Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.6.4
7.6.4 Dieren
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS302824:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. gesch. Boek 6, p. 763; Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1382. Vgl. ook Hof Amsterdam 10 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4170 (Gestald paard), r.o. 3.5.
Zie ook Hartlief die in zijn NJ-noot onder het Hangmat-arrest aangeeft dat art. 6:179 niet uitgaat ‘van de gebrekkigheid van een bepaalde zaak, doch eerder van inherente aan de zaak verbonden gevaren (de eigen energie van het dier).’ In dezelfde zin is Zeeman 2016, p. 124; Haazen 2017, p. 65.
Deze teneur is ook te herkennen in de afwijzende oordelen in HR 29 januari 2016, NJ 2016/173, m.nt. Hartlief (Paard Imagine) en Rb. Den Haag 4 maart 2015, JA 2015/79 (Hond Jengo). Denk ook aan de geregelde toepassing van art. 6:101 ingeval iemand zich vrijwillig ‘inlaat’ met het dier van een ander en door de eigen energie daarvan schade lijdt. Zie HR 25 oktober 2002, NJ 2004/556, m.nt. Hijma (Bunink/Nieuw Amstelland).
Parl. gesch. Boek 6, p. 747.
Zie in deze zin omtrent een in bewaring gegeven gevaarlijke stof – die tot dezelfde groep gevaarsobjecten als een dier behoort – Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 43.
Zie art. 7:603 lid 1: ‘De bewaarnemer mag de zaak slechts gebruiken voor zover de bewaargever daarvoor toestemming heeft gegeven, of het gebruik nodig is om de zaak in goede staat te houden of te brengen.’ Een dergelijk gebruik door de bewaarder is zelfs als een feitelijk handelen met het dier aan te merken.
Parl. gesch. Boek 6, p. 747.
Zie ook par. 6.6.4.3.
Op grond van art. 7:600 is de bewaarnemer verplicht de aan hem door de bewaargever toevertrouwde zaak te bewaren en terug te geven.
HR 10 juli 2015, NJ 2015/321 (Searocco/Altena), r.o. 3.3.2. Voorts geldt dat de wettelijke regeling van bewaarneming (art. 7:600-607) geen regeling kent van door een in bewaring gegeven zaak veroorzaakte schade aan een derde (lees: iemand die buiten de bewaarnemingsovereenkomst staat).
Zie in deze zin Parl. gesch. Boek 6, p. 747; Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 43, over de aansprakelijkheid van de bewaarder van gevaarlijke stoffen, voor wiens risico’s ingevolge art. 6:181 jo. 174 ook komen gebreken in opslagtanks waarin deze stoffen worden bewaard.
Overigens behoeft de bewaarder gelet op de voor opstallen blijkens art. 6:181 lid 1 geldende tenzij- clausule in dit soort gevallen bepaald niet altijd de ex art. 6:174 aansprakelijke te zijn. Dit lijkt bij de parlementaire totstandkoming uit het oog te zijn verloren waar in de toelichting als ‘steunargument’ wordt gewezen op de aansprakelijkheid ex art. 6:181 jo. 174 van de in art. 6:175 bedoelde bewaarder van gevaarlijke stoffen voor gebreken in opslagtanks. Zie Parl. gesch. Boek 6, p. 747.
Rutgers 1998, p. 21 over niet alleen Duitsland maar ook Oostenrijk en Zwitserland.
Vgl. ook Schelhaas e.a. 2016, p. 383, waar de vergaande aansprakelijkheid van de bewaargever ex art. 7:601 lid 3 in ieder geval redelijk wordt geacht ingeval de bewaarnemer geen loon ontvangt. De professionele bewaarnemer waarop ik doel in relatie tot art. 6:181 zal zijn activiteiten echter vrijwel altijd tegen bewaarloon verrichten. Vgl. voor dit laatste ook Schelhaas e.a. 2016, p. 381.
