Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/IV.2.2.2.a
IV.2.2.2.a De niet-uitvoerende bestuurder is een natuurlijk persoon
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242865:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:11 BW luidt als volgt: “De aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon rust tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.” Een rechtspersoon kan op grond van deze bepaling ook bestuurder zijn van een andere rechtspersoon dan een NV of een BV. Omdat ik mij in dit boek beperk tot kapitaalvennootschappen, laat ik deze mogelijkheden verder rusten. In § VII.5 sta ik stil bij de aansprakelijkheidsregeling van art. 2:11 BW.
Zie over de totstandkomingsgeschiedenis van de Uitvoeringswet SE § II.3.
Zie art. 14 Uitvoeringswet SE.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 7 (NV).
Wet van 16 mei 1986, houdende wijziging van bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet in verband met de bestrijding van misbruik van rechtspersonen, Stb. 1986, 275. De inwerkingtreding op 1 januari 1987 volgt uit het Besluit van 24 november 1986, gepubliceerd in Stb. 1986, 585. Deze wet wordt in de juridische volksmond de ‘derde antimisbruikwet’ genoemd.
Zie Kamerstukken II 1980/81, 16 631, 2, p. 1. Het oorspronkelijk voorgestelde art. 2:4a BW luidde als volgt: “De aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder of commissaris van een andere rechtspersoon rust tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.”
De voordelen van de benoeming van een rechtspersoon tot bestuurder spelen met name in concernverhoudingen en in joint ventures. De Commissie Vennootschapsrecht wees in haar rapport inzake het voorstel van de Europese Commissie voor een vijfde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot de structuur van de naamloze vennootschap onder meer op het voordeel van centralisatie van de vervulling van de bestuurstaak in concernverhoudingen. Zo kan de meest geschikte functionaris van de moedervennootschap de bestuurstaken in de dochtervennootschappen vervullen. Een ander voordeel is dat de vennootschap niet afhankelijk is van verhindering van één persoon. Tot slot vermijdt het de kosten en nadelen van een meerhoofdig bestuur. Zie p. 7 van het Rapport van de Commissie Vennootschapsrecht 1974. Hoewel de rechtspersoon-commissaris niet of nauwelijks voorkwam, zag de toenmalige minister geen reden om art. 2:4a BW niet van toepassing te verklaren op rechtspersonen-commissarissen. Zie Kamerstukken II 1980/81, 16 631, 3, p. 2-3.
Zie Kamerstukken II 1981/82, 16 631, 5, p. 9 (Verslag).
Zie Kamerstukken II 1983/84, 16 631, 6, p. 17 (NV).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 7 (NV).
Zie art. 51 LVBA en art. 2:18 BWC/BW-SM/BW-BES.
Zie art. 2:19 lid 3 BW-BES.
Zie art. 2:19 lid 3 BWC/BW-SM. Tot 1 januari 2012 bevatte art. 2:19 lid 3 (oud) BWC een algeheel verbod op de rechtspersoon-commissaris. Hetzelfde gold voor het tot 1 april 2014 geldende art. 2:19 lid 3 (oud) BW-SM. Deze bepalingen waren rechtstreeks overgenomen uit het voordien geldende art. 2:19 lid 3 (oud) BW-NA. Voor de tekst van art. 2:19 lid 3 (oud) BW-NA diende art. 2:140/250 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek ter inspiratie. De motieven achter het verbod op de rechtspersoon-commissaris waren vermoedelijk dus dezelfde als in Nederland. Vanwege ‘uit de praktijk gebleken behoeften’ staat de wet de rechtspersoon-commissaris thans echter op beperkte schaal toe, zie Parl. Gesch. Landsverordening herziening Boek 2 BW, P.B. 2011, 66, 3, p. 13 (MvT). Op beperkte schaal, want op grond van art. 2:19 lid 3 BWC/BW-SM kan een rechtspersoon geen commissaris zijn bij een rechtspersoon waaraan een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening is verbonden. Nu op grond van art. 3 lid 3 jo. 4 lid 1 Handelsregisterverordening aan de NV en de BV steeds een onderneming in voornoemde zin toebehoort, geldt het verbod op de rechtspersoon-commissaris dus nog altijd voor kapitaalvennootschappen. Het verdient opmerking dat rechtspersonen op Aruba wél tot commissaris kunnen worden benoemd. Een voorwaarde is dan wel dat de statuten in die mogelijkheid voorzien. Hoewel de regeling van art. 52 LVBA is ontleend aan art. 2:140/250 BW, wijkt de Arubaanse regeling op dit punt dus van de Nederlandse regeling af. Waarom de wetgever ervoor gekozen heeft de rechtspersoon-commissaris toe te staan, valt uit de wetsgeschiedenis niet te destilleren. De toelichting op de bepaling is uiterst summier, zie Parl. Gesch. Arubaanse Landsverordening VBA 2009, p. 56-57 (MvT).
