Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/427
427 De kritiek op art. 2:135 lid 7 (oud) BW
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS364164:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Voor een uitvoerige bespreking van deze kritiek verwijs ik naar Lokin & Schild 2012. Zie ook de brief van VNO/NCW d.d. 2 september 2013 en de reactie op deze brief van de Minister, Kamerstukken I, 2013/14, E, p. 4.
Zo ook Assink, Kroeze & Verbrugh 2010, p. 1002. Lokin & Schild 2012.
Huizink e.a. 2016, p. 40.
Uit de reeds aangehaalde evaluatie volgt dat de betrokken bestuurders bij de vennootschap diep beledigd zouden zijn als gedacht zou worden dat zij gedreven zouden worden door eigen belang bij dit soort beslissingen. Huizink e.a. 2016, p. 40/41.
Daar komt bij dat de afroomregeling door bestuurders als onrechtvaardig wordt ervaren, aangezien de raad van commissarissen en de managementlaag onder het bestuur niet onder deze regeling vallen. Huizink e.a. 2016, p. 42.
Huizink e.a. 2016, p. 42.
Hierdoor is het bijvoorbeeld mogelijk dat aandelen die als onderdeel van een beloningspakket worden ontvangen, door de bestuurder worden verkocht, om bij wijze van spreken een dag later weer te worden teruggekocht, zodat zij niet langer onder de overnameklem vallen
De bestuurder van Roto Smeets Group ontsprong hierdoor de dans bij het bod van een aantal grootaandeelhouders op alle activa van een dochtervennootschap van Roto Smeets Group. Ondanks dat hier sprake was van een 2:107a-transactie, was art. 2:135 lid 7 BW niet van toepassing, aangezien de statutair bestuurder niet in aandelen werd beloond, maar in phantom stock. Hetzelfde speelde bij de overname van Corio door het Franse Klépierre.
Dit gold onder meer voor OCI, BE Semiconductor Industries, Pharming Group, Vastned Retal, Telegraaf Media Group en Batenburg. Zie Eumedion Evaluatie van het AVA seizoen 2014, p. 9 (te raadplegen op https://www.eumedion.nl/nl/public/kennisbank/avaevaluaties/2014-ava-evaluatie.pdf (laatst bezocht op 5 augustus 2017)) en Eumedion Evaluatie van het AVA seizoen 2015, p. 9 en 10 (te raadplegen op https://www.eumedion.nl/nl/public/kennisbank/ava-evaluaties/2015-ava-evaluatie.pdf (laatst bezocht op 5 augustus 2017)). Zie bijvoorbeeld “The Remuneration Committee has flexibility to settle PSP awards in cash rather than shares on change in control where it judges this to be appropriate.” Zie de 2014 Performance Share Plan Rules van OCI, p. 4 (te raadplegen op https://www.oci.nl/media/cms_page_media/75/OCI%20NV%20LTI%20Plan%20Factsheet.pdf (laatst bezocht op 5 augustus 2017)). De raden van commissarissen van OCI, Vastned Retail en TMG hadden, mede op uitdrukkelijk verzoek van aandeelhouders, besloten de afroomregeling vrijwillig van toepassing te verklaren.
Zie onder andere https://www.volkskrant.nl/economie/topman-de-omzeilt-bonuswetgevingen-strijkt-57-miljoen-op~a3478680/ (laatst bezocht op 5 augustus 2017).
Het doel van lid 7 (oud) was het zoveel mogelijk wegnemen van de prikkel tot oneigenlijke oordeelsvorming van bestuurders wegens een groot financieel belang in geval van overnames. Kamerstukken II, 2009/10, 32 512, nr. 3 (MvT), zie onder andere p. 21.
