Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.7.7
5.7.7 De Fraud Act 2006
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ormerod & Williams 2007, par. 3.01 en 3.05. Zie ook de explanatory notes behorende bij de Fraud Act 2006, onder 5.
Ormerod & Williams 2007, par. 3.50-3.51 en Blackstone 2013, par. B5.13-B5.14.
Ormerod & Williams 2007, par. 3.74-3.75.
Ormerod & Williams 2007, par. 3.55-3.56, 3.61-3.63 en Blackstone 2013, par. B5.13-B5.14.
Ormerod & Williams 2007, par. 3.80 e.v.
Ormerod & Williams 2007, par. 3.110 e.v. en Blackstone 2013, par. B5.13-B5.14.
Ormerod & Williams 2007, par. 3.100 e.v. en Blackstone 2013, par. B5.13-B5.14.
Blackstone 2013, par. B5.13-B5.14.
Explanatory notes bij de Fraud Act 2006, onder 16.
Ormerod & Williams 2007, par. 3.134-3.135.
Law Com No 276, par. 7.28-7.29.
Ormerod & Williams 2007, par. 3.151-3.152 en Blackstone 2013, par. B5.18.
Explanatory notes bij de Fraud Act 2006, onder 19.
Explanatory notes bij de Fraud Act 2006, onder 20, waar wordt verwezen naar het rapport van de Law Commission (Law Com No 276). Zie ook Ormerod & Williams 2007, par. 3.161 e.v.
Vgl. Scott v Metropolitan Police Commissioner [1975] AC 819.
Blackstone 2013, par. B5.20.
Ormerod & Williams 2007, par. 3.17 e.v. en Blackstone 2013, par. B5.9. Zie ook de explanatory notes bij de Fraud Act 2006, onder 10.
Vgl. voor de definities van deze begrippen s. 5 van de Fraud Act 2006, dat in essentie overeenkomt met s. 34(2)(a) van de Theft Act 1968.
Ormerod & Williams 2007, par. 3.190 en Blackstone 2013, par. B5.31.
Blackstone 2013, par. B5.31.
Ormerod & Williams 2007, par. 3.195 e.v. en Blackstone 2013, par. B5.32-B5.33.
Explanatory notes bij de Fraud Act 2006, onder 35 en 36.
Ormerod & Williams 2007, par. 3.199-3.200 en Blackstone 2013, par. B5.32-B5.33.
De Fraud Act 2006, grotendeels gebaseerd op de hiervoor besproken voorstellen van de Law Commission, trad in werking op 15 januari 2007.1
S. 1 van de Fraud Act 2006 luidt als volgt:
A person is guilty of fraud if he is in breach of any of the sections listed in subsection (2) (which provide for different ways of committing the offence).
The sections are –
section 2 (fraud by false representation),
section 3 (fraud by failing to disclose information), and
section 4 (fraud by abuse of position).
A person who is guilty of fraud is liable –
on summary conviction, to imprisonment for a term not exceeding 12 months or to a fine not exceeding the statutory maximum (or to both);
on conviction on indictment, to imprisonment for a term not exceeding 10 years or to a fine (or to both).
(…).”
De eerste vorm van fraude is ‘fraud by false representation’. In s. 2 van de Fraud Act 2006 is bepaald daaronder moet worden verstaan:
A person is in breach of this section if he –
dishonestly makes a false representation, and
intends, by making the representation –
to make a gain for himself or another, or
to cause loss to another or to expose another to a risk of loss.
A representation is false if –
it is untrue or misleading, and
the person making it knows that it is, or might be, untrue or misleading.
“Representation” means any representation as to fact or law, including a representation as to the state of mind of –
the person making the representation, or
any other person.
A representation may be express or implied.
For the purposes of this section a representation may be regarded as made if it (or anything implying it) is submitted in any form to any systemor device designed to receive, convey or respond to communications (with or without human intervention).”