Section 155 (1) van de Companies Act 2006 luidt als volgt: “A company must have at least one director who is a natural person.”
Zie Section 87 (4) van de Small Business, Enterprise and Employment Act 2015: “A person may not be appointed a director of a company unless the person is a natural person.” Het is de bedoeling dat deze bepaling in Section 156A (1) van de Companies Act 2006 wordt opgenomen en Section 155 van de thans vigerende Companies Act wordt geschrapt, zie Section 87 (2) en (4) van de Small Business, Enterprise and Employment Act 2015.
Zie Department for Business, Innovation & Skills, Transparency & Trust: A Discussion Paper 2013, p. 1. De overige maatregelen hebben betrekking op: (i) de registratie van beneficial owners van vennootschappen; (ii) het afschaffen van aandelen aan toonder; en (iii) de verplichtingen van shadow directors.
Zie Department for Business, Innovation & Skills, Transparency & Trust: A Discussion Paper 2013, p. 5 en 50-52; Department for Business, Innovation & Skills: Consultation stage Impact Assessments to Part A of the Transparency and Trust Proposals 2014, p. 80-82; Department for Business, Innovation & Skills, Transparency & Trust: Government Response 2014, p. 44; en Department for Business, Innovation & Skills, Small Business, Enterprise and Employment Act: Companies Transparency 2015, p. 4. Zie in dezelfde zin ook Hanegraaf 2017, p. 17-18; en Lennarts, MvO 2018, afl. 3-4, p. 81.
Department for Business, Innovation & Skills, Transparency & Trust: Government Response 2014, p. 44. Zie ook p. 13: “A lack of transparency and of accountability for those controlling a company suggests a deficiency in corporate governance, which erodes trust and damages the business environment. (…) This can be damaging for business, and for wider society.”
Zie www.legislation.gov.uk/ukpga/2015/26/section/87#section-87-2, laatst geraadpleegd op 1 augustus 2020.
Zie Department for Business, Innovation & Skills, Transparency & Trust: Government Response 2014, p. 45.
Zie Department for Business, Innovation & Skills, Transparency & Trust: Government Response 2014, p. 45.
Zie Department for Business, Innovation & Skills, Transparency & Trust: Government Response 2014, p. 45-46. Zie voorts Department for Business, Innovation & Skills: Scope of exceptions to the prohibition of corporate directors 2014.
Zie Department for Business, Innovation & Skills: Scope of exceptions to the prohibition of corporate directors 2014, p. 7; en Department for Business, Innovation & Skills, Small Business, Enterprise and Employment Act: Companies Transparency 2015, p. 4.
Volgens de website van de Britse wetgever worden de reacties nog altijd geanalyseerd, zie www.gov.uk/government/consultations/corporate-directors-exceptions-to-prohibition, laatst geraadpleegd op 1 augustus 2020.
Zie De Roo, MvO 2017, afl. 10-11, p. 250-252.
De Roo, TvOB 2015, afl. 3, p. 108-109.
De Roo, TvOB 2015, afl. 3, p. 108-109.
Zie Kamerstukken II 1980/81, 16 631, 3, p. 2-3.
Zie bijvoorbeeld Schmieman 2018, p. 62; en Van Uchelen-Schipper, TvOB 2016, afl. 1, p. 11.
Zie Kamerstukken II 1981/82, 16 631, 5, p. 9 (Verslag); en Kamerstukken II 1983/84, 16 631, 6, p. 17 (NV). Dit argument wordt ook in Engeland aangevoerd: “The Institute of Directors (IoD), among others, have voiced the idea that a director should normally be the accountable ‘human face’ of a company”, zie Department for Business, Innovation & Skills, Transparancy & Trust: Scope of the exceptions to the prohibition of corporate directors 2014, p. 6.