Vgl. ook Asser/Van Schaick 7-VIII 2018/34, waar omtrent art. 7:601 lid 3 wordt aangegeven: ‘Naar Nederlands recht onttrekt de bewaargever zich slechts aan zijn aansprakelijkheid als (hij bewijst dat) de bewaarnemer bij het aangaan van de overeenkomst het risico dat zich heeft verwezenlijkt, impliciet of expliciet van de bewaargever heeft overgenomen.’ In geval van het in bewaring geven van dieren zou hiervan mijns inziens sprake kunnen zijn: de (professionele) bewaarnemer wordt geacht het aansprakelijkheidsrisico van door het dier uit eigen energie aan te richten schade te hebben aanvaard.
Met name art. 7:608 lid 2 vertoont overeenkomsten met de paardensprongregeling in art. 8:364 (jo. 8:1081), waaruit volgt dat de aansprakelijkheid van de vervoerder jegens derden niet verder gaat dan zijn aansprakelijkheid uit de vervoersovereenkomst. Gedacht kan hier worden aan het geval waarin een derde eigenaar is van de in bewaring gegeven zaak en de bewaarnemer buiten overeenkomst aanspreekt.
In de toelichting op art. 7:601 lid 3 is niet ingegaan op dit soort schadegevallen. Zie tevens Schelhaas e.a. 2016, p. 383, waar ervan wordt gesproken dat een vergaande aansprakelijkheid van de bewaargever ex art. 7:601 lid 3 redelijk is ‘in de contractuele context van bewaarneming’.
Als gezegd valt zuivere besmettingsschade niet onder de reikwijdte van art. 6:179 (zie par. 6.5.3.4). Ingevolge art. 6:181 jo. 179 is (ook) de bewaarnemer dus niet met een dergelijke aansprakelijkheid te belasten. Bij dit laatste past de redenering dat in geval een dier dat drager is van ziektekiemen in bewaring wordt gegeven, de bewaarnemer voor daardoor aangerichte zuivere besmettingsschade niet ex art. 6:181 jo. 179 aansprakelijk behoort te zijn, nu de bewaarnemer kan worden gezien als ‘houder’ ten aanzien van het ‘gedrag’ (de eigen energie) maar niet ten aanzien van de ‘structuur’ van het dier. Dit laat ook ruimte voor de opvatting van Verheij (Schelhaas e.a. 2016, p. 382-383), dat de bewaargever (bezitter) voor zuivere besmettingsschade op grond van art. 7:601 lid 3 (wél) aansprakelijk kan zijn tegenover de bewaarnemer.
Vgl. HR 28 november 1997, NJ 1998/168 (Smits/Royal Nederland), over het niet functioneren van de koelruimte van een bewaarnemer van een partij kaaspoeder. De aansprakelijkheid van de bewaarnemer in deze zaak werd overigens gegrond op art. 6:77, het contractuele equivalent van het buitencontractuele art. 6:181.
Vgl. ook par. 6.6.4.3, waaruit volgt dat de gevaarlijke stoffen en dieren tot dezelfde groep gevaarsobjecten behoren aangezien zij om een andere reden dan een ‘gebrek’ verhoogd gevaarlijk zijn.
Met ‘derden’ wordt gedoeld op personen die buiten de vervoersovereenkomst staan.
Vgl. ook Schut 1963, p. 201-203 die inzake art. 1404 OBW aangeeft dat in geval van het aanknopen van de aansprakelijkheid bij de zorg voor het dier, de aansprakelijkheid rust op de huurder en bruiklener, de bewaarder/stalhouder, het asiel, de vervoerder en onder omstandigheden ook op de hoefsmid en dierenarts.
Ontleend aan Oldenhuis, AV&S 2005/25. Hier geldt dat de aansprakelijkheid van de vervoerder ex art. 6:181 jo. 173 overigens niet altijd aan de orde hoeft te zijn, namelijk niet in gevallen die door afd. 6.3.3 BW (productenaansprakelijkheid) worden bestreken.
Ingeval een dier tijdens bewaarneming of vervoer ontsnapt en een derde schade toebrengt, kan mogelijk ook aan toepasselijkheid van art. 6:162 worden gedacht ten aanzien van de bewaarder/ vervoerder.
