Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/2.2.1
2.2.1 Wet op het levensverzekeringbedrijf 1923
1
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950496:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van den 22sten December 1922, tot regeling van het Levensverzekeringbedrijf (Staatsblad 1922, 716) en Staatsblad 1923, 499.
Mooi beschreven in het Verslag der Verzekeringskamer over het jaar 1923, p. 3-4.
Boshuizen en Jager 2010, p. 9.
Sleutelaar 1927, p. 124-135.
Art. 1 juncto art. 2 Wet op het levensverzekeringbedrijf 1923. De wet verstond onder overeenkomsten van levensverzekering “de overeenkomsten tot het doen van geldelijke uitkeeringen, tegen genot van premie en in verband met het leven of den dood van den mensch (…)”. Onder het “levensverzekeringbedrijf” werd “het als bedrijf sluiten van overeenkomsten van levensverzekering, met inbegrip van het afwikkelen der in dat bedrijf gesloten overeenkomsten van levensverzekering (…)” verstaan. De wet had dus alleen betrekking op verzekeringen met uitkeringen in geld. De wetsartikelen over “overdracht door den verzekeraar van verbintenissen uit het levensverzekeringbedrijf” waren dus niet van toepassing op natura-uitvaartverzekeringen.
Idem in r.o. 6.4.3 van CBb 14 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1063, Nederlands Juristenblad 2022/250; Jurisprudentie Bestuursrecht 2022/37, m.nt. R.J.N. Schlössels; JOR 2022/64, m.nt. S.M.C. Nuijten; JIN 2022/78, m.nt. R.J.N. Schlössels; Pensioenrecht Updates 2022/66; Rechtspraak Financieel recht 2022/37; AB Rechtspraak Bestuursrecht 2022/204, m.nt. R. Stijnen; JONDR 2022/479; Ondernemingsrecht 2022/22, m.nt. mr. A.M.M. Menken (Polishouders Optas/DNB). Daarin staat vermeld: “DNB heeft onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 1921/22, 60, nrs. 3, 5 en 6) terecht betoogd dat de wetgever (toen in hoofdstuk III van de Regeling van het Levensverzekeringsbedrijf) heeft gekozen voor een bijzondere regeling waarbij de toestemming van voorheen de Verzekeringskamer en thans DNB voor een fusie of overdracht van een levensverzekeringsportefeuille die van de polishouders vervangt om fusie of overdracht te vergemakkelijken. (…)”.
Sleutelaar 1927, p. 128.
Sleutelaar 1927, p. 125-126.
Berckenhoff, Het Verzekerings-Archief 1926, p. 25-26: “Overdracht – Rechten der schuldeischers. Schuldeischer in den zin der wet is mede hij, die nu of in de toekomst rechten kan ontleenen aan een met den verzekeraar gesloten overeenkomst van levensverzekering. De schuldeischers spelen hoofdzakelijk een rol in de hoofdst. III en IV, waar hun het recht is gegeven tegen verschillende voorgenomen maatregelen bezwaren te doen kennen. Bij eventueele overdracht moeten hunne belangen zijn gewaarborgd, vandaar dat de wet deze overdracht niet gemakkelijk maakt. Onze wet kent geen overdracht van schulden zonder medewerking van den schuldeischer. Waar overdracht in het verzekeringsbedrijf een groote rol kan spelen, is een bijzondere regeling hoog noodig. Overdracht van verbintenissen uit levensverzekering kan slechts geschieden bij schriftelijke overeenkomst. Het ontwerp voor de overdracht moet goedgekeurd worden door de Verzekeringskamer en moet bij deze worden ingediend onder overlegging van alle stukken, die ter beoordeling dienstig zijn. Speciaal de balansen der betrokken ondernemingen over het laatste boekjaar moeten worden bijgevoegd. Geeft de Verzekeringskamer geen toestemming dan staat beroep open op de Kroon. De polishouders kunnen zich tegen overdracht verzetten. Vertegenwoordigen zij, die zich verzetten, meer dan 25% van het verzekerd kapitaal, dan gaat de overdracht niet door, ook niet voor de andere polissen. Komen er minder in verzet dan volgt overdracht voor allen, tenzij de Verzekeringskamer alsnog hare toestemming weigert. Dezelfde regeling geldt voor samensmelting van bedrijven.”
