Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.5.7.5.2
II.5.7.5.2 Effectieve rechtsbescherming tegen traag bestuur
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 26 oktober 2000, Kudla t. Polen, EHRC 2000/89 m.nt. Van der Velde; NJCM-Bulletin 2001, p. 71-88 m.nt. Barkhuysen; AB 2001/275 m.nt. Verhey.
Zie hierover met verwijzingen naar de belangrijkste uitspraken: Van Dijk 2009, p. 115-133; SchreuderVlasblom 2009, p. 465-473; Jansen 2009, p. 60 e.v.; Jansen & Wenders 2006, p. 1108 e.v.; T. Barkhuysen & A.M.L. Jansen, 'Actuele ontwikkelingen in de redelijke termijn-jurisprudentie: over de Nederlandse termijnoverschrijdingen en ontbrekende rechtsmiddelen, NJCM-Bulletin 2003, p. 586-600; T. Barkhuysen & A.M.L. Jansen, `Rechtsmiddelen tegen bestuurlijke en rechterlijke traagheid: het EVRM noopt tot aanpassing van het Nederlandse recht', NJB 2002, p. 1841-1848.
Zie onder meer: EHRM 8 juni 2006, Siirmeli t. Duitsland, EHRC 2006/100 m.nt. Jansen; EHRM 29 maart 2006, Scordino (nr. 1) t. Italië, EHRC 2006/61 m.nt. Van der Velde; AB 2006/294 m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik. Zie de wat betreft de belangrijkste overwegingen eensluidende uitspraak van dezelfde datum en afkomstig van de Grote Kamer in de zaak Pizatti, JB 2006/134 m.nt. AMLJ. In 2005 oordeelde de Grote Kamer ook al over deze kwestie in een zaak tegen Slovenië, EHRM 6 oktober 2005, Lukenda t. Slovenië, EHRC 2005/114 m.nt. Van der Velde.
Zie par. 186 van Scordino waarin het EHRM zelf enkele landen noemt die combinaties van preventieve en compensatoire voorzieningen hebben geintorduceerd. Italië zelf heeft met de Wet Pinto een zuiver compensatoire voorziening gecreëerd.
Inmiddels is er een wetsvoorstel Wet schadevergoeding bij termijnoverschrijdingen gemaakt. Persbericht Ministerie van Justitie, 23 april 2010. Het persbericht en het wetsvoorstel zijn te raadplegen via de website http://www.justitie.nl/actueel/persberichten/archief-2010/100413minister-schadevergoeding-als rechtszaken veel-te-lang-duren.aspx?cp=34&cs=579. Zie over een mogelijke wettelijke voorziening: Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 129; T.J. Poppema, 'De redelijke termijn in het nationale (bestuurs)recht: op naar een wettelijke voorziening!', NTB 2009, p. 188-189; Jansen 2009, p. 66.
Zie par. 183 en 186 van Scordino.
Zie par. 186 van Scordino en par. 100 van Siinneli. Vgl.: Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 129; Van Dijk 2009, p. 121; Schreuder-Vlasblom 2009, p. 465; Jansen & Wenders 2006, p. 1109.
EHRM 29 juni 2006, Bdiié t. Kroatë, nr. 22457/02, par. 35; EHRM 8 juni 2006, Siinneli t. Duitsland, EHRC 2006/100 m.nt. Jansen, par. 98 en 115; EHRM 6 oktober 2005, Lukenda t. Slovenië, EHRC 2005/114 m.nt. Van der Velde, par. 44 en 66-67.
EHRM 29 juni 2006, Bdiié t. Kroatië, nr. 22457/02. Idem in: EHRM 29 juni 2006, Poéu'ea t. Kroatië, EHRC 2006/106. Zie al eerder: EHRM 29 november 2005, Wyszczelski t. Polen, nr. 72161/01; EHRM 15 maart 2005, Bako t. Slowakije, BNB 2005/336 met noot Feteris bij HR 17 juni 2005, BNB 2005/338.
Zie hierover ook: Schreuder-Vlasblom 2009, p. 462-465.
EHRM 29 maart 2006, EHRC 2006/61 m.nt. Van der Velde; AB 2006/294 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik. Op dezelfde dag heeft de Grote Kamer nog acht andere uitspraken gedaan met dezelfde uitkomst en grotendeels vergelijkbare overwegingen: Riccardi Pizzati t. Italië, nr. 62361/00, JB 2006/134 m.nt. AMLJ; Cocchiarella t. Italië, nr. 64886/01; Musci t. Italië, nr. 64699/01; Giuseppe Mostacciuolo t. Italië (nr. 1), nr. 64705/01; Mostacciuolo t. Italië (nr. 2), nr. 65102/01; Giuseppina en Orestina procaccini t. Italië, nr. 65075/01; Ernestina Zullo t Italië, nr. 64897/01. De uitspraak Scordino vormt echter het standaardarrest waarnaar het EHRM zelf altijd verwijst.
Scordino t. Italië, par. 184.
EHRM 8 juni 2006, Siirmeli t. Duitsland, EHRC 2006/100 m.nt. Jansen, par. 105. Kanttekening hierbij is wel dat ook meespeelde dat het Constitutionele Hof geen schadevergoeding kon toekennen.
Siirmeli t. Duitsland, par. 105 e.v.
