Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/392
392 Een adviserende say-on-pay over het remuneratierapport
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS369092:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
In het oorspronkelijke amendement was opgenomen dat de algemene vergadering voorafgaand aan de vaststelling van de jaarrekening een oordeel geeft over de wijze waarop het bezoldigingsbeleid in het afgelopen boekjaar in praktijk is gebracht. Kamerstukken II, 2012/13, 32 512, nr. 20.
Art. 9b lid 4 Richtlijn (EU) 2017/828. Het gaat om een stemrecht waarmee de algemene vergadering kan aangeven in hoeverre zij het eens is met de wijze waarop toepassing is gegeven aan het bezoldigingsbeleid. Het remuneratierapport wordt dus niet ‘vastgesteld’.
Art. 9b lid 4 Richtlijn (EU) 2017/828. Uit overweging 31 volgt dat deze verplichting alleen geldt wanneer de aandeelhouders tegen het bezoldigingsverslag stemmen.
Met dien verstande dat Nederland voor kleine en middelgrote ondernemingen als gedefinieerd in artikel 3, leden 2 en 3, van Richtlijn 2013/34/EU de bepaling kan handhaven dat het remuneratierapport voor het meest recente boekjaar als afzonderlijk agendapunt ter bespreking wordt voorgelegd op de algemene vergadering. In dat geval legt de vennootschap in het volgende remuneratierapport uit hoe rekening is gehouden met de bespreking op de algemene vergadering.
Nederland kent op grond van art. 2:135 lid 5a BW de verplichting voor beursgenoteerde vennootschappen om, voorafgaand aan de vaststelling van de jaarrekening, de opgaven zoals bedoeld in de artt. 2:383c-e BW gezamenlijk als afzonderlijk onderwerp op de agenda van de algemene vergadering te zetten. De wijze waarop het bezoldigingsbeleid is toegepast wordt dus jaarlijkse verplicht besproken in de algemene vergadering aan de hand van de verschillende toegekende bedragen. Met de invoering van deze regeling werd voornamelijk getracht te voorkomen dat door de AVA wordt geweigerd de jaarrekening vast te stellen of decharge te verlenen vanwege een onvrede over de bezoldiging van bestuurders. Het verplicht bespreken van de wijze waarop het bezoldigingsbeleid uitwerkt in de praktijk moet de dialoog tussen aandeelhouders en de top van de onderneming bevorderen. Een stemming over de toepassing van het bezoldigingsbeleid, en eventuele consequenties bij een afwijzend oordeel, heeft de wetgever – in afwijking van het oorspronkelijke amendement – niet willen opnemen.1
Nederland wijkt met deze regeling af van de onderzochte landen. In het Verenigd Koninkrijk, bijvoorbeeld, wordt de AVA niet alleen de mogelijkheid geboden jaarlijks te stemmen over de uitvoering die is gegeven aan het bezoldigingsbeleid, maar is aan een negatieve stem de consequentie verbonden dat de AVA in de gelegenheid moet worden gesteld op de volgende algemene vergadering over het bezoldigingsbeleid te stemmen.
Door de herziene aandeelhoudersrechtenrichtlijn zal Nederland ook een jaarlijkse stemming over de toepassing van het bezoldigingsbeleid zoals opgenomen in het remuneratierapport moeten invoeren.2 Bij een afwijzende stem moet de vennootschap in het daaropvolgende remuneratierapport vervolgens uitleggen hoe er rekening is gehouden met de negatieve stemming van de aandeelhouders.3 Een aanpassing van art. 2:135 lid 5a BW is derhalve nodig.4