Boshuizen en Jager 2010, p. 232 en Boshuizen, Jager en Van Asch, in: Toezicht financiële markten, art. 3:112 Wft, aant. 6. Zie over de huidige regeling van de portefeuilleoverdracht in het Verenigd Koninkrijk hoofdstuk 9.3 van dit onderzoek. In hoofdstuk 9.3.5 ga ik kort in op de wetsgeschiedenis van de regeling in het Verenigd Koninkrijk.
Boshuizen en Jager 2010, p. 232.
Pabst 1889, p. 53-54; Boshuizen 2001, p. 261.
Pabst 1889, p. 53-54.
De historie hiervan werd ook kort samengevat in r.o. 6.4.4 van de uitspraak van het CBb van 14 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1063, Nederlands Juristenblad 2022/250; Jurisprudentie Bestuursrecht 2022/37, m.nt. R.J.N. Schlössels; JOR 2022/64, m.nt. S.M.C. Nuijten; JIN 2022/78, m.nt. R.J.N. Schlössels; Pensioenrecht Updates 2022/66; Rechtspraak Financieel recht 2022/37; AB Rechtspraak Bestuursrecht 2022/204, m.nt. R. Stijnen; JONDR 2022/479; Ondernemingsrecht 2022/22, m.nt. A.M.M. Menken (Polishouders Optas/DNB). In die rechtsoverweging staat: “Het oorspronkelijk wetsontwerp ging uit van uitdrukkelijke instemming van ten minste 75% van de polishouders, maar kritiek in de Tweede Kamer (die vreesde dat het verkrijgen van toestemming van de grote meerderheid van de polishouders de bij fusie vereiste voortvarendheid zou ondermijnen, zie Kamerstukken II 1921/22, 60, nr. 5) leidde tot introductie in artikel 37 van het gewijzigd wetsontwerp (Kamerstukken II 1921/22, 60, nr. 6) van de verzetprocedure: de verzekeraar informeert de polishouders over de voorgenomen overdracht en stelt een termijn om eventuele bezwaren in te brengen. (…)”. Ik bespreek deze uitspraak in hoofdstuk 6.6 van dit onderzoek.
Kamerstukken II 1921/22, 60, nr. 4, p. 49-50.
In 1923 trad de Wet op het levensverzekeringbedrijf gefaseerd2 in werking. Hiermee werd voor het eerst “algemeen toezicht”3 ingevoerd voor het levensverzekeringsbedrijf. Die wet bevatte een apart hoofdstuk4 over de overdracht van de levensverzekeringsportefeuille met de naam “Overdracht en samensmelting van ondernemingen”. Deze regeling in de Wet op het levensverzekeringbedrijf 1923 bevatte eigenlijk al alle kenmerken van de huidige regeling. Anders gezegd, in honderd jaar is de essentie van de wettelijke verankering van de overdracht van de levensverzekeringsportefeuille niet wezenlijk veranderd. De wet gold niet voor verzekeraars die zich tot prestaties in natura verplichtten.5
In deze wettelijke regeling uit 1923 zien we al:
dat de overdragende verzekeraar de toezichthouder (destijds: de Verzekeringskamer) om toestemming dient te verzoeken;
de toestemming van de toezichthouder die de medewerking van de polishouders vervangt;
de twee fasen met een “verklaring van aanvankelijk geen bezwaar” van de Verzekeringskamer in de eerste fase en daarna de fase waarin polishouders in verzet kunnen komen gevolgd door de definitieve “verklaring van geen bezwaar” van de toezichthouder;
de verplichting om de ontwerpovereenkomst aan de toezichthouder voor te leggen;
de verplichting voor de verzekeraar om met inachtneming van de door de Verzekeringskamer te geven voorschriften aan de betrokken polishouders kennis te geven van de voorgenomen overdracht. Alleen over een publicatie na het van kracht worden van de overdracht bepaalde de wet nog niets. De huidige artikelen 3:119 en 3:120 Wft bepalen dat de verzekeraar van zijn voornemen mededeling moet doen in de Staatscourant en op andere door DNB te bepalen wijze én dat hij van de overdracht mededeling moet doen in de Staatscourant.
het verzetrecht van polishouders waardoor indien polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer van het betrokken verzekerd kapitaal, zich binnen de gestelde termijn tegen de overdracht hebben verzet, de overdracht niet kan volgen, ook niet ten aanzien van hen die zich tegen de overdracht niet hebben verzet.