Tevens is met het aanvaarden van een kwalitatieve aansprakelijkheid van (ook) de bewaarder van een dierex art. 6:181 jo. 179 een oplossing gevonden voor het in de literatuur (Keijzer en Oldenhuis 2011, p. 100; Van Swaaij en Pluymen 2011, p. 302) naar voren gebrachte sprekende voorbeeld van een krokodil die in de dierentuin ontsnapt en een bezoeker verwondt. Zowel in geval van het tentoonstellen van dit dier (‘gebruiken’) als in geval van bewaarneming voor een andere dierentuin (‘bewaren’) rust de aansprakelijkheid ex art. 6:181 jo. 179 op de dierentuin waar de krokodil verblijft.
Par. 7.8.
Art. 6:179 beschermt tegen het ‘verhoogde gevaar’ dat schuilt in de eigen energie van dieren en het onberekenbare element dat daarin ligt besloten.1 Het gevaar zit in de eigenschappen die een dier als levend wezen nu eenmaal heeft. De aansprakelijkheid van art. 6:179 is – net zoals die van art. 6:175 maar anders dan die van art. 6:173 – niet gekoppeld aan een gebrek, terwijl dieren – evenals een gevaarlijke stof maar anders dan een roerende zaak – niet pas verhoogd gevaarlijk zijn in geval van een gebrek, maar naar hun aard.2 Voor het ontstaan van het verhoogde gevaar waartegen art. 6:179 beoogt te beschermen is, evenals bij gevaarlijke stoffen maar anders dan bij roerende zaken, een feitelijk handelen met het dier niet nodig: het ‘verhoogde’ gevaar is reeds gegeven met de enkele aanwezigheid van het dier. Aldus is de persoon die een dier onder zich houdt degene die het gevaar waartegen art. 6:179 beoogt te beschermen in de hand werkt of ‘opwekt’; hij schept de condities waarbinnen het in art. 6:179 bedoelde ‘verhoogde gevaar’ zich kan manifesteren. Net zoals degene die een gevaarlijke stof onder zich heeft, vergroot ook degene die een dier onder zich heeft niet enkel eenzijdig voor derden de kans op schade door verwezenlijking van het aan het dier verbonden gevaar, maar verkeert diegene tevens in de beste positie maatregelen te treffen om het door het dier aanrichten van schade te voorkomen. Kortom, degene die een dier houdt wordt geacht ‘het meest nabij’ te zijn, in de zin van het hebben van de grootste mate van invloed op de aan dit ‘gevaarsobject’ verbonden risico’s. In andere woorden, degene die ervoor kiest een dier te houden wordt daarmee geacht het aansprakelijkheidsrisico van door dit dier aan te richten schade te hebben aanvaard.3 Ook hier vallen, evenals bij gevaarlijke stoffen maar anders dan bij roerende zaken, zeggenschap over het gevaarsobject als zodanig en zeggenschap over het schadeveroorzakende element waartegen – in dit geval – art. 6:179 beoogt te beschermen samen. Zeggenschap over een dier brengt dus reeds ‘verantwoordelijkheid’ mee voor door dit dier aangerichte schade.