Scordino t. Italië, par. 195-201.
Scordino t. Italië, par. 203.
Scordino t. Italië, par. 206.
Zie: Siirmeli t. Duitsland, par. 113; EHRM 6 oktober 2005, Lukenda t. Slovenië, EHRC 2005/114 m.nt. J. van der Velde.
Jansen & Wenders 2006, p. 1111.
Specifieke consequenties die voorzien zijn in bijzondere wetgeving, zoals het aannemen van een fictief (positief) besluit indien binnen de termijn geen besluit wordt genomen, komen derhalve niet aan bod.
Uitgegaan wordt van de mogelijkheid om rechtstreeks beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een primair besluit die sinds 1 oktober 2009 door de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen bestaat alsmede de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar.
Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 136. Zie ook hiervoor par. 5.7.5.1
Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 136-138.
Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 135; Jansen & Wenders 2006, p. 1117-1119.
Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 135.
Kamerstukken 77 2004/05, 29 934, nr. 6, p. 1.
Een (ten onrechte) ingediend bezwaarschrift kan als zodanig worden aangemerkt, Rb. A'dam 17 december 2009, LJN BL0518.
Art. 4:17 Awb. Zie voor de precieze modaliteiten van de wijzigingen uitvoeriger om.: R. Stijnen, 'Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (I), NJB 2010, p. 65-70 en R. Stijnen, 'Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (B)', NJB 2010, p. 468-474; C.M. Smis, 'Tijdig beslissen. Het doel dichterbij met de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen en de verruiming van de lex silencio positivo?, Gmst. 2008, 7292, p. 141-148.
R. Stijnen, 'Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (B)', NJB 2010, p. 470.
Schlftssels & Van Dam 2002, p. 2137; Marseille 2005, p. 10; Niessen 2004, p. 676.
Zie ook de toelichting van de wetgever bij het voorstel Wet schadevergoeding bij termijnoverschrijdingen te raadplegeven via http://wwwjustitie.nl/actueel/persberichten/archief-2010/100413minister-schadevergoedingals-rechtszaken-veel-te-lang-duren.aspx?cp=34&cs=579, p. 3. Barkhuysen & Van Ettekoven menen dat het in mindering brengen van de uitbetaalde dwangsommen niet mogelijk zou moeten zijn vanwege het verschillende karakter van de dwangsom en schadevergoeding, Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 130, noot 12.
Siirmeli t. Duitsland, par. 105.
Schreuder-Vlasblom 2009, p. 466.
Van Dijk 2009, p. 123.
EHRM 8 juni 2006, Siirmeli t. Duitsland, EHRC 2006/100 m.nt. Jansen. Zie ook: EHRM 6 oktober 2005, Lukenda t. Slovenië, EHRC 2005/114 m.nt Van der Velde. Ook in die uitspraak acht het EHRM de onrechtmati ge daadsactie wegens overschrijding van de redelijke termijn geen effectief rechtsmiddel omdat niet is gebleken dat ook immateriële schadevergoeding kan worden toegekend.
Overigens lag dat lange tijd anders indien de vertraging te wijten is aan de bestuursrechter zelf. In dat geval kon de bestuursrechter wel een oordeel geven over de rechterlijke vertraging (zie: CRvB 8 december 2004, AB 2005/73 m.nt. HBr; USZ 2005/56 m.nt. TB; JB 2005/30 m.nt JHK; CRvB 4 juli 2003, AB 2003/450 m.nt. HBr; JB 2003/249 m.nt. AMLJ) maar aan dat oordeel geen rechtsgevolgen verbinden omdat hij zich onbevoegd acht om schadevergoeding toe te kennen gelet op art. 8:73 Awb. Sinds kort bestaat die mogelijkheid wel via een analoge artikel 13 EVRM-conforme interpretatie van art. 8:73 Awb door de bestuursrechter, zie: AbRvS 4 juni 2008, AB 2008/229 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven; JB 2008/146 m.nt. A.M.L. Jansen; USZ 2008/211 m.nt. T. Barkhuysen en M. van Emmerik; CRvB 11 juli 2008, AB 2008/241 m.nt. Widdershoven; JB 2008/172 m.nt. AMLJ. Zie hierover ook: Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 136-138; Barkhuysen & Van Emmerik 2008, p. 1579 e.v.
Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 136-138.
Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 138-139.
B.J. van Ettekoven, R.C.S. Bakker, A.P. Hoogenboom, Tien jaar jurisprudentie schadevergoeding in het bestuursrecht, Deventer 2004, p. 133-162. Zie ook de toelichting bij het voorstel Wet schadevergoeding bij termijnoverschrijdingen, p. 3.
Zie o.m.: ABRvS 6 juni 2007, AB 2007/220, m.nt. Jansen; CRvB 22 september 2006, USZ 2006/343 m.nt. D. Wenders; CRvB 7 juli 2006, AB 2007/221, m.nt. Jansen; CRvB 8 december 2004, AB 2005/73 m.nt. HBr.