“Artikel 34:
Overdracht door den verzekeraar van verbintenissen uit het levensverzekeringbedrijf aan eene andere onderneming kan slechts geschieden bij schriftelijke overeenkomst. Daarbij worden de volgende voorschriften in acht genomen.
Artikel 35:
De verzekeraar, die al zijn verbintenissen uit het levensverzekeringbedrijf, of een deel daarvan, aan eene andere onderneming wenscht over te dragen, is verplicht, een ontwerp der daartoe strekkende overeenkomst, met alle daarbij behoorende toelichtende stukken, aan de Verzekeringskamer in te zenden. Bij de stukken moeten worden gevoegd de balansen over het laatst afgesloten boekjaar van beide ondernemingen, opgemaakt met inachtneming van eene wetenschappelijke waardeering der uit de loopende verzekeringen voortspruitende baten en lasten.
Artikel 36:
Indien de Verzekeringskamer aanvankelijk geene bezwaren heeft tegen het in het vorige artikel bedoelde ontwerp, geeft zij daarvan binnen negentig dagen na de ontvangst aan den verzekeraar kennis. Heeft zij wel bezwaren, dan doet zij den verzekeraar binnen gelijken termijn eene gemotiveerde uiteenzetting daarvan toekomen.
Acht de verzekeraar de bezwaren niet gegrond, dan kan hij binnen vijftig dagen of, wanneer de verzekeraar buiten Europa is gevestigd, binnen honderdtien dagen na de dagteekening dier uiteenzetting bij Ons in beroep komen, door middel van een gemotiveerd beroepschrift, waarvan een afschrift aan de Verzekeringskamer bij aangeteekenden brief wordt toegezonden. (…)
Artikel 37:
Indien de Verzekeringskamer tegen het ontwerp aanvankelijk geene bezwaren heeft, of indien door Ons is beslist, dat hare bezwaren ongegrond zijn, geeft de verzekeraar, met inachtneming der door de Verzekeringskamer te geven voorschriften, van de voorgenomen overdracht kennis aan de betrokken polishouders. Daarbij wordt mededeeling gedaan van een door de Verzekeringskamer vast te stellen termijn, binnen welken de betrokken polishouders zich bij de Verzekeringskamer schriftelijk tegen de overdracht kunnen verzetten.
Indien polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer van het betrokken verzekerd kapitaal, zich binnen den gestelden termijn tegen de overdracht hebben verzet, kan eene overdracht niet volgen, ook niet ten aanzien van hen die zich tegen de overdracht niet hebben verzet. De Verzekeringskamer doet daarvan mededeeling aan den verzekeraar.
Indien zich niet binnen den gestelden termijn polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer van het betrokken verzekerd kapitaal, tegen de overdracht hebben verzet en tegen de overdracht ook geen bezwaren bestaan van de zijde der Verzekeringskamer, geeft deze van een en ander aan den verzekeraar eene schriftelijke verklaring af. De overdracht kan dan volgen en is van kracht ten aanzien van alle belanghebbenden. (...)
Artikel 38:
Met overdracht van alle verbintenissen wordt gelijkgesteld samensmelting der onderneming met eene andere tot eene nieuwe onderneming. In dit geval moeten de bepalingen omtrent overdracht van het bedrijf door ieder der ondernemingen worden inachtgenomen.”