Met recht kan men zich afvragen welke rol het tegenstrijdig belang hier dient te spelen. Daarnaast wekte de werkwijze van Bennink de woede van aandeelhouders op. Kris Douma van pensioenuitvoerder MN, die namens een aantal grote beleggers het woord voerde op de bava waarop de overname werd voorgelegd aan de aandeelhouders, liet door de Volkskrant optekenen: “Er was al onvrede over de hoge beloning van Bennink, en die is hierdoor bepaald niet minder geworden. De enige manier om het tegen te houden, is door de hele overname weg te stemmen.” Tijdens de bava zou blijken dat beleggers niet zo ver wilden gaan, https://www.volkskrant.nl/economie/topman-deomzeilt-bonuswetgeving-en-strijkt-57-miljoen-op~a3478680/ (laatst bezocht op 5 augustus 2017).
https://nos.nl/artikel/494830-topman-pakt-10-mln-na-overname.html (laatst bezocht op 5 augustus 2017). In totaal wordt de door hem gerealiseerde persoonlijke winst vanwege de verkoop van aandelen DE Master Blenders nog een stuk hoger geschat.
Zie het krantenartikel in het FD: https://fd.nl/ondernemen/1083606/nieuwe-wet-kostbestuurders-nutreco-geld en het daarop gebaseerde artikel in de Volkskrant: https://www.volkskrant.nl/economie/overname-diervoederbedrijf-is-eerste-onder-antigraaiwet~a3804996/ (beide laatst bezocht op 5 augustus 2017). Zie eveneens Lokin 2015 waarin al werd aangestipt dat niet te vroeg gejuicht moest worden, aangezien het bestuur na de overname door SHV aan zou blijven en er zodoende voldoende mogelijkheden zouden zijn om de bestuurders alsnog te compenseren voor de misgelopen koerswinst.
De toekenning van de overnamebonus werd overigens slechts met een minieme meerderheid van 50,72% van de uitgebrachte stemmen aangenomen. Indien de aandelen van bieder SHV buiten beschouwing worden gelaten, kon de transactiebonus slechts op steun van 10,3% van het ter BAVA aanwezige ‘minderheidskapitaal’ rekenen. Eumedion Evaluatie van het AVA seizoen 2015, p. 9 (te raadplegen op https://www.eumedion.nl/nl/public/kennisbank/ava-evaluaties/2015-ava-evaluatie.pdf (laatst bezocht op 5 augustus 2017)).
Overigens kan men zich afvragen welke rol lid 7 (oud) bij de besluitvorming over deze overname gespeeld heeft. Het bestuurder stond hier immers voor een keuze: overgenomen en opgesplitst worden door Cargill en Permira of overgenomen worden door SHV zonder opsplitsing (en met behoud van de bestuursfunctie). Het lijkt mij dat de bestuurders bij afwezigheid van art. 2:135 lid 7 (oud) BW ook voor de laatste optie gekozen zouden hebben.
In de afgelopen jaren waren in totaal 57.023 aandelen voorwaardelijk toegekend aan de drie statutair bestuurders van Exact. Deze bestuurders zouden derhalve gezamenlijk ruim =C 191.000 verschuldigd zijn aan de vennootschap op grond van art. 2:135 lid 7 BW.
Zie onder andere https://fd.nl/ondernemen/1173531/topman-nxp-verdient-428-mln-bijovername (laatst bezocht op 5 augustus 2017).
Zie over die laatste prikkel ook Huizink e.a. 2016, p. 56.
Op art. 2:135 lid 7 (oud) BW is veel kritiek geuit. Deze kritiek was drieledig. Allereerst werd getwijfeld aan de rechtmatigheid van deze regeling in het licht van art. 1 Eerste Protocol van de Rechten van de Mens (hierna: ‘EP’). Toetsing van de regeling zoals vervat in art. 2:135 lid (oud) 7 BW aan art. 1 EP heeft uiteindelijk nooit plaatsgevonden.1
Ten tweede konden er vraagtekens worden gezet bij de noodzaak van deze regeling. Voor bestuurders van beursvennootschappen geldt al dat een persoonlijk financieel belang hen diskwalificeert voor deelname aan de besluitvorming.2 Een zuivere besluitvorming wordt dus al gewaarborgd door de algemene tegenstrijdigbelangregeling zoals opgenomen in art. 2:129 lid 6 BW. Men kan zich afvragen in hoeverre een tweede regeling ter bescherming van een zuivere besluitvorming nodig is, te meer nu uit de evaluatie van lid 7 (oud) volgt, dat de regeling geen invloed leek te hebben op de opstelling van bestuurders bij de besluitvorming over major corporate events. Deze laatste gedachte zou worden onderschreven door Eumedion, die stelt dat de afroomregeling meetbaar noch zichtbaar heeft bijgedragen aan de zuiverheid van de oordeelsvorming van het bestuur