Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/IV.2.2.2.c
IV.2.2.2.c De niet-uitvoerende bestuurder vervult niet te veel commissariaten en niet-uitvoerende bestuursfuncties
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242900:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Ook voor (uitvoerende) bestuurders bevat de wet een limiteringsregeling. Op grond van art. 2:132a/242a BW kan tot (uitvoerend) bestuurder van een ‘grote’ vennootschap niet worden benoemd een persoon die commissaris of niet-uitvoerende bestuurder is bij meer dan twee ‘grote’ vennootschappen of stichtingen. De regeling volgt verder een-op-een de regeling die voor de commissarissen en niet-uitvoerende bestuurders in Boek 2 BW is opgenomen.
De wettelijke limiteringsregeling kent een bewogen totstandkomingsgeschiedenis. Zij was oorspronkelijk uitgewerkt in een amendement van Tweede Kamerlid Irrgang. Dit amendement is aan het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht toegevoegd, zie Kamerstukken II 2009/10, 31 763, 20. Een aantal gebreken van de door Irrgang voorgestelde regeling werd gerepareerd in een amendement bij het wetsvoorstel Wet Flex-BV, zie Kamerstukken II 2009/10, 31 058, 27. De gewijzigde redactie van de regeling nam niet alle onduidelijkheden en hiaten weg. Het (gewijzigde) amendement-Irrgang werd in de literatuur heftig bekritiseerd. Onder anderen Dortmond, Kroeze & Nowak, Ondernemingsrecht 2010/9; en Van Olffen, WPNR 2010/6829, p. 90-91, uitten hun ongenoegen over het (gewijzigde) amendement. Zo bleek uit de voorgestelde tekst niet of bij de benoeming van niet-uitvoerende bestuurders bij het regime voor bestuurders of commissarissen moest worden aangesloten. Ook de leden van de Eerste Kamer uitten kritiek op het (gewijzigde) amendement, zie Kamerstukken I 2010/11, 31 763, B, p. 8-10; en Handelingen I 2010/11, 31 763, 28, p. 20-28. Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht in de Eerste Kamer kondigde de minister een ‘reparatiewet’ aan, zie Handelingen I 2010/11, 31 763, 28, p. 20. Alzo geschiedde, zie Kamerstukken II 2010/11, 32 873, 2. Ook deze regeling repte met geen woord van de niet-uitvoerende bestuurder. Pas in de nota van wijziging verduidelijkte de minister dat het regime voor commissarissen gevolgd moet worden bij de benoeming van niet-uitvoerende bestuurders, zie Kamerstukken II 2011/12, 32 873, 6 (NvW). De regeling kreeg uiteindelijk zijn definitieve redactie bij Wet van 27 september 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verduidelijking van art. 297a en 297b, Stb. 2012, 440. De inwerkingtreding op 1 januari 2013 volgt uit het Besluit van 4 oktober 2012, gepubliceerd in Stb. 2012, 456. Thans bestaat nog altijd kritiek op de regeling. Zie bijvoorbeeld Dortmond, Ondernemingsrecht 2012/18.
Als een persoon te veel functies bekleedt, loopt hij het risico onvoldoende tijd aan zijn verschillende functies te kunnen besteden. Bovendien wordt sneller de schijn van belangenverstrengeling gewekt en wordt het moeilijker toe te treden tot de hoogste organen van een rechtspersoon, aldus Irrgang. Zie Kamerstukken II 2009/10, 31 763, 20, p. 3-4.
Zie best practice bepalingen II.1.8 en III.3.4 van de Code uit 2008.
Zie Kamerstukken II 2009/10, 31 763, 20, p. 4.
Beursvennootschappen moeten immers toepassing geven aan het comply or explain-principe. Dit houdt in dat zij van de principes en best practices mogen afwijken. Op grond van art. 2:391 lid 5 BW zijn beursvennootschappen verplicht om in het jaarverslag gemotiveerd uit te leggen of, en zo ja, waarom wordt afgeweken van de in de Code vervatte principes en best practices.
Zie art. 2:25 BW. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht in de Eerste Kamer benadrukte de minister dat de bepalingen van dwingend recht zijn, zie Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 20 (MvA).
Zie Voorstel voor herziening van 11 februari 2016, p. 83 en 86.
Zie best practice bepaling 2.4.2 van de Code. De nevenfuncties moeten voorts ten minste jaarlijks worden besproken in de bestuursvergadering.
Zie art. 2:142a/252a lid 1 en lid 2 sub d BW.
De formulering van deze zinsnede geeft overigens aanleiding tot verwarring. De bepaling komt erop neer dat een vennootschap als ‘groot’ kwalificeert indien zij op twee opeenvolgende balansdata voldoet aan de vereisten die de wet stelt. De vennootschap is niet langer ‘groot’ wanneer zij twee opeenvolgende balansdata niet aan deze vereisten voldoet. Zie Kamerstukken II 2011/12, 32 873, 5, p. 7-8 (NV). Zie in kritische zin over deze uitleg Van Olffen, De Kluiver & Legein 2012, p. 42-43.
