Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.4.1
4.4.1 Voorwaardelijke leveringshandeling
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS399686:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De visie dat sprake zou zijn van een voorwaardelijke leveringshandeling gaat steeds gepaard met het betwisten van het bestaansrecht van art. 3:91 BW, omdat de bezitsverschaffing onder voorwaarde toereikend zou zijn. Zie nader paragraaf 4.8.3.2. Bij mijn weten wordt door niemand verdedigd dat de machtsverschaffing van art. 3:91 BW voorwaardelijk zou (kunnen) zijn.
Zie ook hierna in paragraaf 4.8.3.2 over de bezitsverschaffing onder opschortende voorwaarde.
Vgl. Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 222: ‘Is de leveringshandeling zelf onder opschortende voorwaarde verricht, dan staat partijen bij de levering voor ogen dat deze rechtshandeling pas gevolg zal hebben bij vervulling van de voorwaarde. (…) Gaat de voorwaarde in vervulling, dan heeft de levering op het tijdstip van de vervulling werking, waardoor de overdracht tot stand komt.’ Zo ook Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 242, die echter genoegen lijken te nemen met beschikkingsbevoegdheid op het moment van het verrichten van de leveringshandeling, hetgeen zich niet verdraagt met de omstandigheid dat de overdracht pas tot stand komt op het moment dat de aan de leveringshandeling verbonden voorwaarde in vervulling gaat. Juister is dan ook de benadering van Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 415, waar over ‘bezitsverschaffing onder opschortende voorwaarde’ wordt opgemerkt: ‘Is de vervreemder bij het intreden der voorwaarde in dit geval niet beschikkingsbevoegd, dan zal de overdracht aan de verkrijger achterwege blijven omdat niet aan de eis van beschikkingsbevoegdheid ten tijde van de voltooiing der levering voldaan is.’ Zo ook Faber 2000, p. 181-182, Faber 2007, p. 39 en Rongen 2014, p. 303-304.
M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1237-1238.
Vgl. Faber 1997, p. 214, Scheltema 2003, p. 248-250, p. 272 en p. 315 en Stolz 2015, p. 927, p. 949 en p. 996.
Zie voor een overzicht Reehuis 2013, nr. 21. Zie voor Oostenrijk Klang/Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 46- 47, waar hij de constructie waarbij terstond een levering plaatsvindt vergelijkt met het geval waarin sprake zou zijn van een uitgestelde traditio brevi manu.
Scheltema 2003, p. 323-325, i.h.b. voetnoot 21. Vgl. ook Suijling 1940, nr. 248.
Zie voor Oostenrijk Klang/Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 52.
Suijling 1940, nr. 253. Zie ook Scheltema 2003, p. 279 en p. 324, voetnoot 21, die terecht opmerkt datde goederenrechtelijke wilsbinding hier eventueel te hulp zou kunnen te schieten als verklaring voor de goederenrechtelijke werking tussen partijen, maar dat deze figuur tekortschiet waar het aankomt op de goederenrechtelijke werking ten opzichte van derden.
Nieskens-Isphording 1988, p. 298, Kortmann 1992, p. 208, Faber 1997, p. 208-212, Faber 2000, p. 181-182, Scheltema 2003, p. 324, voetnoot 21, Faber 2007, p. 39, Reehuis 2010, nr. 105, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 415, Reehuis 2013, nr. 21, Abendroth 2013, p. 320-321 (althans, voor zover zijn betoog betrekking heeft op de leveringshandeling), Rongen 2014, p. 303 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 527. De parlementaire geschiedenis is op dit punt iets voorzichtiger. Zie M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1237, waar te lezen valt dat de faillissementsbestendigheid van deze onvoltooide levering ‘twijfelachtig’ is. Anders: Van Swaaij 2000, p. 54-57 en p. 242-243 (zie over diens opvatting nog hierna in par. 4.8.3.2) en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 242. Fataal is hier zowel het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid op het moment dat de leveringshandeling – door vervulling van de voorwaarde – wordt voltooid, alsook de omstandigheid dat de levering voordien nog niet voltooid is. Zoals in de hoofdtekst is uiteengezet, kan namelijk niet goed worden volgehouden dat de leveringshandeling al voltooid zou zijn door bezitsverschaffing onder voorwaarde, terwijl de koper het bezit pas verkrijgt op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat. Pas door de daadwerkelijke bezitsverkrijging heeft de bezitsverschaffing namelijk plaatsgevonden. Vergelijkbaars wordt aangenomen in het Duitse recht. Zie paragraaf 4.8.3.2.