ten aanzien van de besluiten waarop in art. 2:135 lid 7 (oud) BW werd gedoeld.3 Eén van de redenen daarvoor is, dat in de bedoelde situaties de raad van commissarissen intern de regie over het besluitvormingsproces rond de transactie in meer of mindere mate overneemt van het bestuur, veelal in de vorm van een ‘special committee’. Hierdoor is de ruimte voor bestuurders beperkt om eigen (koers)overwegingen te laten meespelen in de besluitvorming. Ook kan worden getwijfeld aan de aanname over het gedrag van bestuurders die ten grondslag ligt aan de afroomregeling, namelijk dat bestuurders primair worden gedreven door hun persoonlijk financieel belang. Uit de evaluatie komt naar voren dat, indien het eigen belang van de bestuurders al een rol zou spelen, dit eerder gezocht zal moeten worden in de sfeer van carrièreperspectieven en persoonlijke reputatie. Er werden dan ook vraagtekens gesteld bij de aanwezigheid van het probleem dat de regeling probeerde op te lossen.4 De afroomregeling zou daarbij niet ongevaarlijk zijn, vanwege de verschillende neveneffecten die deze met zich bracht. Zo blijkt uit de evaluatie dat de spanning tussen de raad van commissarissen en de raad van bestuur door de regeling zou toenemen op een moment dat samenwerking juist van belang is.5 Ook werd gewezen op de spanning die zou worden veroorzaakt door de afroomregeling in de relatie tussen bestuurders en aandeelhouders, doordat het gevoel hetzelfde belang te hebben bij de transactie (de zogenaamde ’alignment’) minder werd: bestuurders zouden door de aandeelhouders aangewezen zijn om, na afweging van de verschillende relevante belangen, een goede prijs voor de aandelen te bewerkstelligen. De afroomregeling sloot dan ook niet aan op de internationale bedrijfsomgeving, waarin een aan koerswaarde gekoppelde beloningsstructuur vaak werd voorgestaan.6
Een dergelijk ‘alignment’ lijkt op het eerste gezicht in strijd met het Nederlandse stakeholdersmodel. In theorie hoeft dat niet te gelden voor alle gevallen. Bij een overname wordt een bestuurder geconfronteerd met twee belangrijke afwegingen. Allereerst is daar de vraag of de overname zoals deze gepresenteerd wordt, doorgang zou moeten vinden. Vervolgens voor welke prijs. Deze afwegingen lijken volledig met elkaar samen te hangen en dat is grotendeels waar. Als de prijs niet goed is, dan ook geen overname. Er is echter een verschil in het belang dat in ogenschouw genomen dient te worden bij de eerste en de tweede afweging. Bij de eerste afweging wordt het belang van de vennootschap immers gekleurd door de lange termijn waardecreatie waarbij de belangen van alle stakeholders een rol spelen. Bij de tweede afweging zijn de voornaamste belanghebbenden de aandeelhouders. Een (substantieel) persoonlijk financieel belang bij het slagen van de overname zorgt ervoor dat een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft bij het maken van de eerste afweging. Bij de tweede afweging is er echter sprake van een belangenverstrengeling (de belangen lopen gelijk) in plaats van een belangenvermenging. Voorwaarde hiervoor is overigens wel dat de momenten waarop de afwegingen gemaakt worden, van elkaar te scheiden zijn en de prijs de enig overgebleven determinant is. In de praktijk zullen naast de prijs ook andere factoren worden meegewogen, waardoor van een nette scheiding niet snel sprake zal zijn.
Ten derde was er kritiek op de effectiviteit van artikel 2:135 lid 7 (oud) BW. Zo werd betwijfeld in hoeverre deze regeling daadwerkelijk de prikkel tot oneigenlijke oordeelsvorming – aangenomen dat die er zou zijn – bij bestuurders wegnam, aangezien de toepassing van de regeling niet allesomvattend was. Lid 7 (oud) had bijvoorbeeld alleen betrekking op aandelen die de bestuurder als bezoldiging had ontvangen. De waardestijging van aandelen die de bestuurder zelf had gekocht of geërfd kwam de bestuurder dus volledig toe.7 Ook vielen derivaten, zoals phantom stocks en phantom stock appreciation rights, niet onder de regeling van art. 2:135 lid 7 (oud) BW.8 Het gevolg van deze onvolledigheid was, dat de afroomregeling gemakkelijk omzeild kon worden en willekeur op de loer lag.