Zie art. 2:142a/252a jo. 2:397 lid 1 BW. Voor stichtingen knoopt de regeling aan bij art. 2:297a BW. Uit die bepaling volgt dat een stichting ‘groot’ is, indien zij (i) bij of krachtens de wet verplicht is een financiële verantwoording op te stellen die gelijk of gelijkwaardig is aan een jaarrekening als bedoeld in Titel 9 van Boek 2 BW; en (ii) niet in aanmerking komt voor een vrijstelling van de publicatieverplichting in de zin van art. 2:397 lid 1 BW.
Zie ook Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 18 (MvA); en Kamerstukken II 2011/12, 32 873, 5, p. 5 en 11 (NV).
Van Olffen, De Kluiver & Legein 2012, p. 44-45.
Zie in deze zin ook Boschma e.a. 2018, p. 255.
Handboek 2013/283, p. 602.
Handboek 2013/283, p. 602. Ten overvloede wijs ik erop dat het Handboek uitgaat van de situatie dat een commissaris het voorzitterschap van de raad van commissarissen gaat vervullen. Hetzelfde gaat op voor de aanwijzing van een niet-uitvoerend bestuurder tot voorzitter.
Ik ontleen deze bewoordingen aan Boschma e.a. 2018, p. 254.
Evenzo Boschma e.a. 2018, p. 254.
Idem Handboek 2013/283, p. 602.
Bij de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurder moet voorts acht worden geslagen op de wettelijke beperking die voortvloeit uit art. 2:142a/252a BW. Deze regeling behelst een limitering van het aantal commissariaten en niet-uitvoerende bestuursfuncties dat de niet-uitvoerende bestuurder tegelijkertijd bij ‘grote’ vennootschappen en stichtingen kan vervullen.1
De wettelijke limiteringsregeling trad op 1 januari 2013 in werking.2 Door het aantal toezichthoudende functies dat commissarissen en niet-uitvoerende bestuurders van ‘grote’ vennootschappen mogen vervullen aan banden te leggen, streeft de regeling er in de eerste plaats naar de kwaliteit van het (bestuur en) toezicht te waarborgen. Daarnaast beoogt de regeling belangenverstrengeling te voorkomen en een bijdrage te leveren aan het doorbreken van het “old boys network”.3
De regeling van art. 2:142a/252a BW kwam niet geheel uit de lucht vallen. Een soortgelijke limiteringsregeling was voor beursvennootschappen reeds verankerd in de Nederlandse Corporate Governance Code 2008.4 Deze regeling ging Tweede Kamerlid Irrgang niet ver genoeg, omdat zij enkel gold voor beursvennootschappen.5 De wettelijke regeling heeft een breder bereik. Niet alleen beursvennootschappen, maar alle ‘grote’ vennootschappen (en stichtingen) worden door de regeling geraakt. Bovendien konden beursvennootschappen gemotiveerd afwijken van deze best practice bepaling.6 Sinds 1 januari 2013 kan dat niet meer, aangezien art. 2:142a/252a BW van dwingend recht is.7
De thans geldende Code bevat geen limiteringsregeling meer. De Monitoring Commissie achtte het opnemen van een limiteringsregeling in de vernieuwde Code overbodig, omdat de regeling sinds 1 januari 2013 een wettelijke basis heeft.8 De Code schrijft slechts voor dat uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders hun nevenfuncties vooraf melden.9
Dan nu de wettelijke regeling. Ingevolge art. 2:142a/252a BW kan een persoon niet tot niet-uitvoerend bestuurder van een ‘grote’ vennootschap worden benoemd indien hij al vijf of meer commissariaten en/of niet-uitvoerende bestuursfuncties bij andere ‘grote’ vennootschappen en/of stichtingen vervult.10 Voor het in de wet opgenomen maximum telt het voorzitterschap van de raad van commissarissen dubbel. Hetzelfde geldt voor het voorzitterschap van een one tier board. Benoemingen bij verschillende rechtspersonen die met elkaar in een groep zijn verbonden, tellen daarentegen slechts als één benoeming mee.
Wordt een persoon die het maximum van het aantal te vervullen toezichthoudende functies al heeft bereikt tot niet-uitvoerend bestuurder benoemd, dan is die benoeming nietig. De nietigheid kan op grond van het tweede lid van art. 2:16 BW aan de ‘benoemde’ niet-uitvoerende bestuurder worden tegengeworpen. De nietigheid heeft op grond van art. 2:142a/252a lid 3 BW geen gevolgen voor de besluitvorming van het bestuur waaraan hij heeft deelgenomen.