M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1238 en de in de vorige noot genoemde literatuur. Zie voor Oostenrijk Klang/Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 54.
M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1237. Zie ook HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser), rov. 4.2.2 alwaar hij overweegt dat ‘de wetgever ter zake van een overdracht onder eigendomsvoorbehoud een systeem voor ogen heeft gestaan waarin deze overdracht– behoudens afwijkend beding – wordt aangemerkt als een overdracht onder opschortende voorwaarde, waarbij de levering van de desbetreffende roerende zaken is voltooid op het moment dat de zaken in de macht van de verkrijger zijn gebracht.’ In de eerdere parlementaire geschiedenis zijn aanknopingspunten te vinden voor de gedachte dat de wetgever, althans Meijers, uitging van een levering onder voorwaarde. Zie het meest duidelijk T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 318. Voorzichtigheid is echter geboden, omdat veelal niet duidelijk wordt of met levering niet overdracht wordt bedoeld, aangezien men deze begrippen niet duidelijk placht te onderscheiden. Zie bijv. T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 185-186, alwaar wordt gesproken van een overdracht onder voorwaarde. Zie ook de opmerkingen van Faber 1997, p. 209, voetnoot 90, Scheltema 2003, p. 312, voetnoot 17 en Faber 2007, p. 39, voetnoot 15. Wat hiervan ook zij, de wetgever heeft in een later stadium buiten twijfel gesteld dat sprake is van een overdracht onder voorwaarde (zie bijv. M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388 en M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 145) en heeft zich in het kader van het eigendomsvoorbehoud nadrukkelijk gekeerd tegen de gedachte van een voorwaardelijke levering (M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1237-1238). Anders: Peter 2007, p. 140 en Stolz 2015, p. 927-931, i.h.b. p. 929. Laatstgenoemde gaat ervan uit dat waar overdracht is geschreven, levering wordt bedoeld omdat anders sprake zou zijn van een tournure bij de wetgever. Dat is niet het geval. Veeleer werd in de oudere parlementaire geschiedenis niet onderscheiden tussen de levering als handeling en de bewerkstelligde rechtsovergang, terwijl dit later in de parlementaire geschiedenis wel is gedaan. Zie ook hiervoor in voetnoot 47.
Verstijlen 2007, p. 825, Reehuis 2013, nr. 21, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 239, Abendroth 2013, p. 320-321, Rongen 2014, p. 303 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 528. Ten onrechte brengt de Hoge Raad art. 3:91 BW dan ook in verband met een voorwaardelijke levering in HR 13 juli 2001, NJ 2001, 506 (Turkse verloving), rov. 3.4.2. Hoogstwaarschijnlijk spreekt hij daar abusievelijk van levering waar overdracht wordt bedoeld. Zie Faber 2007, p. 40, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 132, voetnoot 80, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 239 en Stolz 2015, p. 991, voetnoot 331.
Wanneer met de voorwaardelijkheid van de levering wordt gedoeld op de leveringshandeling, dat wil bij roerende zaken zeggen: de bezitsverschaffing van artikel 3:90 BW,1 moet deze constructie worden verworpen. Zo een dergelijke constructie al mogelijk is, waarvoor men dient te aanvaarden dat bezit voorwaardelijk kan worden verschaft,2 heeft zij niet het gewenste effect.