De Roo, TvOB 2015, afl. 3, p. 109.
Van Uchelen-Schipper, TvOB 2016, afl. 1, p. 11.
Evenzo De Roo, TvOB 2015, afl. 3, p. 110.
Zie art. 52 lid 2 LVBA. Het ZIFO en De Roo kwamen eerder al met dit voorstel, zie de reactie van het ZIFO op het consultatievoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen, p. 3; en De Roo, TvOB 2015, afl. 3, p. 109. Een soortgelijke bepaling met betrekking tot de rechtspersoon-bestuurder is opgenomen in art. 47 lid 1 SE-Vo; art. 19 lid 2 EESV-Vo; en art. 46 lid 1 SCE-Vo. Zie over de vaste vertegenwoordiger bij de EESV uitgebreid Wennekes & Troost, TvOB 2015, afl. 4, p. 137-144.
Evenzo De Roo, MvO 2017, afl. 10-11, p. 251-252.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 7 (NV). Zie met betrekking tot de SE Kamerstukken II 2003/04, 29 309, 3, p. 19 (MvT), waarin de minister benadrukte dat art. 2:140 BW ter inspiratie heeft gediend voor het verbod op de ‘niet-uitvoerende rechtspersoon-bestuurder’ bij de SE.
Aldus ook Lennarts, MvO 2018, afl. 3-4, p. 80-85. Anders: De Roo, MvO 2017, afl. 10-11, p. 251-252.
Lennarts, MvO 2018, afl. 3-4, p. 84.
Lennarts, MvO 2018, afl. 3-4, p. 84.
Evenzo Lennarts, MvO 2018, afl. 3-4, p. 84.
Idem Lennarts, MvO 2018, afl. 3-4, p. 80-85.
Allereerst sta ik stil bij de beperking die voortvloeit uit art. 2:129a/239a lid 1 BW. De niet-uitvoerende bestuurder moet op grond van deze bepaling een natuurlijk persoon zijn. Art. 2:129a/239a lid 1 BW bevat derhalve een uitzondering op het uitgangspunt dat een rechtspersoon de hoedanigheid van bestuurder kan hebben. Dat een rechtspersoon bestuurder van een vennootschap kan zijn, volgt met zoveel woorden uit art. 2:11 BW.1
Benoemt de algemene vergadering een rechtspersoon tot niet-uitvoerend bestuurder, dan is die benoeming nietig ex art. 2:14 lid 1 BW. De benoeming is immers in strijd met art. 2:129a/239a lid 1 BW. De nietigheid van het benoemingsbesluit kan op grond van art. 2:16 lid 2 BW aan de ‘benoemde’ niet-uitvoerende bestuurder worden tegengeworpen.
Dat de wetgever het onwenselijk acht dat de niet-uitvoerende bestuursfunctie door een rechtspersoon wordt vervuld, bleek al tijdens de totstandkomingsgeschiedenis van de Uitvoeringswet SE.2 Zoals ik reeds in § II.3.4 schreef, stak de toenmalige Minister van Justitie er toen al een stokje voor dat een rechtspersoon tot nietuitvoerend bestuurder benoemd kan worden. Door in art. 2:129a/239a lid 1 BW te bepalen dat de niet-uitvoerende bestuurder een natuurlijk persoon moet zijn, heeft de minister de regeling voor niet-uitvoerende bestuurders van een SE doorgetrokken tot NV’s en BV’s.3 De minister verdedigde zijn keuze met de stelling dat de niet-uitvoerende bestuurder een taak moet verrichten die ‘sterk persoonsgebonden’ is.4 Dit argument werd eerder al aangevoerd in verband met het verbod op de rechtspersoon-commissaris.