Die criteria heeft het EHRM uiteengezet in EHRM 10 november 2004, Riccardi Pizzatti t. Italië, AB 2005/257 m.nt. Barkhuysen; JB 2005/1 m.nt. A.M.L. Jansen; EHRC 2005/22 m.nt. Van der Velde (Kameruitspraak). Die criteria zijn overigens in de Grote Kamer-uitspraken over dezelfde kwestie later niet meer herhaald, EHRM 29 maart 2006, Scordino t. Italië, AB 2006/294 m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik; EHRC 2006/61 m.nt. Van der Velde. Zie ook: EHRM 29 maart 2006, Ricardi Pizzati t. Italië, (Grote Kamer), JB 2006/134 m.nt. A.M.L. Jansen.
Zie hierover: Barkhuysen & Van Emmerik 2009, p. 135-136.
Zie hierover uitvoeriger: B.J. Schueler, Schadevergoeding en de Awb. Aansprakelijkheid voor appellabele besluiten, Deventer: Kluwer 2005, p. 60 e.v.; B.J. van Ettekoven, R.C.S. Bakker en A.P. Hoogenboom, Tien jaar jurisprudentie schadevergoeding in het bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 133-134.
EHRM 15 juli 1982, Ec/de t. Duitsland, nr. 8130/78, par. 76.
HR 19 december 2008, AB 2009/230 m.nt. Jansen; HR 22 april 2005, JB 2005/166 m.nt. Wenders; AB 2006/11 m.nt. Jansen; HR 26 oktober 1980, AB 1989/20 m.nt. Burg. Zie voor de overige bestuursrechters: ABRvS 19 november 2003, AB 2004/27 m.nt. Jansen, JB 2004/15; CRvB 19 februari 1996, RAwb 1996/70 (m.nt. Widdershoven), RSV 1996/144; CBb 28 maart 1995, AB 1995/513 m.nt. Viering. Indien de boete wordt vernietigd kan de bestuursrechter zelf voorzien in de zaak en een boete opleggen. Sinds de inwerkingtreding van de vierde tranche kan dat op grond van art. 8:72a Awb. Zie hierover ook: Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 135.
EHRM 15 juli 1982, Ec/de t. Duitsland, nr. 8130/78, par. 76.
Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 135.
Zie: Scordino, par. 204.
Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 135; Van Ettekoven e.a. 2004, p. 136.
Zie bijvoorbeeld: AbRvS 26 maart 2008, LJN BC7 604; CRvB 23 november 2006, LJN AZ0644; AbRvS 19 november 2003, AB 2004, 27 m.nt. A.M.L. Jansen.
Zie hierover: Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 135.
AbRvS 26 maart 2008, LJN BC7 604; AbRvS 19 november 2003, AB 2004, 27 m.nt. A.M.L. Jansen.
CRvB 23 november 2006, LJN AZ0644. De bestuursrechter zou in een geval waarin slechts een schending van art. 6 EVRM bestaat en geen schending van andere rechtsnormen ook de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen laten in dit soort gevallen in mijn optiek.
Vgl. Barkhuysen & Van Ettekoven 2009, p. 130 en 140.
CRvB 29 april 2009, LJN BI2748, JB 2009/152 m.nt. redactie; AbRvS 17 juni 2009, 200901365/2/H2, LJN BI8475.
Effectieve rechtsbescherming tegen overschrijdingen van de redelijke termijn
Onder invloed van artikel 6 en 13 EVRM en de jurisprudentie van het EHRM van de afgelopen jaren zijn het redres en de gevolgen die schendingen van de redelijke termijn, ook door het bestuur, hebben zoals reeds aangegeven steeds belangrijker geworden. In de jurisprudentie van het EHRM is de afgelopen jaren, ingezet met de uitspraak Kudla t. Polen1, een ontwikkeling te bespeuren waarin meer nadruk gelegd wordt op het al dan niet bestaan van een effectief nationaal rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM voor schendingen van het redelijke termijn-vereiste.2 Deze problematiek is inmiddels verscheidene malen onderwerp geweest van een Grote Kamer-uitspraak, waaruit het belang van deze kwestie ook duidelijk blijkt.3 Het EHRM eist op grond van artikel 13 EVRM dat er op nationaal niveau een effectieve voorziening bestaat om schendingen van de redelijke termijn aan de orde te stellen. Enkele verdragsstaten hebben naar aanleiding van deze jurisprudentie een rechtsmiddel geschapen waarin geklaagd kan worden over de schending van de redelijke termijn en ook redres geboden wordt.4 In Nederland is echter vooralsnog geen afzonderlijke voorziening door de wetgever gecreëerd, maar kunnen overschrijdingen van de redelijke termijn en vergoedingen daarvoor aan bod komen in de reguliere procedures of de reeds bestaande middelen tegen traag bestuur. Een wettelijke voorziening is echter in de maak.5
Een effectief rechtsmiddel kan bestaan uit een voorziening die leidt tot compensatie voor de schending en/of een preventieve voorziening die een voortvarender behandeling van de zaak mogelijk maakt.6 Beide varianten kunnen (afzonderlijk) voldoende effectief zijn en zijn geoorloofd volgens het EHRM, al lijkt het EHRM een voorkeur te hebben voor preventieve voorzieningen dan wel een combinatie van beide voorzieningen.7 Ook een samenstel van (bestaande) voorzieningen kan — hoewel de afzonderlijke voorzieningen op zichzelf niet effectief zijn — voldoende effectief redres bieden.8 In het kader van de beoordeling of van een dergelijke effectieve voorziening sprake is, is voor het EHRM onder meer van belang of vertragingen in alle fasen van de procedure, derhalve ook in de bestuurlijke voorprocedure, meegenomen worden. In een uitspraak van 29 juni 2006 in de zaak BoZ"ie tegen Kroatië overweegt het EHRM expliciet dat indien naar nationaal recht een klager verplicht is om eerst een bestuurlijke voorprocedure te doorlopen alvorens een rechter kan worden geadieerd, deze procedures bij het bestuur moeten worden meegeteld bij de algehele duur van de procedure in het licht van artikel 6 EVRM. Het EHRM benadrukt dat slechts sprake is van een effectief rechtsmiddel indien daarbij alle fasen van de procedure kunnen worden meegenomen, net zoals het zelf ook de 'overall length' meeneemt bij de beoordeling van de redelijke termijn.9 Het Constitutionele Hof in Kroatië weegt bij de beoordeling van een klacht omtrent de lengte van een procedure slechts de periode dat de zaak aanhangig is bij de rechter mee. Het sluit de duur van de bestuurlijke voorprocedures daarvan uit omdat voor het versnellen van die procedures specifieke voorzieningen voorhanden zijn. Om die reden wordt de constitutionele klacht-procedure als zodanig door het EHRM niet beschouwd als een `effective remedy'.