De strafbare handeling bij deze vorm van fraude is slechts het schetsen van een valse voorstelling van zaken, tegenover een persoon, systeem of apparaat. Niet is vereist dat de voorstelling van zaken tot enig resultaat heeft geleid, dat het mogelijke slachtoffer of een derde geloofde in de voorstelling van zaken, dat iemand als gevolg van de voorstelling van zaken heeft gehandeld of dat de verdachte daadwerkelijk winst heeft gemaakt of verlies heeft veroorzaakt. Er kan sprake zijn van een voltooid delict als de voorstelling van zaken van de hand wordt gewezen of zelfs wordt weggehoond door degene tot wie deze is gericht.2 Voor een poging lijkt dus weinig ruimte te zijn. De belangrijkste gevallen van poging lijken die gevallen te zijn waarin een verdachte per ongeluk een ware voorstelling van zaken doet.3 Verondersteld wordt dat al sprake is van een voorstelling van zaken op het moment dat deze wordt geuit. Als dat zo is, zou niet eens noodzakelijk zijn dat degene tegen wie de voorstelling van zaken is gericht hiervan op de hoogte is geraakt. Dus ook als bijvoorbeeld de brief met daarin de voorstelling van zaken zoek raakt bij de post, kan dan sprake zijn van een voltooid delict.4 Een voorstelling van zaken kan mondeling of door het vertonen van bepaald gedrag worden gedaan, voor een voorstelling van zaken door nalaten lijkt geen ruimte te zijn (maar voor die gevallen biedt het hierna te bespreken ‘fraud by failing to disclose information’ wellicht een oplossing).5
S. 2(2) Fraud Act bepaalt wanneer een voorstelling van zaken vals is. De bepaling laat ruimte om te oordelen dat ook een voorstelling van zaken die op zichzelf waar is, een valse voorstelling kan opleveren, en wel in het geval dat deze misleidend is. S. 2(2)(b) eist wel dat de verdachte daarvan op de hoogte is. Een vergissing kan dus wel leiden tot een onware of misleidende voorstelling van zaken, maar niet tot een valse voorstelling van zaken.6 Ingevolge s. 2(3) kan een voorstelling van zaken zien op feiten en recht. Dit moeten wel bestaande feiten of bestaand recht zijn. Een belofte wordt niet ineens een valse voorstelling van zaken door de enkele omstandigheid dat deze niet wordt nagekomen. Een belofte (die kan worden gezien als een weergave van een gemoedstoestand) kan wel een valse voorstelling van zaken opleveren als degene die de belofte doet vanaf het begin van plan was zich hieraan niet te houden.7
Van ‘fraud by false representation’ is bijvoorbeeld sprake als een verdachte oneerlijk gebruikmaakt van een gestolen bankpasje of het seizoensticket of busabonnement van iemand anders. Ook zonder dat hij iets zegt, impliceert dit gebruik dat het pasje, de kaart of het abonnement echt is, dat hij de bevoegde gebruiker is en dat hij nog steeds is gerechtigd het te gebruiken. Ingevolge s. 2(5) Fraud Act geldt hetzelfde als een verdachte zich door middel van het invoeren van een beveiligingscode, password of pincode tegenover een systeem of apparaat voordoet als de gerechtigde gebruiker van een account of gebruiker van een service, terwijl hij dat in werkelijkheid niet is. Een ander klassiek voorbeeld van een impliciete voorstelling is die gedaan door een gast in een hotel of restaurant. De gast hoeft niet te zeggen dat hij van plan is aan het eind te betalen, want die conclusie zal al uit zijn gedrag worden getrokken.8 Een laatste voorbeeld van ‘fraud by false representation’ is het zogenoemde phishing, waarbij een verdachte bijvoorbeeld aan een grote groep mensen een e-mail zendt – zich voordoende als vertegenwoordiger van een financiële instelling – met de vraag informatie zoals creditcardgegevens en bankrekeningnummers te verstrekken zodat de verdachte zich toegang kan verschaffen tot de bezittingen van derden.9
Deze vorm van fraude zal vaak overlap vertonen met theft. In geval van overlap zullen aanklagers waarschijnlijk liever vervolgen wegens fraud, onder meer omdat het niet nodig is om vast te stellen dat sprake was van winst of verlies en omdat de maximumstraf op fraud hoger is.10
De tweede vorm van fraud is ‘fraud by failing to disclose information’. S. 3 van de Fraud Act 2006 bepaalt:
“A person is in breach of this section if he –
dishonestly fails to disclose to another person information which he is under a legal duty to disclose, and
intends, by failing to disclose the information –
to make a gain for himself or another, or
to cause loss to another or to expose another to a risk of loss.”
