De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.9.1.d:9.9.1.d Beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.9.1.d
9.9.1.d Beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250352:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Verbrugh 2006, p. 54, Verbrugh 2007, p. 269-270, Van der Kraan 2012, p. 161 en E.C.A. Nass 2019, p. 182.
Verbrugh 2006, p. 54, Verbrugh 2007, p. 269-270 en Van der Kraan 2012, p. 161.
Zie § 9.7.2.c en zie Van Wijngaarden 2006a, p. 620, Snijder-Kuipers & Eliëns 2014, p. 1177-1178 en Holtman 2019, p. 160.
Zie § 9.4.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de moedermaatschappij de 403-verklaring intrekt, kan zij de overblijvende aansprakelijkheid beëindigen als zij voldoet aan de voorwaarden van art. 2:404 lid 3 BW. Het is de vraag of door de zuivere splitsing van de 403-maatschappij is voldaan aan de voorwaarde van art. 2:404 lid 3 sub a BW dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken.
Als de verkrijgende rechtspersonen niet tot de groep van de moedermaatschappij behoren, lijdt het geen twijfel dat aan de voorwaarde van art. 2:404 lid 3 sub a BW is voldaan.1 Als ook aan de andere voorwaarden van art. 2:404 lid 3 BW wordt voldaan, is de overblijvende aansprakelijkheid van de moedermaatschappij beëindigd.
Indien de verkrijgende rechtspersonen wel tot de groep van de moedermaatschappij behoren, wordt in de literatuur aangenomen dat niet is voldaan aan het verbreken van de groepsband in de zin van art. 2:404 lid 3 sub a BW.2 Ik deel dit standpunt. Er zou mogelijk nog kunnen worden betoogd dat aan de voorwaarde van art. 2:404 lid 3 sub a BW is voldaan omdat de 403-maatschappij door de zuivere splitsing is opgehouden te bestaan. Een soortgelijk standpunt wordt door enkele auteurs verdedigd als de 403-maatschappij door een fusie met een groepsmaatschappij ophoudt te bestaan.3 Evenals bij een dergelijke fusie meen ik echter dat dit een te strikte uitleg is van art. 2:404 lid 3 sub a BW. De mogelijkheid om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, is mijns inziens bedoeld voor de gevallen dat de rechtspersoon op wie deze aansprakelijkheid rust niet tot dezelfde groep behoort als de rechtspersoon – of rechtspersonen – van wie de handelingen tot aansprakelijkheid op grond van de ingetrokken 403-verklaring kunnen leiden.4 Een dergelijke situatie doet zich niet voor als de 403-maatschappij zuiver splitst waarbij haar vermogen onder algemene titel overgaat op verkrijgende rechtspersonen die tot dezelfde groep behoren. Na de zuivere splitsing zijn het de handelingen van de verkrijgende rechtspersonen die tot aansprakelijkheid op grond van de ingetrokken 403-verklaring kunnen leiden. Deze rechtspersonen maken onderdeel uit van dezelfde groep als de moedermaatschappij op wie de overblijvende aansprakelijkheid rust.