Het voorgaande betekent dat ook op nationaal niveau geklaagd moet kunnen worden en een voorziening moet worden geboden voor onredelijke vertragingen in de bestuurlijke voorfasen. Schendingen van de redelijke termijn kunnen immers ook (primair of alleen) te wijten zijn aan het bestuur. Voor het EHRM staat echter de beoordeling van de gehele duur van een geschil centraal. Dat betekent ook dat een vertraging in de voorfase goedgemaakt kan worden door een zeer voortvarende behandeling van de zaak in de beroeps- of hoger beroepsfase.10 Waar het om gaat is dat de totale duur van de procedures (inclusief de bestuurlijke voorprocedures en alle rechtsgangen bij de rechter) niet excessief is. Gaat het in een van deze fasen in de gehele procedure mis, zoals de bestuurlijke voorfase, en wordt zulks onvoldoende hersteld, kan sprake zijn van een schending van de redelijke termijn- eis. In dat geval behoort een effectief rechtsmiddel te bestaan op nationaal niveau om die schending aan de orde te stellen.
De voorwaarden
Alvorens het EHRM een voorziening beschouwt als een voldoende effectief middel tegen schendingen van de redelijke termijn moet deze voorziening aan een aantal voorwaarden voldoen. De belangrijkste uitspraak in dat kader is Scordino t. Italië van 29 maart 2006, het standaardarrest van de Grote Kamer waarnaar het EHRM thans ook altijd verwijst.11 Hoewel het vanwege de casuistische benadering van het EHRM lastig is om algemene voorwaarden te destilleren uit de jurisprudentie, worden hieronder enkele algemene eisen die te onderscheiden vallen op een rij gezet. Die voorwaarden verschillen uiteraard voor preventieve en compensatoire voorzieningen, maar beide soorten voorzieningen behoren in elk geval effectief, adequaat en toegankelijk te zijn.
Een preventief rechtsmiddel moet volgens het Hof ook daadwerkelijk de procedure kunnen bespoedigen.12 Uit de Grote Kamer-uitspraak Siirmeli t. Duitsland blijkt ook dat de rechter in dat kader de mogelijkheid moet hebben om termijnen te stellen of anderszins maatregelen moet kunnen treffen om de procedure te bespoedigen. De enkele mogelijkheid om een verzoek te richten tot de trage instantie die met de behandeling van de zaak belast is, voldoet niet.13 Ook de omstandigheid dat het Bundesverfassungsgericht gedetailleerde aanwijzingen kon geven, en in de praktijk dat ook al eens had gedaan, over de wijze waarop de procedure versneld kon worden, kan de Duitse regering niet baten, vanwege het uitzonderingskarakter van dat soort aanwijzingen in de rechtspraak van het Bundesverfassungsgericht.14 Kortom, een voorziening is pas effectief indien de oordelende instantie de bevoegdheid heeft om specifieke maatregelen te bevelen die de procedure waarin de redelijke termijn is of dreigt te worden overschreden kan bespoedigen.
