Verrekening door de fiscus
Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/4.9.3:4.9.3 Verrekening door de fiscus bij derdenbeslag
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/4.9.3
4.9.3 Verrekening door de fiscus bij derdenbeslag
Documentgegevens:
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS612060:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1988-1989, 20 588, nr. 6, p. 39.
Handelingen II 1988-1989, 20 588, nr. 9, p. 24-25.
Zie eveneens § 2.4.7.
Handelingen II 13 december 1989, 20 588, p. 22-776.
Hier zal zijn bedoeld het vereenvoudigd derdenbeslag van art. 19 lid 11w 1990.
Zie § 2.2.6.
Handelingen II 2010-2011, 32 505, nr. 3, p. 44 (Overige fiscale maatregelen 2011). Zie eveneens V-N 2010/49.6, p. 138.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onderwerp derdenbeslag onder de fiscus is in de wetsgeschiedenis van artikel 24 Iw 1990 diverse malen aan de orde geweest. In de Memorie van Antwoord1 wordt gereageerd op het voorstel van de K.B.O. om derdenbeslag onder de ontvanger alleen toe te staan indien de ontvanger daarvoor toestemming zou geven:
"Het voorstel van het K.B.O. om voor derdenbeslag een analoge regeling te treffen als voor cessie achten wij niet wenselijk. Het zou naar ons oordeel te ver gaan indien een derde, alvorens onder de ontvanger derdenbeslag te leggen, daarvoor eerst toestemming aan die ontvanger zou moeten vragen."
In de Nota naar aanleiding van het Eindverslag2 wordt ingegaan op de relatie tussen de cessie en het derdenbeslag onder de fiscus:
"De vraag van de leden van de P.v.d.A.-fractie of de samenhang tussen het eerste en het vierde lid nu zodanig gelezen moet worden dat indien de belastingschuldige niet bereid is een vordering op de ontvanger te cederen de derde schuldeiser weliswaar derdenbeslag kan leggen onder de ontvanger maar deze laatste toch tot compensatie kan overgaan, beantwoorden wij bevestigend.
Wij merken in dit verband op dat het bij een derdenbeslag in de eerste plaats gaat om een kwestie van rangorde van de schuldeisers. In die rangorde gaat de fiscus, bijzondere posities daargelaten, voor (zie artikel 22 van het voorstel). Daar doet niet aan af het feit dat een derdenbeslag is gelegd voor een vordering van een oudere datum dan de belastingschuld die de ontvanger wil compenseren. Immers voorrang staat in beginsel los van het ontstaan van vorderingen en het tijdstip van beslaglegging. Met andere woorden indien een schuldeiser bijvoorbeeld onder een derde beslag legt ten laste van de schuldenaar voor een vordering uit 1986 en de ontvanger legt daarna onder dezelfde derde beslag voor een belastingschuld uit 1987, zal de ontvanger in die situatie toch als eerste zijn vordering uit de opbrengst kunnen voldoen. Hetzelfde geldt in beginsel indien onder de ontvanger derdenbeslag gelegd wordt en de ontvanger daarna beslag legt onder zichzelf. Alleen ingeval de belastingschuld waarvoor het beslag wordt gelegd ten tijde van de eerste beslaglegging materieel nog niet was ontstaan kan dit beslag, ondanks de voorrang van de ontvanger, aan de eerste beslaglegger geen nadeel toebrengen.
Is het derdenbeslag een kwestie van rangorde van schuldeisers, de cessie heeft een ander karakter. Daar gaat het om de handel in het vrije verkeer van vorderingen. Dat vrije verkeer dient zo min mogelijk belast te worden. Vandaar dat wij hebben voorgesteld, dat cessie ook jegens de ontvanger werkt mits de ontvanger met de cessie heeft ingestemd. Met betrekking tot de vraag van de leden van de P.v.d.A-fractie of de beslaglegger niet in een nadeliger positie komt door de voorgestelde regeling dan in het huidige recht waarbij cessie en derdenbeslag vrijwel hetzelfde effect hebben voor de derde, merken wij op dat dit op het eerste gezicht wel zo lijkt, maar in feite niet zo is. Weliswaar kan de ontvanger thans een vordering niet compenseren als derdenbeslag op die vordering is gelegd maar de hiervoren beschreven mogelijkheid van de ontvanger om beslag onder zichzelf te leggen op een vordering waarop reeds derdenbeslag is gelegd, is ook onder het huidige recht aanwezig. De beslaglegger verkeert dus door de voorgestelde regeling veelal niet in een nadeliger positie dan in het huidig recht het geval is.