De toelichting op deze nieuwe regeling is summier. Het komt er in feite op neer dat de wetgever een wettelijke regeling waarbij (zoals toendertijd ook al opgenomen in het Burgerlijk Wetboek) alleen met medewerking van polishouders tot een overdracht van een verzekeringsportefeuille kon worden gekomen, te belemmerend achtte voor verzekeraars om tot overdrachten van verzekeringsportefeuilles te komen. Daarbij was de achterliggende visie dat de overnames vaak ook in het belang van polishouders van de overdragende verzekeraar zouden zijn. In de Memorie van Toelichting6 wordt dit als volgt verwoord:
“(…) Ons geldend recht maakt het hoogst moeilijk tot samensmelting of overdracht te geraken; het kent immers geene overname van schulden zonder medewerking van den schuldeischer. Eene bijzondere regeling is daarom noodzakelijk, aangezien vaak overdracht of samenvoeging van ondernemingen het aangewezen middel zal zijn om de belangen der verzekerden te behartigen. Deze hebben zeer weinig van de liquidatie der onderneming te verwachten, zelfs al is de onderneming op dat oogenblik nog solvent. Zij krijgen dan immers slechts de contante waarde hunner vorderingen uitgekeerd, en dit zal zelden beantwoorden aan het doel, waarmede zij de verzekering hebben gesloten. Aan den anderen kant is bij overdracht en samenvoeging van ondernemingen het gevaar voor verkorting der rechten van de verzekeringnemers geenszins denkbeeldig. De regeling van deze aangelegenheid zal dus enerzijds de strekking moeten hebben, het overdragen of samenvoegen van ondernemingen te vergemakkelijken, anderzijds waarborgen moeten inhouden, dat bij overdracht en samenvoeging met de belangen der verzekerden voldoende rekening worde gehouden. (…)”.
Kortom, er is voor deze bijzondere regeling waarbij de toestemming van de toezichthouder die van polishouders vervangt gekozen, om fusie of overdracht “te vergemakkelijken”.7
Anderzijds moest de regeling, volgens de woorden van de Memorie van Toelichting, ook “waarborgen” inhouden, zodat voldoende rekening werd gehouden met de belangen van de polishouders. Om de belangen van de polishouders te waarborgen, koos men enerzijds voor het verzetrecht en anderzijds voor een belangrijke rol van de Verzekeringskamer. Het verzetrecht van polishouders was dus al opgenomen in de Wet op het levensverzekeringbedrijf 1923. Het verzetrecht kwam ook toen al alleen toe aan de groep polishouders die men wenste over te dragen.8 Sleutelaar vermeldde dat het volkomen waar is dat ook de achterblijvende polishouders bij de overdracht belang hebben, omdat door de overdracht van activa hun waarborgen kunnen worden verminderd. Op hun belangen diende echter gelet te worden door de Verzekeringskamer. Ook toen was al de opvatting dat de toezichthouder bij de beoordeling van de overdracht niet alleen moest letten op de belangen van de verzekerden die zullen overgaan, maar ook op “die, welke bij de overdragende maatschappij achterblijven, en op die, welke tijdens de overdracht reeds bij de overnemende maatschappij verzekerd waren”.9
Dat een regeling voor de overdracht van portefeuilles met levensverzekeringen werd ingevoerd, werd als nuttig ervaren.10
Het idee voor het invoeren van een verzetrecht was ontleend aan de Engelse Life Assurance Companies Act van 1870.11 Overigens verschilde de regeling in de Engelse Life Assurance Companies Act van 1870 in enkele opzichten van de regeling die in ons land in 1923 werd ingevoerd:
omdat een toezichthoudende autoriteit ontbrak moest toestemming van de rechtbank worden verkregen;12
indien meer dan 10% van de polishouders (dat wil zeggen de polishouders, die samen meer dan 10% van het verzekerd bedrag vertegenwoordigden) in verzet kwam, dan kon de rechtbank geen goedkeuring geven;13
de polishouders van de betrokken maatschappijen moesten “volkomen” op de hoogte gebracht worden van alle voorwaarden waaronder men de overdracht plaats wilde laten vinden.14
Een korte opmerking dan ten slotte over het deel van de polishouders dat de overdracht zou kunnen blokkeren. In ons land werd gekozen voor een vierde van de polishouders.15 In het aanvankelijke ontwerp werd voorgesteld dat de Verzekeringskamer de overdracht pas kon goedkeuren na de toestemming van drie/vierde van de polishouders.16 Met name met het oog op zwak staande maatschappijen vonden veel Kamerleden dat het wetsontwerp de overdracht niet “voldoende vergemakkelijkt”.17 Een verzetrecht van één vierde leek vervolgens toch “praktischer” dan de toestemming van drie/vierde van de polishouders.18 Men vond het uitlegbaar dat niet voor de toestemming van een meerderheid werd gekozen, omdat “veilig mag worden aangenomen” dat de Verzekeringskamer goedkeuring zal onthouden indien polishouders in de toekomst nadeel zouden kunnen ondervinden.19 In Engeland werd voor een tiende van de polishouders gekozen. De conclusie kan dus alleen zijn dat achter het percentage niet echt een diepe gedachte zit.