Ook aan de compensatoire voorzieningen worden eisen gesteld. Uit de Scordinouitspraak blijkt dat excessieve vertragingen in de compensatoire voorziening afbreuk doen aan de effectiviteit van de voorziening. Bovendien moet binnen zes maanden na de uitspraak waarbij compensatie wordt toegekend die compensatie uitbetaald worden wil de voorziening als effectief kunnen worden aangemerkt. De procedurele regels die gelden voor de voorzieningen mogen afwijken van het 'gewone' procesrecht, mits deze nog steeds voldoen aan 'the principles of faimess' als neergelegd in artikel 6 EVRM. Hetzelfde geldt voor de regels inzake de proceskosten. Ook die mogen afwijken van de normale regels, maar mogen in elk geval niet excessief zijn en daarmee beperking opleveren van de mogelijkheid gebruik te maken van de voorziening.15 Ten slotte is uiteraard de hoogte van het toegekende bedrag een belangrijke factor in de beoordeling van de effectiviteit van de voorziening. Wat betreft de materiële schadevergoeding, overweegt het EHRM dat de nationale instanties beter in staat zijn om daarover te oordelen.16 Inzake de immateriële schadevergoeding, stelt het uitdrukkelijk dat het uitgaat van een sterke maar weerlegbare presumptie dat overschrijdingen van de redelijke termijn immateriële schade in de vorm van spanning en frustratie tot gevolg hebben. In sommige gevallen mag geen of nauwelijks vergoeding voor dit soort schade worden toegekend. De nationale instanties zullen deze beslissing dan moeten voorzien van een deugdelijke motivering. Voorts kan de omvang van de schadevergoeding afhangen van de kenmerken en de effectiviteit van de voorziening; in het geval van een combinatie van een compensatoir en preventief rechtsmiddel mag de vergoeding lager uitvallen dan de vergoeding die het EHRM zelf normaliter zou toekennen voor de schending van de redelijke termijn. Dan geldt echter wel dat, zoals het Hof stelt:
”(...) the relevant decisions, which must be consonant with the legal tradition and the standard of living in the country concemed, are speedy, reasoned and executed very quickly." 17
Voldoet een nationale voorziening niet aan die voorwaarden dan kan de drempel die gepasseerd moet worden wat betreft de omvang van de vergoeding om niet meer als slachtoffer te kunnen worden aangemerkt hoger komen te liggen. Is de hoogte van het bedrag gelet op die factoren onredelijk laag in vergelijking tot het bedrag dat het EHRM zelf voor de schending van de redelijke termijn zou hebben toegekend, dan is de voorziening niet effectief en kan dus nog geklaagd worden bij het EHRM. Het EHRM heeft ook in andere uitspraken overwogen dat het met name immateriële schade is die een burger lijdt door de vertraging.18 De mogelijkheid om daarvoor een vergoeding toe te kennen is dus van bijzonder belang voor de effectiviteit van de voorziening.19
Effectief redres mogelijk naar nationaal recht?
Een algemeen beginsel van effectieve rechtsbescherming kennen we in het nationale recht, zoals in paragraaf 4.3.9 van Deel I uiteen is gezet, vooralsnog niet. Hoewel een specifieke grondslag voor de effectiviteit van het redres in ons nationale recht niet bestaat, hangt dit uitgangspunt samen met het tij digheidsbeginsel/voortvarendheidsbeginsel alsmede met finale geschilbeslechting. Een eis die het bestuurlijk handelen normeert in dit opzicht en gericht is tot het bestuur is er echter evenmin De eis van effectieve rechtsbescherming, in de betekenis dat er een rechtsmiddel bij het bestuur moet bestaan of het bestuur moet voorzien in een effectieve voorziening om schendingen te voorkomen of te redresseren, bestaat niet. In de eerste plaats ligt thans de verantwoordelijkheid voor het scheppen van effectieve voorzieningen bij de wetgever. Daarnaast is het aan de bestuursrechter om waar nodig soelaas te bieden tegen overschrijdingen van een redelijke beslis-termijn door het bestuur. Als zodanig heeft dit beginsel dan ook geen betekenis als behoorlijkheidsnorm voor het optreden van het bestuur in de bestuurlijke voorprocedures. Het ontbreken van effectieve voorzieningen bij de rechter tegen bestuurlijke traagheid in de bestuurlijke voorfasen kan echter in strijd zijn met artikel 13 EVRM in combinatie met artikel 6 EVRM. Er gaat derhalve wel belangrijke invloed uit van die bepalingen op de door het bestuur in acht te nemen voortvarendheid in de bestuurlijke voorprocedures en het belang dat daaraan gehecht wordt.
In het Nederlandse bestuursrecht bestaan verschillende algemene voorzieningen gericht tegen trage besluitvorming door bestuursorganen. In het onderstaande vindt uitsluitend een bespreking plaats van die algemene voorzieningen die in beginsel bestaan tegen besluiten (op bezwaar) op grond van de Awb.20 Allereerst betreft het een preventief middel, in de vorm van het instellen van beroep bij de bestuursrechter, waarmee het bestuur tot spoed gemaand kan worden.21 Deze algemene voorziening staat in beginsel ter beschikking in alle gevallen waarin niet tijdig een besluit in de zin van de Awb is genomen en, zoals blijkt uit artikel 6:12, tweede lid sub a en b Awb, twee weken zijn verstreken na het verzenden van een ingebrekestelling in dat kader aan het bestuur. In combinatie hiermee bestaat ook nog de mogelijkheid om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 Awb te vragen in spoedeisende gevallen. Tevens verbeurt het bestuursorgaan, twee weken na de dag van verzending van een ingebrekestelling, van rechtswege een dwangsom, zo volgt uit artikel 4:17 Awb. Het verbeuren van die dwangsom stelt het bestuur zelf vast of deze wordt door de bestuursrechter in het kader van het beroep tegen het niet tijdig beslissen vastgesteld. Voorts kan de bestuursrechter een (materieel) besluit vernietigen wegens strijd met het redelijke termijn-vereiste (van artikel 6 EVRM) en op grond van artikel 8:73 Awb daarbij schadevergoeding voor de vertraging toekennen.22 Daarnaast kan een burger los van de procedure tegen het inhoudelijke besluit bij het bestuursorgaan een verzoek tot schadevergoeding indienen. Het al dan niet toekennen van die vergoeding door het bestuur wordt gezien als een besluit in de zin van de Awb waartegen rechtsmiddelen openstaan.23 In deze gevallen zal het veelal gaan om geschillen waarin sprake is van de vaststelling van een `civil right or obligation'. Indien de redelijke termijn geschonden is in een geschil waarin een bestuurlijke boete en derhalve een `criminal charge' centraal staat, kan de bestuursrechter die boete matigen.24 Tot slot heeft de bestuursrechter in sommige gevallen volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn geschonden is; de enkele erkenning van de schending vormt dan het redres dat de burger voor die schending ontvangt.25
De vraag is of deze middelen op zichzelf dan wel in samenhang beschouwd kunnen worden als effectief redres voor schendingen van de redelijke termijn in de bezwaar- of administratief beroepsfase. Hieronder worden de verschillende mogelijkheden, onderscheiden naar hun preventieve dan wel compensatoire aard, nader bezien en wordt ingegaan op de vraag of deze als zodanig te beschouwen zijn als effectief redres. Vervolgens wordt bezien of de verschillende voorzieningen in samenhang te beschouwen zijn als effectieve rechtsbescherming.
