB 2001/46, kwamen de volgende rechtsvragen aan de orde:
Mogen de verliezen uit de periode voor de datum van verzelfstandiging bij de nieuwe rechtspersoon (N.V. Nederlands Inkoopcentrum) in aanmerking worden genomen?
Hebben de op de openingsbalans opgenomen 'voorzieningen' geheel dan wel ten minste ten dele het karakter van eigen vermogen/ingebracht informeel kapitaal en – indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord – dienen de 'voorzieningen' op de openingsbalans voor de contante waarde ervan te worden opgenomen in plaats van de nominale waarde.
Is het goodwillverbod aanvaardbaar?
De achtergrond van de eerste rechtsvraag was als volgt; in de RIB-periode (de periode tot 1 mei 1990) was sprake van een verliessituatie. Belanghebbende was van mening dat deze verliezen konden worden verrekend met de latere winsten van het NIC. Belanghebbende deed hierbij een beroep op het gelijkheidsbeginsel en op artikel 4, lid 1 NIC-Wet. In voornoemd artikel was bepaald dat de vermogensbestanddelen van RIB onder algemene titel door de Staat werden overgebracht naar NIC. Volgens belanghebbende dienden de verliezen als vermogensbestanddeel te worden beschouwd. De Hoge Raad was echter van mening dat deze verliezen niet konden overgaan, omdat geen sprake was van een vermogensrecht dat kan worden overgedragen. De Hoge Raad volgde de conclusie van A-G Van Kalmthout. Ik citeer de A-G:
‘Een aanspraak van een belastingplichtige op compensatie van verliezen uit andere boekjaren, als onderdeel van de berekening van het belastbare bedrag voor de vennootschapsbelasting, is niet een vermogensrecht dat vatbaar is voor overgang op, dan wel overdracht aan, een andere belastingplichtige. Dat het in sommige gevallen – bijvoorbeeld bij een fiscale eenheid of bij een juridische fusie – aan een belastingplichtige wordt toegestaan bij de bepaling van het voor hem geldende belastbare bedrag rekening te houden met de verliezen van een andere belastingplichtige, is iets anders en doet aan het voorgaande niet af.’
De overweging dat het verlies geen overdraagbaar vermogensrecht is, onderschrijf ik. Ik begrijp derhalve dat deze verliezen niet mochten worden gewaardeerd op de fiscale openingsbalans. In de betreffende procedure is echter ook door belanghebbende betoogd dat sprake was van een voorperiode en dat in deze periode de activiteiten van het RIB reeds voor haar rekening kwamen. Het of heeft geoordeeld dat er geen voorperiode was en dit feitelijke oordeel kon door de Hoge Raad niet meer op juistheid worden getoetst. Als er wel een voorperiode was geweest, dan zouden de baten en lasten die in deze voorperiode zijn opgekomen mijns inziens wel in aanmerking moeten worden genomen om tot een juiste totaalwinst te komen.
Ten aanzien van de tweede rechtsvraag heeft de Hoge Raad beslist dat geen sprake was van informeel kapitaal en de voorziening moest worden gewaardeerd tegen de werkelijke waarde. Deze problematiek heb ik reeds behandeld in paragraaf 2.6.3.2.2 en zal ik hier verder laten rusten.
Tot slot was in geschil of het goodwillverbod in strijd is met het non-discriminatieverbod. De Hoge Raad volgde hierin volledig de A-G die van mening is dat het goodwillverbod geoorloofd is. Er is rechtens noch feitelijk sprake van vergelijkbare situatie tussen het RIB die geen goodwill mag activeren en ondernemingen die belastingplichtig worden en dat wel mogen. Voor een nadere analyse verwijs ik naar paragraaf 3.5.