Hiermee verdraagt zich moeizaam dat in de wetsgeschiedenis in algemene zin is aangegeven dat de bewaarder van andermans zaken en dieren in beginsel van art. 6:181 is uitgezonderd.4 Als motivering is in de toelichting op art. 6:181 aangevoerd dat de band van de bewaarder met in bewaring gegeven zaken en dieren onvoldoende sprekend is om een kwalitatieve aansprakelijkheid te rechtvaardigen. Dit komt mij als het om dieren gaat niet overtuigend voor. Wanneer een dier bij een ander in bewaring wordt gegeven is het niet langer de ‘achterliggende’ bezitter of bedrijfsmatige gebruiker die de grootste mate van invloed heeft op het schadeveroorzakende element waartegen art. 6:179 beoogt te beschermen, maar de bewaarnemer. Het dier is immers – letterlijk – uit handen (lees: de invloedssfeer) van de bezitter/bedrijfsmatige gebruiker verdwenen, waarmee diens band met het dier sterk is afgenomen. De band die resteert, is in mijn ogen niet meer sprekend genoeg voor een kwalitatieve aansprakelijkheid, aangezien de bewaarder ten opzichte van de bezitter/gebruiker een sprekender band met de aan het dier verbonden risico’s heeft (verkregen).5 Anders dan de bewaarder van een roerende zaak maar evenals de bewaarder van een gevaarlijke stof, komt een kwalitatieve aansprakelijkheid van de bewaarder van een dier ingevolge art. 6:181 dus juist wel gerechtvaardigd voor. Daarvoor pleit bovendien nog dat ‘de bemoeienis’ van een bewaarder met een dier uit de aard der zaak doorgaans intensiever (sprekender) zal zijn dan in geval van een in bewaring gegeven (levenloze) roerende zaak. Denk aan de voor een dier als levend wezen benodigde verzorging, voeding, het weiden en mogelijk het zelfs van tijd tot tijd berijden om het dier in goede conditie te houden.6
De wetsgeschiedenis laat ook ruimte om de bewaarder van een dier ingevolge art. 6:181 (toch) met de aansprakelijkheid van art. 6:179 te belasten. De toelichting vermeldt namelijk dat het ‘in beginsel’ niet gerechtvaardigd ‘lijkt’ de bewaarnemer te belasten met het aansprakelijkheidsrisico voor door in bewaring gegeven zaken aangerichte schade.7 Erg stellig komt dit niet voor en dat deze uitlating niet voor alle in art. 6:173, 174, 175 en 179 te onderscheiden gevaarsobjecten geldt, blijkt reeds uit het feit dat de gevaarlijke stoffen van het uitzonderen van de bewaarder als aansprakelijke persoon zijn uitgezonderd (art. 6:175 lid 2). Gezien de in dit verband relevante overeenkomsten tussen een gevaarlijke stof en een dier,8 lijkt het in de rede te liggen dat wat voor de bewaarder van een gevaarlijke stof geldt ook opgaat voor de bewaarder van een dier (zij het op grond van art. 6:181 jo. 179). Hier komt bij dat in het Loretta-arrest inmiddels relevante obstakels uit de weg zijn geruimd die hadden kunnen beletten dat de bewaarnemer van zaken als ‘gebruiker’ in de zin van art. 6:181 kwalificeert. Geoordeeld werd dat voor ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 de aspecten ‘duurzaamheid’ en ‘ten eigen nutte’ niet zijn vereist. Dat is voor een mogelijke toepassing van art. 6:181 jo. 179 op de bewaarder van een dier van belang, aangezien bewaarneming naar zijn aard tijdelijk is9 en geacht wordt ‘ten nutte van’ de bewaargever te strekken.10 Een steunargument voor een kwalitatieve aansprakelijkheid van de bewaarder van dieren ex art. 6:181 jo. 179 ligt nog in het feit dat gebreken in zaken waarin of waarmee zij doorgaans worden ‘bewaard’ eveneens voor diens risico komen.11 Denk aan een staldeur of longeerlijn die het tijdens de bewaarneming plotseling begeeft, als gevolg waarvan een dier ontsnapt en op de openbare weg een verkeersongeval veroorzaakt.12