Ook commissarissen moeten natuurlijke personen zijn, zo volgt uit het eerste lid van art. 2:140/250 BW. Het wettelijke verbod voor rechtspersonen om commissaris te zijn, is ingevoerd bij de derde antimisbruikwet.5 Het ontwerp van de derde antimisbruikwet voorzag aanvankelijk niet in een verbod op de rechtspersooncommissaris. Het oorspronkelijk voorgestelde art. 2:4a BW stond zelfs expliciet toe dat een rechtspersoon optreedt als commissaris van een andere rechtspersoon.6 De figuur van de rechtspersoon-commissaris werd niet door alle Tweede Kamerleden omarmd. Zo stelden de leden van de D’66-fractie dat de commissarisfunctie om een ‘persoonlijke taakvervulling’ vraagt. Zij bepleitten bovendien dat de voordelen van de rechtspersoon-bestuurder in veel mindere mate opgaan voor de rechtspersoon-commissaris.7 De bezwaren wegen daarentegen juist zwaarder, aldus nog altijd de leden van de fractie van D’66.8 Toenmalig minister van Justitie Korthals Altes nam de kritiek ter harte. Het leek hem bij nader inzien beter de rechtspersoon-commissaris te verbieden.9 Art. 2:140/250 lid 1 BW schrijft daarom voor dat de commissaris een natuurlijk persoon is.
De wetgever heeft voornoemde regeling in art. 2:129a/239a lid 1 BW doorgetrokken tot de niet-uitvoerende bestuurder.10 De gedachte dat de niet-uitvoerende bestuursfunctie door een natuurlijk persoon moet worden vervuld, is evenwel geen gemeengoed. Op Aruba, Curaçao, St. Maarten en de BES-eilanden bijvoorbeeld, kan de niet-uitvoerende bestuurder zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon zijn.11 Dat deze regelingen niet aan de benoeming van een rechtspersoon tot niet-uitvoerend bestuurder in de weg staan, is niettemin opvallend. Niet in de laatste plaats omdat rechtspersonen niet zonder meer tot commissaris kunnen worden benoemd. Zo bestaat op de BES-eilanden een algeheel verbod op de rechtspersoon-commissaris.12 De Curaçaose en St. Maartense regeling staan de rechtspersoon-commissaris bij kapitaalvennootschappen evenmin toe.13
In Engeland kunnen rechtspersonen eveneens tot non-executive director worden benoemd. Als voorwaarde geldt dan wel dat ten minste één van de andere directors een natuurlijk persoon is, zo volgt uit Section 155 (1) Companies Act 2006.14 Een verbod op corporate directors hangt wel in de lucht. Wordt Section 87 van de Small Business, Enterprise and Employment Act 2015 tot wet verheven, dan moeten alle executives en non-executives natuurlijke personen zijn.15 De Engelse regeling gaat dan dus zelfs nog een stap verder dan haar Nederlandse pendant. In Nederland kunnen rechtspersonen immers wél tot uitvoerend bestuurder benoemd worden.
De voorgestelde regeling maakt deel uit van een pakket maatregelen om transparantie binnen vennootschappen te verbeteren.16 Met het verbod op corporate directors wordt specifiek beoogd ondoorzichtigheid in vennootschapsstructuren tegen te gaan en – in het verlengde daarvan – misbruik van corporate directors te bestrijden.17 Volgens het Department of Business, Innovation & Skills zorgen corporate directors voor een “lack of transparency and accountability”. En dat komt de business niet ten goede.18
Opmerkelijk is dat Section 87 van de Small Business, Enterprise and Employment Act 2015 aanvankelijk al in oktober 2016 in werking zou treden. De inwerkingtreding werd echter tot nader order opgeschort.19 De reden hiervoor is dat een algeheel verbod op corporate directors op verzet uit de praktijk stuitte.20 Betoogd werd dat het gebruik van een corporate director in sommige gevallen juist heel waardevol kan zijn.21 Het Department of Business, Innovation & Skills kwam aan de kritiek tegemoet door de praktijk te consulteren over mogelijke uitzonderingen op het verbod.22 Het uitgangspunt daarbij is dat uitzonderingen op het verbod zijn toegestaan wanneer het gebruik van een corporate director slechts een gering risico van onwettige activiteiten met zich brengt en bovendien van groot belang is voor het besturen van de vennootschap.23 De consultatieperiode eindigde op 8 januari 2015. Een wettelijke regeling met uitzonderingen op het verbod laat helaas nog altijd op zich wachten.24
Ook in de Nederlandse literatuur wordt onderkend dat een algeheel verbod op de niet-uitvoerende rechtspersoon-bestuurder niet zaligmakend is. Er gaan zelfs stemmen op voor een afschaffing van het verbod.25 De argumenten zijn dezelfde als die voor de afschaffing van het verbod op de rechtspersoon-commissaris. Maar wat houden die argumenten precies in?
