Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/7.8.1
7.8.1 Het dictum bij een gegrond opschortingsverweer
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950346:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.7.1.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/75 meent dat een gegrond beroep op opschorting in een procedure tot afwijzing van de vordering dient te leiden vanwege de niet-opeisbaarheid. Zie ook HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1779, RvdW 2021/1157, r.o. 3.1.3 en Asser/Sieburgh 6-I 2020/287. Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 22 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1896, r.o. 5.6; Rb. Rotterdam 19 januari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:209, r.o. 2.10 en Rb. Gelderland 19 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2066, r.o. 4.11.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 27 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5474, r.o. 6.19.
Zie bijv. Rb. Middelburg 30 augustus 2006, ECLI:NL:RBMID:2006:AY8598, r.o. 3.1 en 4.4.
Hetgeen het geval was in Rb. Middelburg 30 augustus 2006, ECLI:NL:RBMID:2006:AY8598, r.o. 4.4, maar vermoedelijk mede werd ingegeven door de omstandigheid dat de schuldenaar tevergeefs primair de gestelde betalingsverplichting had betwist.
Vgl. HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2517, NJ 2017/384, m.nt. Jac. Hijma (CIA/Heredium), r.o. 5.2. Zie ook § 2.7.1.
Een opschortingsbevoegdheid ontneemt de opeisbaarheid aan de verbintenis van de schuldenaar.1 Niet-opeisbaarheid belet dat nakoming kan worden gevorderd (vgl. art. 6:39 lid 1 BW). Daarom leidt een door de rechter gehonoreerd opschortingsverweer doorgaans tot afwijzing van het van de schuldenaar gevorderde.2 Het kan de schuldenaar in dat geval ontbreken aan belang bij toewijzing van een eventueel afzonderlijk gevorderde verklaring voor recht dat hij opschortingsbevoegd is.3
In het honoreren van een opschortingsverweer ligt besloten dat de rechter van oordeel is dat de schuldenaar een verbintenis jegens zijn wederpartij heeft. De niet-opeisbaarheid van die verbintenis vanwege de opschortingsbevoegdheid staat er niet aan in de weg dat de rechter op vordering van de wederpartij tevens een verklaring van recht uitspreekt dat de schuldenaar een verbintenis jegens zijn wederpartij heeft en wat die verbintenis inhoudt (art. 3:302 BW).4 Indien de schuldenaar dan als de meest in het ongelijk gestelde partij is te beschouwen, kan hij in de proceskosten worden veroordeeld.5
Ook kan de schuldenaar, ondanks het bestaan van een opschortingsbevoegdheid, op grond van de aanvullende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede gelet op artikel 6:212 BW, gehouden zijn een vergoeding aan zijn wederpartij te betalen wegens verkregen voordeel door het uitgeoefende opschortingsrecht en daartoe op vordering worden veroordeeld. Een dergelijk voordeel kan bijvoorbeeld een behaald rentevoordeel zijn over een bedrag waarvan de schuldenaar de betaling heeft uitgesteld.6
Afhankelijk van de vraag of bij voorgaande beslissingen een van de partijen als de in het ongelijk gestelde partij is te beschouwen of dat zij over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, kan die ene partij in de proceskosten worden veroordeeld of kan de rechter oordelen dat iedere partij haar eigen kosten draagt.