Preventieve middelen
Zoals aangegeven, achtte de regering en vooral ook de Tweede Kamer het noodzakelijk om een effectiever middel tegen trage besluitvorming door het bestuur te scheppen voor de burger. Om die reden is door de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in de Awb een tweetal preventieve middelen om het bestuur te dwingen tot voortvarender besluiten gecreëerd. De noodzaak tot een effectiever middel lag overigens niet noodzakelijkerwijs in de eis van effectieve rechtsbescherming van artikel 13 EVRM. Meer algemene effectiviteitsoverwegingen hebben de regering en Tweede Kamer ertoe aangezet een nieuwe regeling te scheppen.26
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen maakt mogelijk dat de bezwaarschriftprocedure op grond van artikel 6:2 sub b Awb overgeslagen kan worden, indien het bestuur niet binnen de voorgeschreven termijn beslist. Voor niet tijdig beslissen op bezwaar of administratief beroep verandert er echter in dat opzicht niets. Daartegen kon al op grond van artikel 6:2 sub b Awb beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld. Wel ontstaat de mogelijkheid om beroep in te stellen pas twee weken na de dag waarop het bestuur schriftelijk ingebreke is gesteld, ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Die eis gold voorheen niet. Aan de ingebrekestelling lijken vooralsnog door de bestuursrechter geen specifieke vormeisen te worden gesteld27 De bestuursrechter stelt in beroep ook desgevraagd vast welke dwangsom het bestuur verbeurd heeft, zo blijkt uit artikel 8:55c Awb. Op grond van artikel 4:17 Awb verbeurt het bestuursorgaan immers, na het verstrijken van twee weken na de ingebrekestelling, een dwangsom van 20 euro per dag, oplopend met 40 euro per dag en met een maximum van 1260 euro. 28 Indien de bestuursrechter constateert dat de beslistermijn is overschreden en nog geen besluit bekend is gemaakt, kan hij, op grond van artikel 8:55d Awb, het bestuur een termijn van twee weken stellen waarbinnen alsnog het besluit op bezwaar bekend gemaakt moet worden. In bijzondere gevallen kan een andere termijn worden gegeven. Aan die termijn wordt vervolgens weer een dwangsom verbonden. Die dwangsom zal echter hoger zijn dan de dwangsom die het bestuur op grond van artikel 4:17 Awb verbeurt.29 De behandeling van het beroep tegen niet tijdig beslissen vindt in beginsel plaats door middel van een vereenvoudigde behandeling als bedoeld in artikel 8:54 en wordt binnen acht weken afgerond, ingevolge artikel 8:55b Awb. Dat betekent dat een zitting in beginsel achterwege blijft. Als de bestuursrechter een zitting wenselijk acht, vindt de afdoening van de zaak plaats door middel van een versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 Awb. Tegen de uitspraak van de rechtbank gedaan met toepassing van de bevoegdheid tot vereenvoudigde behandeling staat geen hoger beroep open, maar alleen verzet op grond van artikel 8:55 Awb. Dat verzet wordt, op grond van artikel 8:55e Awb binnen vier weken behandeld. De beroepsmogelijkheid op grond van artikel 6:2 onder b van de Awb blijft, ook na de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, echter louter een procedureel middel om een besluit af te dwingen en de onrechtmatigheid van het stilzitten vast te stellen.30 Tot slot bestaat nog aanvullend de mogelijkheid om tegelijkertijd met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar of administratief beroep een voorlopige voorziening aan te vragen op grond van artikel 8:81 Awb. In gevallen waarin een spoedeisend belang bestaat, kan een dergelijke voorziening zinvol zijn.