Deze vorm van fraude – die uiteindelijk beperkter is dan de Law Commission had voorgesteld – is eigenlijk een omissiedelict: het niet bekend maken van informatie in gevallen waarin daartoe een juridische plicht bestaat, is hier strafbaar gesteld. Wanneer sprake is van een dergelijke juridische plicht staat niet in de Fraud Act beschreven. De Law Commission wijdde er de volgende woorden aan:
“Such a duty may derive from statute (such as the provisions governing company prospectuses), from the fact that the transaction in question is one of the utmost good faith (such as a contract of insurance), from the express or implied terms of a contract, from the custom of a particular trade or market, or from the existence of a fiduciary relationship between parties (such as that of agent and principal).
For this purpose there is a legal duty to disclose information not only if the defendant’s failure to disclose it gives the victim a cause of action for damages, but also if the law gives the victim a right to set aside any change in his or her legal position to which he or she may consent as a result of the non-disclosure. For example, a person in a fiduciary position has a duty to disclose material information when entering into a contract with his or her beneficiary, in the sense that a failure to make such disclosure will entitle the beneficiary to rescind the contract and to reclaim any property transferred under it.”11
De wet bepaalt niet dat de verdachte op de hoogte moet zijn van deze plicht. Onbekendheid met het recht zal ook onder het Engelse recht niet snel tot vrijspraak leiden, maar kan wel invloed hebben op de beantwoording van de vraag of de verdachte oneerlijk heeft gehandeld. Dit werkt ook de andere kant op: als de verdachte weet dat hij een juridische plicht tot openbaarmaking had, zal het voor hem moeilijker zijn te weerleggen dat het nalaten dat te doen oneerlijk was.12 Een voorbeeld van ‘fraud by failing to disclose information’ is het opzettelijk verzwijgen van een hartaandoening bij het aanvragen van een levensverzekering.13
De derde vorm van fraud is ‘fraud by abuse of position’. In s. 4 van de Fraud Act 2006 staat wanneer daar sprake van is:
A person is in breach of this section if he –
occupies a position in which he is expected to safeguard, or not to act against, the financial interests of another person,
dishonestly abuses that position, and
intends, by means of the abuse of that position –
to make a gain for himself or another, or
to cause loss to another or to expose another to a risk of loss.
A person may be regarded as having abused his position even though his conduct consisted of an omission rather than an act.”
Deze bepaling ziet op misbruik van positie in verscheidene (niet slechts financiële) vertrouwensrelaties, zoals in relaties tussen een trustee en een begunstigde, tussen een directeur en een bedrijf, tussen een professional en zijn cliënt, tussen een agent en zijn opdrachtgever, tussen een werkgever en een werknemer en tussen partners.14 Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het voor eigen gebruik kopiëren van films door een medewerker in een bioscoop15 en het door hotelmedewerkers ten eigen bate verkopen van eigen voedsel en drinken waardoor de hoteleigenaar inkomsten derft. Fraude door misbruik van positie doet zich ook voor als een bedrijfsleider of werknemer te kwader trouw geen overeenkomst sluit ten behoeve van de onderneming, maar dit later wel op eigen naam doet. Als sprake is van appropriation van een goed van een ander door misbruik van positie, kan wellicht eenvoudiger wegens theft worden vervolgd. In de zaak Hinks (zie hiervoor onder 5.3.4.1) was voor een veroordeling wegens theft bijvoorbeeld niet vereist dat de verdachte in een positie was waarin werd verwacht dat zij de financiële belangen van haar slachtoffer zou beschermen, wat wellicht ook moeilijk te bewijzen zou zijn geweest.16
Voor alle vormen van fraude is daarnaast vereist dat de verdachte oneerlijk handelt. Oneerlijk betekent hier ongeveer hetzelfde als onder de Theft Acts, met die kanttekening dat de Theft Acts (waaronder s. 2(1)(a)) op zichzelf niet van toepassing zijn. Wel is de Ghosh-test ook hier van toepassing.17 Daarnaast geldt voor alle varianten dat sprake moet zijn van een oogmerk om voordeel te behalen voor zichzelf of een ander dan wel een intentie nadeel te veroorzaken voor een ander of een ander aan het risico van verlies bloot te stellen.18
Het laatste delict uit de Fraud Act dat hier vermeld moet worden, is ‘obtaining services dishonestly’. Dit is in s. 11 van de Fraud Act strafbaar gesteld:
A person is guilty of an offence under this section if he obtains services for himself or another –
by a dishonest act, and
in breach of subsection (2).