Wat betreft de verhouding tussen derdenbeslag en cessie merken wij op dat de voorgestelde regelingen en dan met name de voorwaarde tot instemming met een cessie door de ontvanger ertoe leidt dat deze twee verschillende rechtsfiguren dichter bij elkaar zijn gekomen. De «instemmingsvoorwaarde» voorkomt dat de voorrangspositie van de fiscus, die zoals hiervoren blijkt bij derdenbeslag niet in het geding is, door cessie wordt gefrustreerd.
De vraag of het niet voor de hand ligt de werking aan het derdenbeslag alleen te ontzeggen in de omstandigheden, welke ook aanleiding geven om de medewerking aan de cessie te onthouden en de daarbij te stellen criteria over te nemen beantwoorden wij gelet op het verschil in karakter tussen cessie en derdenbeslag ontkennend. Daarbij komt nog dat zoals wij ook al in de memorie van antwoord hebben opgemerkt, het naar ons oordeel te ver zou gaan indien een derde, alvorens onder de ontvanger derdenbeslag te leggen, daarvoor - evenals in de voorgestelde regeling voor cessie het geval is - eerst toestemming van die ontvanger zou moeten vragen (Kamerstukken H 1988/89, 20 588, nr. 6, blz. 39, laatste volle alinea). Ook de vraag of een vrijere uitleg van het eerste lid van artikel 25 kan leiden tot de opvatting dat alleen schuldvergelijking is uitgesloten, zodat de werking van artikel 1470, tweede lid, van het burgerlijk Wetboek blijft gelden beantwoorden wij ontkennend. De constatering van deze leden dat het dan ook niet mogelijk is voor de schuldeiser na een door de ontvanger geweigerde cessie alsnog derdenbeslag te leggen is in praktische zin juist. Theoretisch bestaat wel de mogelijkheid tot het leggen van derdenbeslag maar deze zal geen effect hebben, gelet op de bevoegdheid van de ontvanger om toch te compenseren."
Uit dit citaat valt af te leiden dat het de bedoeling is van de wetgever dat de ontvanger, ondanks een derdenbeslag op een belastingteruggaaf aan een belastingplichtige, bevoegd blijft tegenvorderingen op deze belastingplichtige te verrekenen volgens de regels van artikel 24 Iw 1990.3 Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel voor de Iw in de Tweede Kamer reageerde het toenmalige kamerlid Van Dis op de hiervoor geciteerde opmerkingen uit de Nota naar aanleiding van het Eindverslag:4
"Na kennisneming van de nota naar aanleiding van het eindverslag moeten wij constateren dat, als de ontvanger tot compensatie kan overgaan, de derdenbeslaglegger in een machteloze positie verkeert. Hij wordt te allen tijde ten achter gesteld. Wij zouden graag zien dat de regering nog eens ingaat op de vraag of deze consequentie van artikel 25 beoogd, noodzakelijk en gerechtvaardigd is. Wat er ook zij van de specifieke aard van de vordering van de fiscus, wij mogen niet vergeten dat tegenover de vordering van de derdenbeslaglegger meestal een prestatie - ik denk aan levering van goederen en diensten - zijnerzijds zal staan. Dit alles moet dan nog in het licht worden gezien van het feit dat onder deze derde vereenvoudigd derdenbeslag5 kan worden gelegd, als hij bepaalde betalingen aan de belastingschuldige verschuldigd is."
Op deze opmerkingen en vraagstelling is tijdens de parlementaire behandeling niet meer ingegaan. De regering achtte dit onderwerp blijkbaar voldoende behandeld. Naar mijn mening zou een analoge toepassing van artikel 6:130 lid 2 BW voor verrekening door de fiscus na beslaglegging hier het meest voor de hand liggen.6 Ingewikkelde betogen over de voorrangspositie van de fiscus, zoals door de Iw-wetgever aangevoerd, zijn dan overbodig, aangezien artikel 6:130 lid 2 BW reeds een afgewogen regeling geeft voor verrekening na derdenbeslag.
Teneinde aan de discussie over de verrekeningsmogelijkheid van de fiscus bij derdenbeslag op de teruggaaf een einde te maken, heeft de wetgever per 1 januari 2011 aan artikel 24 lid 1 Iw 1990 een tweede volzin toegevoegd, met als inhoud dat verrekening door de fiscus eveneens mogelijk is wanneer op een aan de belastingplichtige uit te betalen bedrag beslag is gelegd. De wetgever beargumenteert deze toevoeging door te wijzen op onduidelijkheid die in de praktijk ten aanzien van dit onderwerp blijkt te zijn ontstaan na de invoering van de vierde tranche Awb per 1 juli 2009.7