Ook als geen beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter tegen het niet tijdig beslissen verbeurt het bestuursorgaan, na het verstrijken van de beslistermijn en nadat twee weken verstreken zijn na de dag van verzending van de ingebrekestelling, een dwangsom. Dat zal dan echter door het bestuur zelf bij besluit moeten worden vastgesteld. De dwangsom die betaald moet worden, komt de belanghebbende ten goede. Gesteld kan worden dat deze maatregel dus ook in zekere zin compensatoir van aard is, aangezien een soort van vergoeding — althans een geldbedrag — wordt uitgekeerd. Het gaat echter vooral om een financiële prikkel voor het betreffende bestuursorgaan om verdere overschrijding van de beslistermijn te voorkomen en voortvarend(er) te handelen. In dat opzicht heeft de dwangsom een ander karakter dan de schadevergoeding die per definitie redres vormt voor een al geconstateerde schending van de redelijke termijn en daardoor geleden (immateriële) schade. Daarom blijft daarnaast de schadevergoedingsmogelijkheid wegens overschrijding van de redelijke termijn gewoon nog bestaan, met dien verstande dat vanwege reeds uitbetaalde dwangsommen wellicht matigiging van de schadevergoeding mogelijk is.31
Omdat de bestuursrechter in de regel slechts een korte termijn kan stellen en aan de overschrijding van die termijn ook een dwangsom verbindt, vormt het beroep tegen niet tijdig beslissen een voldoende effectief middel om de besluitvorming te versnellen. Conform de jurisprudentie van het EHRM heeft de besturusrechter immers de mogelijkheid om specifieke maatregelen te treffen, zoals het stellen van een termijn of het verbinden van een dwangsom aan overschrijdiging van die termijn, teneinde bespoediging van de procedure te bewerkstelligen.32 Bovendien is met de overschrijding van de wettelijke beslistermijn nog niet overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM gegeven. De wettelijke beslistermijnen zijn korter, waardoor het beroep op grond van artikel 6:2 sub b Awb (en vervolgens genomen besluit) in het algemeen binnen de redelijke termijn zal vallen.33 Voor bestuurlijke vertragingen beschikt de het Nederlandse bestuursrecht in het licht van artikel 13 EVRM in theorie derhalve over voldoende redresmogelijkheden. Er moet echter voor gewaakt worden dat de procedure bij de bestuursrechter op grond van artikel 6:2 sub b Awb, in de bijzondere gevallen wel een zitting wenselijk wordt geacht, niet teveel tijd in beslag neemt. Ook moet ervoor gewaakt worden dat de termijn die aan het bestuur gegeven wordt in bijzondere gevallen niet te lang is. Indien echter conform de termijn van zes weken via de vereenvoudigde behandeling uitspraak wordt gedaan, lijkt — zeker in combinatie met de dwangsom voor het bestuur bij niet naleving van de door de bestuursrechter gestelde termijn — de effectiviteit van dit rechtsmiddel voldoende gewaarborgd. Daar komt nog bij dat een voorlopige voorziening gevraagd kan worden bij de voorzieningenrechter, welke procedure minder tijd in beslag neemt. De voorzieningenrechter kan in zo'n geval ook gebruik maken van zijn bevoegdheid tot kortsluiting op grond van artikel 8:86 Awb.
Compensatoire middelen
Compensatoire mogelijkheden om vertragingen te redresseren bestaan hoofdzakelijk uit een vergoeding voor de geleden schade. Die schade kan materieel of immaterieel zijn. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat de nationale rechter beide soorten schadevergoeding moet kunnen toekennen om de voorziening (tegen schending van de redelijke termijn) effectief te laten zijn.34 Daarbij ligt de focus op de immateriële schadevergoeding, omdat het EHRM veronderstelt dat schending van de redelijke termijn spanning en frustratie met zich brengt. Indien een instantie niet de bevoegdheid heeft om immateriële schadevergoeding toe te kennen, is de voorziening in de ogen van het EHRM niet effectief.35 Ook voor bestuurlijke traagheid dient de rechter immateriële schadevergoeding toe te kennen, wil de voorziening effectief zijn.
Op grond van het nationale recht kan de rechter in het kader van een procedure tegen het materiële besluit dat niet tijdig is genomen (maar uiteindelijk wel is genomen) wegens schending van de redelijke termijn door het bestuur schadevergoeding toekennen. In dat geval wordt het besluit vernietigd wegens strijd met artikel 6 EVRM en wordt op grond van artikel 8:73 Awb schadevergoeding toegekend.36 Ook kan de belanghebbende nadat de procedure tegen het materiële besluit geëindigd is of nadat hij het besluit ontvangen heeft dat hij wenste, een verzoek tot schadevergoeding wegens de vertraging bij het bestuursorgaan indienen. Het besluit van het bestuursorgaan daarop vormt een zelfstandig schadebesluit dat aangevochten kan worden bij de bestuursrechter.37 Een derde mogelijkheid vormt een onrechtmatige daadsactie bij de burgerlijke rechter waarbij op grond van artikel 6:162 BW schadevergoeding wordt gevorderd.38
De nationale rechter kan materiële schadevergoeding toekennen die is ontstaan vanwege de vertraging. Dat doet hij ook regelmatig en daarover bestond vanaf aanvang ook geen misverstand. In zoverre heeft de bestuursrechter altijd conform de jurisprudentie van het EHRM terzake geoordeeld.39 Inmiddels hanteren de bestuursrechters in het kader van de immateriële schadevergoeding, in navolging van de jurisprudentie van het EHRM, ook de veronderstelling dat overschrijdingen van de redelijke beslistermijn voor een belanghebbende spanning en frustratie met zich brengt.40 Daarvoor dient (tenzij expliciet van het tegendeel gebleken is) een immateriële schadevergoeding te worden toegekend. Voor de hoogte van de schadevergoeding kan de bestuursrechter aansluiten bij de criteria en bedragen die het EHRM hanteert, maar dat hoeft hij niet.41 Een lagere vergoeding is geoorloofd, mits deze niet onredelijk is. De hoogste bestuursrechters hanteren dan ook een andere berekeningsmethode voor de omvang van de schadevergoeding.42
Aangenomen wordt dat het niet tijdig beslissen, in de zin van overschrijding van de wettelijke beslistermijn, eveneens onrechtmatig handelen vormt door het bestuursorgaan waarvoor onder omstandigheden ook aansprakelijkheid kan bestaan. Schadevergoeding verkrijgen in dat verband is echter aanzienlijk lastiger, omdat duidelijk moet zijn wat het reële besluit zou zijn (geworden) en het causale verband tussen de schade en het reële besluit lastig aan te tonen is. Ook in dat verband zijn verschillende wegen voor schadevergoeding mogelijk: een zelfstandig schadebesluit, een verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 in een procedure gericht tegen het niet tijdig beslissen bij de bestuursrechter op grond van artikel 6:2 sub b jo. 8:55b Awb en mogelijkheid van een vordering bij de burgerlijke rechter op grond van artikel 6:162 BW.43 Zodra tevens sprake is van schending van de redelijke termijn, als hiervoor bedoeld, geldt ook het hiervoor gestelde.