Dat omzeiling niet louter theoretisch was, liet ook de praktijk zien. Sinds de invoering van lid 7 (oud) hebben verschillende beursgenoteerde vennootschappen voor hun raden van commissarissen de mogelijkheid gecreëerd om de waarde van de aan bestuurders onvoorwaardelijk toegekende prestatieaandelen en –opties uit te keren in contanten in het geval van een (aankondiging van een) openbaar bod op de aandelen van deze vennootschappen.9 Een ander voorbeeld deed zich voor bij de overname van DE Master Blenders. Toenmalig CEO Jan Bennink anticipeerde bij de overname van DE Master Blenders 1753 – nog voordat lid 7 (oud) in werking was getreden – op de afroomregeling door zijn beloning niet te laten betalen door DE Masterblenders, maar contant uit te laten keren door de overnemende partij: JAB.10 Lid 7 (oud) werd dus al ondermijnd, voordat de afroomregeling het levenslicht had gezien.
Het pijnlijke van dit laatste voorbeeld is, dat de invoering van art. 2:135 lid 7 (oud) BW precies het tegenovergestelde voor elkaar gekregen had, dan hetgeen de wetgever probeerde te bewerkstelligen. De afroomregeling moest volgens de indieners immers zorgen voor een zuivere besluitvorming bij overnamesituaties door het financieel eigen belang van het bestuur weg te nemen.11 Van een zuivere besluitvorming lijkt mij geen sprake als de bestuurders bij een overname alvast onderhandelen met de acquirerende partij over hun eigen vergoeding indien de overname slaagt.12 Ook de eigenlijke onderliggende reden voor het invoeren van de afroomregeling – de gedachte dat bestuurders niet zouden mogen verdienen aan een overname van ‘hun’ onderneming – werd niet bewaarheid. Bennink heeft in minder dan een jaar als CEO 10 miljoen euro verdiend op de overname van DE Master Blenders door JAB.13
Ook bij één van de eerste beursgenoteerde vennootschappen die wel onder de afroomregeling viel – Nutreco – bleek de verwachting dat de bestuurders niet zouden profiteren van de waardestijging van hun aandelen ijdel.14 De afroomverplichting bij Nutreco van ten minste =C 819.000 werd namelijk deels gecompenseerd door de toekenning van een speciale overnamebonus ter waarde van =C 530.000 aan de bestuurders.15 De beide doelen die aan art. 2:135 lid 7 (oud) BW ten grondslag liggen werden ook hier dus niet bereikt.16 Bij de overname van TNT
Express door FedEx werden de effecten van de afroomregeling eveneens gecompenseerd door een al eerder overeengekomen change-of-controlregeling. Weer een andere manier om de regeling te omzeilen zagen we bij het openbaar bod op de aandelen Exact begin 2015. Bij dat openbaar bod werd de afroomregeling ontlopen, door het besluit van de raad van commissarissen van Exact om de voorwaardelijk toegekende bonusaandelen aan de bestuurders te schrappen en hen daarvoor in gelijke mate te compenseren in contanten.17
Naast het omzeilen van de afroomregeling zorgde art. 2:135 lid 7 (oud) BW eveneens voor een ongelijke behandeling, onder meer omdat de regeling niet van toepassing was op een naamloze vennootschap met een beursnotering buiten de Europese Economische Ruimte. Het voorbeeld van NXP liet zien dat een notering aan de NASDAQ ervoor zorgt dat haar topman zijn omstreden, doch rechtmatig opgebouwde bonus van $428 miljoen mag houden na een overname door Qualcomm.18 De regeling gaf dan ook diverse ongewenste prikkels aan bestuurders, bijvoorbeeld om te kiezen voor een notering ‘in den vreemde’ in plaats van aan de Euronext Amsterdam of om bij zicht op een overname het bestuurslidmaatschap voortijdig (voor aanvang van het eerste peilmoment) te beëindigen.19