Wel lijkt een aansprakelijkheid van de bewaarnemer ex art. 6:181 jo. 179 op gespannen voet te staan met de hiervoor al genoemde regel van art. 7:601 lid 3, inhoudende dat de bewaargever de bewaarnemer de schade moet vergoeden die deze laatste als gevolg van de bewaarneming heeft geleden. Ten eerste kan evenwel worden opgemerkt dat dieren strikt genomen niet (meer) onder deze regel vallen: de wettelijke regeling van ‘Bewaarneming’ ziet op ‘zaken’ (art. 7:600), terwijl dieren sinds 2013 (invoering art. 3:2a) geen zaken meer zijn. Art. 3:2a bepaalt echter tegelijkertijd wel dat bepalingen met betrekking tot ‘zaken’ in beginsel op dieren van toepassing zijn. Voorts lijkt de regel van lid 3 van art. 7:601 te scharnieren om schade aan de bewaarnemer door een ‘eigen’ (verborgen) gebrek van de in bewaring gegeven zaak. Hiervan is in geval van een aansprakelijkheid ex art. 6:179 geen sprake, nu het verhoogde gevaar waartegen zij beoogt te beschermen nu juist niet uit een gebrek voortvloeit, maar zoals zojuist gezegd uit eigenschappen die een dier als levend wezen nu eenmaal heeft. In de toelichting op art. 7:601 lid 3 is echter wel aangegeven dat schade toegebracht aan de bewaarnemer door een in bewaring gegeven ‘zaak’ (ervan uitgaande dat dit ook voor dieren geldt) steeds geheel voor risico van de bewaargever komt, ongeacht of deze het gebrek/gevaar kende of behoorde te kennen en ongeacht of de bewaarnemer dit bij de afgifte van de zaak had kunnen ontdekken. Redengevend wordt daartoe geacht dat de zaak zich in het belang van de bewaargever bij de bewaarnemer bevindt.13 Relevant is evenwel dat in andere landen, zo geeft de toelichting ook aan,14 wel anders wordt gedacht over de voornoemde risicoverdeling tussen bewaargever en bewaarnemer. Het gaat dan vooral om Duitstalige codificaties. Zo dient bijvoorbeeld in Duitsland de bewaargever de bewaarnemer de schade te vergoeden, tenzij de bewaargever de ‘gevaarverhogende omstandigheid’ kende noch behoorde te kennen, dan wel tenzij hij de bewaarnemer op die omstandigheid heeft gewezen of de bewaarnemer deze, zonder daarop opmerkzaam te zijn gemaakt, heeft gekend.15 Van dieren is, zeker voor een professionele bewaarder, bekend dat deze onberekenbaar gedrag kunnen vertonen.16 Oftewel, er is sprake van een gebrek/gevaar dat de bewaarnemer kent of heeft moeten kennen. Verdedigbaar is dat in een dergelijk geval een aansprakelijkheid van de bewaargever niet op haar plaats is, hetgeen ruimte biedt voor een aansprakelijkheid van de bewaarnemer ex art. 6:181 jo. 179.17 Hiernaast kan bedacht worden dat art. 7:601 lid 3 enkel ziet op schade die door in bewaring gegeven zaken in het kader van de bewaarnemingsovereenkomst wordt aangericht, waarbij ingevolge art. 7:608 nog geldt dat ook ‘derden’, personen die buiten de bewaarnemingsovereenkomst staan, deze overeenkomst tegengeworpen kunnen krijgen.18 Art. 7:601 lid 3 ziet derhalve niet op schade van ‘derden-benadeelden’ maar enkel op schade aan zaken van de bewaarnemer zelf of aan zaken van derden jegens wie de bewaarnemer aansprakelijk is.19 De achtergrond van de daarvoor geldende aansprakelijkheid van de bewaargever is als gezegd dat de zaak zich in zijn belang onder de bewaarnemer bevindt. Aansprakelijkheid voor schade toegebracht door een in bewaring gegeven zaak buiten de bewaarnemingsovereenkomst – een paard breekt los en veroorzaakt een verkeersongeval op de openbare weg – betreft in mijn ogen een vraag van andere orde.20 Anders dan in de verhouding tussen de bewaarnemer en bewaargever, is voor de verdeling van het aansprakelijkheidsrisico in de verhouding tussen de bewaarnemer en de ‘derde-benadeelde’ een eventuele niet-aansprakelijkheid van de bewaarnemer in ieder geval niet te gronden op het aspect ‘in wiens belang’ de betreffende zaak zich bij de bewaarnemer bevond. Mijns inziens is veeleer van belang dat de bewaarnemer in de beste positie verkeert de aan het dier verbonden risico’s te beïnvloeden, van welke zorg voor de zaak ‘derden’ voor hun veiligheid afhankelijk zijn.21 En nu is het