Overige mogelijkheden van redres
Strafvermindering kan in gevallen waarin de redelijke termijn-eis uit hoofde van een `criminal charge' van toepassing adequaat en voldoende redres vormen.44 Voor het bestuursrecht gaat het dan om gevallen waarin een bestuurlijke boete is opgelegd (en in bezwaar wordt gehandhaafd). In het geval een bestuurlijke boete is opgelegd, kan de bestuursrechter in beroep wegens schending van de redelijke termijn de boete matigen (tot nihil) De Hoge Raad heeft dat al geruime tijd aangegeven, maar ook de overige bestuursrechters gaan hiertoe over.45 Gelet op de jurisprudentie van het EHRM is een reductie van de sanctie geoorloofd als compensatie voor een overschrijding van de redelijke termijn.46 Barkhuysen en Van Ettekoven constateren wel nog enige discrepantie tussen de omvang. van de reductie en de omvang van schadevergoedingen bij nietpunitieve zaken.47
Mogelijk is ook dat wordt volstaan met de vergoeding van het griffierecht of proceskosten ter compensatie van overschrijdingen van de redelijke termijn. Een dergelijke compensatie is in beginsel in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM. De bestuursrechter dient in zo'n geval wel expliciet te motiveren waarom volstaan wordt met een dergelijke geringe vergoeding.48
Tot slot kan de rechter in uitzonderlijke gevallen volstaan met de constatering dat artikel 6 EVRM geschonden is.49 De enkele erkenning van de schending vormt dan het redres voor de desbetreffende belanghebbende. De bestuursrechter heeft reeds enkele malen volstaan met een dergelijke erkenning dat de redelijke termijn niet in acht was genomen.50 Het betrof dan bijvoorbeeld gevallen waarin de belanghebbenden voordeel had genoten van de vertraging doordat sprake was van overschuldigd betaalde bedragen die te laat werden teruggevorderd of er sprake was van een geringe overschrijding van de redelijke termijn.51 In zo'n geval wordt het materiële besluit soms niet vernietigd (of de uitspraak van de bestuursrechter waarin het besluit in stand is gelaten wordt niet vennetigd).52 Soms komt het besluit zelf vanwege de schending of een andere schending wel voor vernietiging in aanmerking, maar wordt geen schadevergoeding toegekend.53
Effectief redres tegen bestuurlijke traagheid
Op grond van het bovenstaande kan worden aangenomen dat het redres en de rechtsmiddelen tegen overschrijdingen van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM door het bestuur in beginsel voldoende effectief zijn en in overeenstemming zijn met de eisen die het EHRM stelt in zijn jurisprudentie.54 Zeker in onderlinge samenhang bezien zullen de redresmogelijkheden, van zowel compensatoire aard als preventieve aard, voor schendingen van de redelijke termijn door het bestuur door de beugel kunnen. Op een punt kan wellicht nog een probleem ontstaan. En dat is de jurisprudentie van de bestuursrechter waarin deze heeft geoordeeld dat, indien na de bezwaarschriftprocedure geen beroep wordt ingesteld, geen aanspraak op schadevergoeding kan worden ontleend aan artikel 6 EVRM bij schending van de redelijke termijn door het bestuur. Tevens is er geen andere rechtsbasis waarop een dergelijke aanspraak kan worden gebaseerd.55 Hoewel het EIIRM zich over een dergelijke kwestie bij mijn weten nog niet heeft gebogen, dient deze jurisprudentie om de al in paragraaf 5.7.3 genoemde redenen verlaten te worden. Er zou ook een mogelijkheid tot schadevergoeding moeten bestaan bij overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke voorprocedures, indien die procedures niet gevolgd worden door een procedure bij de bestuursrechter. In de meeste gevallen zullen echter de bestaande mogelijkheden tot redres voldoende effectief zijn in het licht van artikel 6 en 13 EVRM.