Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/11.3.2
11.3.2 Toezeggingen
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685486:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 4.3.
Zie par. 4.3 en par. 6.2 voor het bestuursrecht en par. 8.2 voor het civiele recht.
Zie par. 6.2 voor het bestuursrecht en par. 8.2 voor het civiele recht.
Par. 4.3.
Par. 6.2.
De Kluiver 1992, p. 155. In 1989 wijst Vranken 1989, p. 112 erop dat de opkomst van de toezegging in het civiele recht beïnvloed is door het administratieve recht. In het administratieve recht functioneert in zijn woorden de toezegging van oudsher als een van de wijzen waarop de overheid gebonden kan worden.
Nicolaï 1990, p. 234-235.
Bloembergen & Slagter (Bloembergen) 1976, p. 46.
Bloembergen & Slagter (Bloembergen) 1976, p. 53-58.
Zie over (ook) de ‘in principe gebondenheid’ in het bestuursrecht al het citaat van Wiarda daaromtrent in par. 2.3. Zie ook HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1957, NJ 2022/236, AB 2022/134 (Toezegging aanleg brug), rov. 3.2.3.
Zie het in hoofdstuk 8 uitgebreid behandelde arrest HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1957, NJ 2022/236, AB 2022/134 (Toezegging aanleg brug), waarin de Hoge Raad in rov. 3.5.2 het civielrechtelijke kader van de nakomingsverplichting met verwijzing naar art. 6:2 lid 2 BW voorop stelt.
Eenzijdige, gerichte overheidstoezeggingen worden in het bestuursrecht en het civiele recht gekenmerkt als concrete, ongeclausuleerde en resultaatgerichte uitlatingen waarin een overheid een bepaalde aanwending van haar bevoegdheden in het vooruitzicht stelt. 1 Te denken valt aan de belofte tot goedkeuring van een vergunningaanvraag of het voorleggen van een bestemmingsplan aan de gemeenteraad.
De toezegging staat juridisch gezien zowel in verbinding met de bevoegdhedenovereenkomst als met inlichtingen. Een toezegging (tot inspanning) kan schriftelijk zijn vastgelegd in een bevoegdhedenovereenkomst en een onjuiste of ongeldige toezegging kan weliswaar niet worden aangemerkt als een rechtshandeling die tot nakoming verplicht, maar kan onder omstandigheden wel leiden tot overheidsaansprakelijkheid voor onjuiste of onvolledige inlichtingen.
Het kwalificeren van een uitlating als een toezegging vindt bij de bestuursrechter en civiele rechter op grond van dezelfde maatstaven plaats.2 Vereist is dat de overheid heeft beloofd gebruik te maken van haar bevoegdheden en een concreet eindresultaat in het vooruitzicht heeft gesteld. Bij het aanleggen van die maatstaf blijkt vaak dat een uitlating waarmee de overheid zich tot een concrete uitkomst heeft willen binden ontbreekt.3
In algemene zin kan worden opgemerkt dat het begrip toezegging in het civiele recht een ‘breder inhoudelijk bereik’ heeft dan in het bestuursrecht. Waar in het bestuursrecht een toezegging altijd ziet op de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden (primair: besluiten nemen) en de figuur van de toezegging een plaats heeft binnen de toepassing van het vertrouwensbeginsel, kunnen overheidstoezeggingen in het civiele recht ook zien op andere overheidshandelingen zoals feitelijke handelingen, niet-appellabele besluiten en overeenkomsten.
Een belangrijk verschil tussen het bestuursrecht en het civiele recht bestaat in het rechtskarakter dat aan een toezegging wordt gegeven. Op basis van het systeem van de wet, de rechtspraak en de rechtsliteratuur heb ik aangenomen dat de overheidstoezegging die ik in dit onderzoek analyseer als een rechtshandeling moet worden aangemerkt. 4 De focus op het rechtsgevolg van een toezegging kent het bestuursrecht niet. Het rechtskarakter van een toezegging krijgt – gelet op de centrale rol van ‘het besluit’ als (enige) bron van overheidshandelen met rechtsgevolg – in het bestuursrecht nauwelijks aandacht. Een toezegging heeft slechts gevolgen binnen het kader van een beroep op het vertrouwensbeginsel. 5
Over het verschil in bestuursrechtelijke en civielrechtelijke rechtsgevolgen van de niet-nakoming van een toezegging is eerder door verschillende auteurs geschreven.
Zo schrijft De Kluiver dat in het bestuursrecht een toezegging bindend is voor zover daartegenover geen zwaarder wegende belangen staan. Dat uitgangspunt wordt volgens hem ‘door de civiele rechters slechts zeer ten dele onderschreven’.6 De civiele rechter staat een overheid niet snel toe van een toezegging terug te komen zonder schadevergoeding. De Kluiver acht de benadering van de bestuursrechter gelukkiger dan de strenge binding aan toezeggingen die de civiele rechter hanteert.
Nicolaï heeft opgemerkt dat het vertrouwensbeginsel zowel in het civiele recht als het bestuursrecht wordt erkend. Bij het operationaliseren van het vertrouwensbeginsel wordt echter volgens hem duidelijk dat in geval van bevoegdheidsuitoefening een bijzondere invulling moet worden gegeven aan het vertrouwensbeginsel. In het bestuursrecht moet de burger er altijd rekening mee houden dat onder omstandigheden zijn individuele belang voor een zwaarder wegend algemeen belang zal moeten wijken, terwijl ‘in privaatrechtelijke (‘horizontale’) verhoudingen de personen jegens elkaar gelijkelijk voor gewekt vertrouwen dienen in te staan’. Dit maakt dat het bestuursrechtelijke en civielrechtelijke vertrouwensbeginsel volgens hem niet kunnen samenvallen, nu het privaatrechtelijke vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op ‘verticale’ relaties.7
Bloembergen schrijft dat administratieve instanties – in tegenstelling tot de civiele rechter – het beginsel van trouw aan het gegeven woord als regel niet duidelijk vooropstellen.8 Hij constateert vervolgens dat die kloof in de praktijk minder groot is dan zij op het eerste gezicht lijkt. Op basis van jurisprudentie van de Kroon concludeert hij dat ook in het bestuursrecht slechts van toezeggingen kan worden afgeweken indien daarvoor een noodzaak bestaat en tegelijkertijd in het privaatrecht beperkingen als de werking van goede trouw en de invloed van gewijzigde omstandigheden aan nakoming in de weg kunnen staan.9
Uit de huidige rechtspraak en literatuur blijkt volgens mij genoegzaam dat beide rechters uitgaan van gebondenheid van overheden aan toezeggingen. 10 Dat uitgangspunt raakt echter vaak ondergesneeuwd door de algemene belangen waarop een overheid zich kan beroepen en de bijzondere positie die zij inneemt in het maatschappelijk verkeer. In het bestuursrecht lost die gebondenheid dan vaak op in een belangenafweging, terwijl in het civiele recht een beroep op redelijkheid en billijkheid of onvoorziene omstandigheden roet in het eten van een nakomingsvordering gooit. Een succesvol beroep door een overheid op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid of onvoorziene omstandigheden is echter een stuk lastiger dan het motiveren dat een nadere belangenafweging van stap 3 aan nakoming van een toezegging in de weg staat. De uitkomst van een belangenafweging kan hetzelfde zijn als een beroep op redelijkheid en billijkheid of onvoorziene omstandigheden, maar dat is zeker niet per definitie het geval. 11