profijtbeginsel juist ondersteunend voor een aansprakelijkheid van de bewaarnemer, in die zin dat deze voor zijn activiteiten een vergoeding (van de bewaargever) zal ontvangen. Ook het aspect van opspoorbaarheid – de bewaarnemer zal voor een ‘derde’ doorgaans gemakkelijker op te sporen zijn dan de ‘achterliggende’ bewaargever/eigenaar – en dat van verzekering/schadespreiding wijzen in de richting van een aansprakelijkheid van de professionele bewaarnemer. Hierbij kan nog worden bedacht dat deze bewaarnemer ingevolge art. 6:181 ook kwalitatief aansprakelijk is voor de (gebrekkige) zaken waarvan hij zich bedient ter uitvoering van de bewaarnemingsovereenkomst.22 Een aansprakelijkheid ex art. 6:181 van de bewaarnemer van de in art. 6:179 bedoelde dieren, zou tot slot aansluiten bij de aansprakelijkheidsregeling voor de in art. 6:175 bedoelde gevaarlijke stoffen (waarmee de dieren in het kwalitatieve aansprakelijkheidsrecht in zekere zin op één lijn zijn gesteld):23 hoewel een gevaarlijke stof ook kan vallen onder de in art. 7:600 jo. 7:601 lid 3 bedoelde ‘zaken’ (met geen aansprakelijkheid van de bewaarnemer maar de bewaargever tot gevolg),24 rust op grond van art. 6:175 lid 2 de buitencontractuele aansprakelijkheid (jegens ‘derden’) toch op de bewaarnemer.
In het perspectief van een aansprakelijkheid ex art. 6:181 jo. 179 van de bewaarnemer van dieren, past ook dat de vervoerder van een dier – evenals de vervoerder van een gevaarlijke stof – is belast met de kwalitatieve aansprakelijkheid voor schade door het dier aan derden toegebracht gedurende het vervoer.25 Een feitelijk handelen met het dier is immers niet vereist om het verhoogde gevaar waarop art. 6:179 ziet te scheppen, terwijl van de vervoerder kan worden gezegd gedurende het vervoer de grootste mate van invloed te hebben op de aan (het onberekenbare gedrag van) de vervoerde dieren verbonden risico’s.26 Een steunargument voor een kwalitatieve aansprakelijkheid van de vervoerder van dieren ex art. 6:181 jo. 179 kan hier gevonden worden in het feit dat gebreken in zaken waarmee de dieren worden vervoerd eveneens voor diens risico komen (art. 6:181 jo. 173). Denk aan een veewagen waarvan tijdens het vervoer een deur plotseling bezwijkt, als gevolg waarvan het vee de snelweg oprent met een ernstig verkeersongeval tot gevolg.27 Bovendien zal in geval van schade door een dier tijdens zowel bewaarneming als vervoer gelden dat vanuit het perspectief van de benadeelde de bewaarder/vervoerder, en niet de ‘achterliggende’ bezitter of gebruiker, het gemakkelijkst traceerbaar is en als ‘meest nabij’ het meest logische aanspreekpunt vormt.28
Gezien de door mij verdedigde reikwijdte van art. 6:181 jo. 179 was het in de Loretta-zaak zonder meer duidelijk dat manege De Gulle Ruif – waar het paard ter belering tijdelijk was ondergebracht –, en niet bezitter Van de Water, kwalitatief aansprakelijk was voor de door het paard aangerichte schade. Nu de manege het paard (langdurig) onder zich had, was zij degene met de grootste mate van zeggenschap over het schadeveroorzakende element waartegen art. 6:179 beoogt te beschermen: de manege creëerde reeds met het houden van het paard het in art. 6:179 bedoelde ‘verhoogde gevaar’ voor anderen, terwijl de manege ook in de beste positie verkeerde invloed op de aan het paard verbonden risico’s uit te oefenen. Een (discussie over het) ‘gebruikmaken’ van het paard, in de zin van een feitelijk handelen met dit dier, was aldus helemaal niet nodig om ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 te kunnen aannemen.29 De vraag of íedere professional aan wie andermans dier tijdelijk wordt toevertrouwd – denk aan de dierenarts, hoefsmid, ruiter, jockey of dompteur – als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ ex art. 6:181 jo. 179 kwalificeert, komt verderop in dit boek nader aan de orde.30