A person obtains services in breach of this subsection if –
they are made available on the basis that payment has been, is being or will be made for or in respect of them,
he obtains them without any payment having been made for or in respect of them or without payment having been made in full, and
when he obtains them, he knows –
that they are being made available on the basis described in paragraph (a), or
that they might be,
but intends that payment will not be made, or will not be made in full.
A person guilty of an offence under this section is liable –
on summary conviction, to imprisonment for a term not exceeding 12 months or to a fine not exceeding the statutory maximum (or to both);
on conviction on indictment, to imprisonment for a term not exceeding 5 years or to a fine (or to both).
(…)”
Het onderscheidende kenmerk van dit delict lijkt niet te zijn dat het (in tegenstelling tot de hiervoor genoemde vormen van fraude) op diensten ziet. In s. 11 van de Fraud Act is handelen strafbaar gesteld dat geen fraude oplevert en dat handelen is vervolgens beperkt tot het bedrieglijk profiteren van diensten. Anders dan fraude is ‘obtaining services dishonestly’ wat wij een materieel delict zouden noemen. Vereist is immers dat de verdachte daadwerkelijk een dienst verkrijgt.19 Voor een veroordeling wegens ‘obtaining services dishonestly’ is geen misleiding nodig en evenmin een frauduleuze voorstelling van zaken. Indien een verdachte bijvoorbeeld ongezien een bioscoop binnenglipt en zonder betaling een (deel van een) film kijkt, maakt hij zich schuldig aan dit delict.20
De begrippen ‘obtaining’ en ‘services’ zijn niet gedefinieerd in de Fraud Act, maar aangenomen moet worden dat zij dezelfde betekenis hebben als deze begrippen onder de Theft Act 1978 hadden, dus dat ‘it is an obtaining of services where the other is induced to confer a benefit by doing some act, or causing or permitting some act to be done, on the understanding that the benefit has been or will be paid for’ (vgl. s. 1(2) Theft Act 1978). Gratis diensten kunnen hier dus niet onder vallen. Onder de bepaling vallen evenmin gevallen waarin een verdachte een voordeel neemt dat zijn ‘slachtoffer’ helemaal niet wil geven, zoals het geval waarin een verdachte aan boord van een vrachtwagen of goederentrein sluipt en op die manier gratis reist. Dat levert geen overtreding van s. 11 Fraud Act op omdat de desbetreffende vervoerders dergelijke ritten niet aanbieden, ook niet tegen betaling. Wat er wel onder valt, is het verlenen van een dienst tegen een betaling die niet rechtens zou kunnen worden afgedwongen.21 Gebruikmaken van de diensten van een huurmoordenaar met de intentie om niet te betalen zou daarvan een voorbeeld kunnen zijn. Andere voorbeelden van ‘obtaining services dishonestly’ zijn de situatie waarin iemand over een muur klimt om een voetbalwedstrijd te kijken zonder entree te betalen en het geval waarin iemand een decoder aansluit op zijn televisie om zo kabeltelevisie te kijken met de bedoeling daar niet voor te betalen.22
Als een verdachte een valse voorstelling van zaken gebruikt om een dienst te verkrijgen, kan ook vervolgd worden wegens fraude. In de explanatory notes bij de Fraud Act 2006 staat dat het verkrijgen van een dienst via het internet door valse creditcardgegevens of andere valse persoonsgegevens te gebruiken, een overtreding van s. 11 Fraud Act oplevert. In de literatuur wordt er op gewezen dat een dergelijke vervolging voor problemen zou kunnen zorgen, omdat de aanklager moet bewijzen dat niet betaald is voor de dienst en dat de verdachte de intentie had dat niet (volledig) betaald zou worden. Een verdachte zou in een dergelijke geval kunnen aanvoeren dat het zijn bedoeling was dat wel degelijk voor de dienst zou worden betaald, niet door hem maar door de creditcardhouder of de bank die deze uitgegeven heeft. In een dergelijk geval zou het daarom veiliger zijn te vervolgen wegens ‘fraud by false representation’.23