Hier wreekt zich de omstandigheid dat de leveringshandeling een bijzondere karaktertrek heeft, omdat het resultaat van die handeling onderdeel is van het leveringsvereiste zelf. De levering heeft daardoor pas plaatsgevonden als het resultaat van die leveringshandeling is bereikt. Zo is voor de levering van roerende zaken niet voldoende dat de zaak aan de koper wordt overhandigd, maar is eveneens vereist dat deze overhandiging erin resulteert dat de koper bezitter wordt. Dit betekent dat de bezitsverschaffing van een roerende zaak pas heeft plaatsgevonden op het moment dat het resultaat van die overhandiging, namelijk de bezitsverschaffing, ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Of anders gezegd: aangezien het resultaat van de levering – het verschafte bezit – onderdeel uitmaakt van de voltooiing van de leveringshandeling, kan nog niet gesproken worden van een voltooide leveringshandeling, zolang het resultaat van die handeling is uitgebleven. Om deze reden is het bij de leveringseis van bezitsverschaffing niet mogelijk om een scheiding aan te brengen tussen de totstandkoming van de leveringshandeling en het daaruit voortspruitende gevolg, aangezien de levering pas daadwerkelijk tot stand is gekomen op het moment dat het gevolg ook is ingetreden. Als partijen de werking van de leveringshandeling derhalve door een opschortende voorwaarde uitstellen, heeft dit tot gevolg dat de leveringshandeling in werkelijkheid nog niet heeft plaatsgevonden. Bij een bezitsverschaffing onder opschortende voorwaarde blijkt dit duidelijk uit de omstandigheid dat de vervreemder in een zodanig geval gedurende de periode van onzekerheid nog bezitter is, zodat niet gezegd kan worden dat het bezit al aan de verkrijger is verschaft. De strekking van de opschortende voorwaarde is immers dat het bezit pas overgaat op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat. De leveringshandeling is dan pas voltooid op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat en de verkrijger bezitter wordt.
Daaruit blijkt dat de voorwaardelijkheid van de leveringshandeling in de weg staat aan de totstandkoming van de overdracht voor het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat.3 Omdat een overdracht pas tot stand kan komen als (volledig) aan de leveringseis is voldaan, komt hoogstens een overdracht tot stand op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat. Het ontbreken van het voltooien van de leveringshandeling belet aldus dat reeds een overdracht wordt gerealiseerd.4 Met een voorwaardelijke leveringshandeling kan dus in het geheel geen voorwaardelijke overdracht tot stand worden gebracht. Hieruit blijkt dat het verrichten van de leveringshandeling een vereiste is dat vervuld moet zijn, alvorens überhaupt een overdracht tot stand kan komen en geen figuur is aan de hand waarvan de rechtsgevolgen van de overdracht kunnen worden gemodelleerd.5
De omstandigheid dat de voorwaardelijkheid van de leveringshandeling belet dat reeds een voorwaardelijke overdracht wordt bewerkstelligd, heeft vergaande consequenties.6 De verkoper is onvoorwaardelijk eigenaar gebleven en kan de eigendomsverkrijging door de koper doen mislukken door de zaak in de tussentijd aan een ander over te dragen,7 bijvoorbeeld door middel van een onvoorwaardelijke overdracht die gepaard gaat met een levering c.p. of longa manu.8 Het enkele feit dat de verkoper reeds voorwaardelijk heeft geleverd aan de koper maakt hem immers niet beschikkingsonbevoegd.9 Gedurende de periode van onzekerheid is hij eigenaar en bezitter en kan hij de zaak vervreemden aan een derde. Vanwege het feit dat de leveringshandeling aan de koper nog niet is voltooid, staat een tussentijds ingetreden faillissement van de verkoper bovendien aan voltooiing van de overdracht in de weg (art. 23 Fw en art. 35 Fw).10 Ook heeft de uitgestelde werking van de leveringshandeling tot gevolg dat het toetsmoment van de goede trouw bij beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder (art. 3:86 BW) wordt verlegd naar het moment van intreden van de voorwaarde.11
Juist vanwege deze redenen heeft de wetgever de figuur van de voorwaardelijke leveringshandeling uitdrukkelijk verworpen bij het eigendomsvoorbehoud: de wetgever wilde met artikel 3:91 BW juist bewerkstelligen dat de positie van de koper faillissementsbestendig is. Daarvoor is een onvoorwaardelijke leveringshandeling noodzakelijk, omdat alleen daardoor de levering terstond voltooid is, zodat direct een overdracht tot stand kan komen.12 De wetgever voelde zich daarom genoodzaakt een afzonderlijke leveringsbepaling op te nemen voor het eigendomsvoorbehoud, althans de overdracht onder opschortende voorwaarde, teneinde het mogelijk te maken dat de levering bij het eigendomsvoorbehoud terstond onvoorwaardelijk kan geschieden.13 Samenvattend kan daarmee worden vastgesteld dat de voorwaardelijkheid van de leveringshandeling geen verklaring kan bieden voor de constructie van het eigendomsvoorbehoud.