In de literatuur wordt bepleit dat de afschaffing van het verbod op de rechtspersoon-commissaris de kwaliteit van de taakuitoefening doet verbeteren. Aangezien de taakuitoefening niet afhangt van de aan een individuele natuurlijke persoon ter beschikking staande tijd, neemt in de eerste plaats de beschikbare tijd per commissariaat toe.26 Bovendien kunnen de verschillende onderdelen van het commissariaat worden ondergebracht bij verschillende bij de taakuitoefening betrokken personen, zodat niet één persoon alle vereiste deskundigheid behoeft te bezitten. De afschaffing van het verbod leidt derhalve ook tot meer ruimte voor specialisatie.27 Dit argument werd overigens al tijdens de parlementaire behandeling van de derde antimisbruikwet aangevoerd.28 Het voordeel werd toen gekoppeld aan de figuur van de rechtspersoon-bestuurder.
Er zijn ook tegengeluiden. Volgens verschillende schrijvers genieten natuurlijke personen de voorkeur.29 Een belangrijk argument vinden zij in de parlementaire geschiedenis van de derde antimisbruikwet. Zoals ik al schreef, werd destijds bepleit dat de commissaris een taak moet verrichten die ‘sterk persoonsgebonden’ is.30 Maar geldt dat niet eveneens voor de taak van de bestuurder? Terecht vraagt De Roo zich af of voor de vervulling van de commissarisfunctie daadwerkelijk een andere mate van persoonlijke taakvervulling is vereist dan voor de vervulling van de bestuursfunctie.31 Dit geldt juist en temeer indien de vennootschap het monistische bestuursmodel hanteert, aangezien de niet-uitvoerende bestuurder bestuurder en toezichthouder tegelijkertijd is.
In het verlengde hiervan wordt in de literatuur wel aangevoerd dat de algemene vergadering veelal een specifiek persoon op het oog heeft voor de vervulling van de commissarisfunctie. Die persoon kan bij een rechtspersoon-commissaris eenvoudig wisselen, aldus Van Uchelen-Schipper.32 Ook dit argument overtuigt mij niet. Wordt het verbod afgeschaft, dan heeft de algemene vergadering de keuze uit natuurlijke personen en rechtspersonen. Benoemt zij een rechtspersoon tot bestuurder, dan legt zij zich deze ‘invloedsbeperking’ zelf op.33 Bovendien kan dit probleem eenvoudig worden omzeild door aan te sluiten bij de Arubaanse regeling. Daar moet de rechtspersoon een of meer natuurlijke personen aanwijzen die namens hem de taken kunnen uitoefenen.34 Ter bevordering van de transparantie kan eveneens worden bepaald dat deze ‘vaste vertegenwoordigers’ moeten worden ingeschreven in het handelsregister.35
De hierboven weergegeven discussie spitst zich weliswaar toe op de rechtspersoon-commissaris, maar de genoemde argumenten gelden naar mijn overtuiging evengoed voor de ‘niet-uitvoerende rechtspersoon-bestuurder’.36 Aan de regeling dat louter natuurlijke personen tot niet-uitvoerend bestuurder benoemd kunnen worden, liggen immers dezelfde redenen ten grondslag.37
Hoewel ik onderken dat die redenen niet steekhoudend zijn, zie ik op dit moment geen reden voor schrapping van het verbod op de niet-uitvoerende rechtspersoon-bestuurder.38 Ik vraag mij namelijk af wat het nut daarvan is. Lennarts wijst er terecht op dat de door De Roo genoemde voordelen evengoed bereikt kunnen worden wanneer alle niet-uitvoerende bestuurders natuurlijke personen zijn.39 Verder plaatst Lennarts terecht een vraagteken bij de wijze waarop een niet-uitvoerende rechtspersoon-bestuurder zal functioneren in een meerhoofdig orgaan dat ook uit natuurlijke personen bestaat.40 Tot slot lijkt in de praktijk geen dringende behoefte aan de figuur van de niet-uitvoerende rechtspersoon-bestuurder bij NV’s en BV’s te bestaan.41 Zoals hiervoor in § I.5.2 vermeld, ben ik van mening dat het recht faciliterend behoort te zijn. Maar zolang in de praktijk geen behoefte bestaat aan de niet-uitvoerende rechtspersoon-bestuurder, hoeft het voorschrift dat de niet-uitvoerende bestuurder een natuurlijk persoon is wat mij betreft niet geschrapt te worden.42