De regeling van art. 2:142a/252a BW speelt slechts een rol bij de benoeming van niet-uitvoerende bestuurders bij ‘grote’ vennootschappen. Voor het in de wet opgenomen maximum tellen bovendien alleen commissariaten en niet-uitvoerende bestuursfuncties bij ‘grote’ vennootschappen en stichtingen mee. Maar wanneer is nu precies sprake van een ‘grote’ vennootschap? Een vennootschap is ‘groot’ in de zin van art. 2:142a/252a BW indien zij niet in aanmerking komt voor een vrijstelling van de publicatieverplichting in de zin van art. 2:397 lid 1 BW. Het gaat dus om vennootschappen die op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee balansdata,11 voldoen aan ten minste twee van de volgende drie vereisten: (i) de waarde van de activa van de vennootschap bedraagt volgens de balans met toelichting meer dan € 20 miljoen; (ii) de netto-omzet van de vennootschap over het boekjaar bedraagt meer dan € 40 miljoen; (iii) het gemiddeld aantal werknemers over het boekjaar bedraagt meer dan 250.12
Voor de beoordeling of met de benoeming het maximumaantal te vervullen toezichthoudende functies wordt overschreden, is het moment van benoeming steeds doorslaggevend.13 Ik doel daarmee op de benoeming tot niet-uitvoerend bestuurder. De wettelijke limiteringsregeling staat er niet aan in de weg dat een rechtsgeldig benoemde niet-uitvoerende bestuurder vervolgens de functie van voorzitter van de one tier board gaat vervullen. Ook niet wanneer door de aanwijzing tot voorzitter het maximumaantal te vervullen toezichthoudende functies wordt overschreden. Net als Van Olffen, De Kluiver en Legein meen ik dat de aanwijzing tot voorzitter van de one tier board los staat van de benoeming tot niet-uitvoerend bestuurder.14 Uit de tekst van art. 2:142a/252a BW volgt dat de regeling slechts op de benoeming tot niet-uitvoerend bestuurder ziet. Op het moment dat de persoon tot niet-uitvoerend bestuurder werd benoemd, had hij het maximum van het aantal te vervullen toezichthoudende functies nog niet bereikt. De benoeming was derhalve geldig.15
Vermoedelijk had de wetgever een dergelijke uitleg van de wettelijke limiteringsregeling niet voor ogen. Hierop wijst ook Dortmond. Het komt hem, gelet op de wetsgeschiedenis, voor dat in een dergelijke situatie ook van een dubbeltelling moet worden uitgegaan.16 Althans, in beginsel. De zaken liggen volgens Dortmond anders wanneer de statuten bepalen dat het bestuur zelf zijn voorzitter aanwijst. In dat geval zijn de aanwijzing en benoeming volgens hem wél geldig.17
Ik concludeer dat de wettelijke limiteringsregeling eenvoudig kan worden omzeild. Een niet-uitvoerend bestuurder kan zonder meer tot voorzitter worden aangewezen bij een ‘grote’ vennootschap waarin hij rechtsgeldig tot niet-uitvoerend bestuurder is benoemd. Dat hij tegelijkertijd bij vier andere ‘grote’ vennootschappen en/of stichtingen een toezichthoudende functie vervult, staat daaraan niet in de weg. Omgekeerd kan een persoon niet rechtsgeldig tot niet-uitvoerend bestuurder worden benoemd indien hij al bij vier andere ‘grote’ vennootschappen en/of stichtingen een toezichthoudende functie vervult en bij een van deze rechtspersonen tevens tot voorzitter is aangewezen. Met andere woorden: de volgtijdelijkheid van de aanwijzing tot voorzitter respectievelijk de benoeming tot niet-uitvoerend bestuurder is relevant voor de beantwoording van de vraag of een dergelijke aanwijzing of benoeming rechtsgeldig is.18
Mijns inziens zouden beide gevallen gelijk moeten worden behandeld.19 Aangezien de minister uitgaat van een maximum van vijf toezichthoudende functies waarbij het voorzitterschap dubbel telt, ben ik van mening dat een niet-uitvoerend bestuurder die reeds bij vijf ‘grote’ vennootschappen en/of stichtingen een toezichthoudende rol vervult, vervolgens niet tot voorzitter zou mogen worden aangewezen.20
Ik vraag mij tot slot af of art. 2:142a/252a BW wel de geëigende plek is voor het opnemen van de limiteringsregeling. Aangezien de niet-uitvoerende bestuurder geen commissaris maar bestuurder is, is het vanuit wetssystematisch oogpunt logischer de regeling van art. 2:142a/252a BW in art. 2:132a/242a BW van overeenkomstige toepassing te verklaren op de niet-uitvoerende bestuurder.