Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/2.3.2.2
2.3.2.2 Dereguleren vanwege regelgroei
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS501097:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Doorn vond het ‘merkwaardig’ dat Nederland langdurig zo weinig aandacht heeft gehad voor deze Amerikaanse deregulering. Hij vond het niettemin wel verklaarbaar: “Een belangrijk deel van de verklaring van deze geringe belangstelling moet ongetwijfeld worden gezocht in het cruciale feit dat deregulering vooralsnog meer wens dan werkelijkheid is.” (Van Doorn, Beleid & Maatschappij 1982/8, p. 183).
In die woorden sprak het toenmalige hoofd ‘Constitutionele Zaken en Wetgeving’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Henc van Maarseveen (Van Maarseveen, NJB 1978/1, p. 1.).
WRR 1980, nr. 18, p. 270.
Zie de Commissie vermindering en vereenvoudiging van overheidsregelingen (vz. L.A. Geelhoed), Deregulering van overheidsregelingen; Kamerstukken II 1983/84, 17931, 9.
Zie, bijvoorbeeld, het betoog van Fockema Andreae, nu meer dan een eeuw geleden (Fockema Andreae 1913). De auteur spreekt al over lawineachtig aanzwellen van wetgeving, waarbij de Verenigde Staten en Duitsland als afschrikwekkende voorbeelden gelden. In Nederland valt het volgens Fockema Andreae nog wel mee, wat hij vooral verklaart uit parlementaire luiheid. Daarom wordt het nodige buiten het parlement geregeld in AMvB’s. Ook wijst de auteur op een toename van internationale regelgeving die onze wetgeving op rijksniveau dreigt te verdringen.
Een voorbeeld van recente publicaties hierover zijn: Zouridis, Wieringa & Niemeijer, NJB 2016/19, p. 1137-1342. Zie voor een reactie daarop: Van Gestel & Van Lochem, RegelMaat 2016/5, p. 289-401. Zij wijzen onder meer op de Regelmonitor 2013, waaruit blijkt dat van een opvallende groei van wetgeving, zoals gesteld door Zouridis, Wieringa & Niemeijer, geen sprake is. Over lagere regelgeving, in casu de ministeriële verordeningen, rekenden Van den Berg en Dijkstra uit dat sinds het kabinet-Rutte I zelfs sprake is van een verviervoudiging! (Van den Berg & Dijkstra, RegelMaat 2015/4, p. 247-266.) Maar ook deze bewering blijkt feitelijk onjuist. Vester toonde aan dat wel van vernieuwing, maar niet van enige groei sprake is (Vester, RegelMaat 2016/4, p. 321-323).
Hoewel men de opkomst van ons wetgevingsbeleid in de jaren tachtig wel heeft getypeerd als een late reactie op de Amerikaanse deregulering1, bleek de Nederlandse dereguleringsaanpak aanmerkelijk ambitieuzer. De nood was hier kennelijk hoog of werd in elk geval zo ervaren. Die nood werd allereerst veroorzaakt door een algemeen gevoel dat de verzorgingsstaat – ook wel aangeduid als sociale rechtsstaat – een verstikkende normenvloed had veroorzaakt. Men sprak wel in termen van ‘opzwelling van onze rechtsorde‘ die onze samenleving ‘onleefbaar’ zou maken2 en van ‘institutionele aderverkalking’3. Naast deze opvatting over het verstikkende, dichtslibbende effect van wetgeving, lag aan de eerste formulering van het wetgevingsbeleid ten grondslag het streven naar meer sturingscapaciteit van de overheid en de vrees voor een afnemend gezag van de wet.4 Het gaat hier om het verzet tegen de omvang van de wetgeving.
Dat het hier in hoge mate om gevoelsuitingen en niet om feiten gaat, blijkt wel uit het feit dat uitlatingen over een overvloedige groei van onze wetgeving van alle tijden lijken te zijn5 en bovendien blijven aanhouden – niet alleen uit de mond van politici –, ook al blijkt die groei in werkelijkheid niet te bestaan.6 Bezwaren tegen de groei van wetgeving mankeren nogal eens feitelijke grondslag.
Bezwaren tegen de omvang doen vermoeden dat het aantal gerelateerd is aan een maatschappelijk effect. Dat effect is niet zo waarschijnlijk, in elk geval moeilijk vast te stellen. Hoewel nog altijd binnen en buiten de politiek bezwaren tegen het aantal regels kunnen worden vernomen, is de aandacht goeddeels verlegd naar de last die de regels met zich kunnen brengen.