Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/5.5.1.a
5.5.1.a Artikel 41 van het Handvest
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362982:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ van 31 maart 1992, zaak C-255/90 P, (Burban), punt 7; GvEA 9 juli 1999, zaak T-231/97, (New Europe Consulting), punt 41; zie ook: Keulemans 2016A onder 3.2 en 4.
Peers e.a. 2014, p. 1070: Peers e.a. signaleren dat artikel 41 van het Handvest alleen gericht is aan organen, instellingen en instanties van de Unie, maar dat er arresten van het Hof van Justitie zijn waarbij lidstaten worden gebonden aan artikel 41 van het Handvest.
HvJ 22 november 2012, zaak C-277/11, (M.), punt 82; HvJ 3 juli 2014, zaken C-129/13 en C-130/13, (Kamino), punt 29.
HvJ 22 november 2012, zaak C-277/11, (M.), punt 82.
HvJ 3 juli 2014, zaken C-129/13 en C-130/13, (Kamino), punt 29.
HvJ 17 december 2015, zaak C-419/14, (WebMindLicenses), punt 83; HvJ 5 november 2014, zaak C-166/13, (Mukarubega), punt 44; HvJ 17 juli 2014, zaken C-141/12 en C-372/12, (YS), punt 67 e.v.; HvJ 21 december 2011, zaak C-482/10, (Cicala), punt 28; Conclusie A-G Wathelet van 16 september 2015 in de zaak C-419/14, (WebMindLicenses), punt 137.
Zie ook: Keulemans 2016A onder 3.2.
Conclusie A-G Mengozzi van 13 januari 2016 in de zaak C-161/15, (Benallal), punt 27 e.v.
Conclusie A-G Wathelet van 25 juni 2014 in de zaak C-166/13, (Mukarubega), punt 51 e.v.
Zie ook: Keulemans 2016A onder 3.2.
Conclusie A-G Bobek van 7 september 2017 in de zaak C-298/16, (Ispas), punt 80.
Conclusie A-G Bobek van 7 september 2017 in de zaak C-298/16, (Ispas), punt 81.
Zie ook: Keulemans 2016A onder 3.2.
HvJ van 31 maart 1992, zaak C-255/90 P, (Burban); GvEA 18 september 1995, zaak T-167/94, (Nölle); GvEA 9 juli 1999, zaak T-231/97, (New Europe Consulting); HvJ 15 oktober 1987, zaak 222/86, (Unectef), punt 15; HvJ 18 oktober 1989, zaak 374/87, (Orkem); HvJ 21 november 1991, zaak C-269/90, (Technische Universität München); GvEA 6 december 1994, zaak T-450/93, (Lisrestal).
HvJ 15 oktober 1987, zaak 222/86, (Unectef).
Report on the application of the EU Charter of Fundamental Rights: jaren 2010 tot en met 2018; zie ook: Keulemans 2016A onder 3.2.
2014 Report on the application of the EU Charter of Fundamental Rights, p. 129.
GvEA 17 december 2015, zaak T-486/11, (Orange Polska); HvJ 18 juni 2015, zaak C-583/13 P, (Deutsche Bahn); GvEA 9 december 2015, zaken T-233/11 en T-262/11, (Helleense Republiek).
Conclusie A-G Bobek van 7 september 2017 in de zaak C-298/16, (Ispas), punt 83.
Zie ook: Nijnatten, van, 2018, zie visie M. Fierstra onder 5; Conclusie A-G Ettema van 4 juni 2019, nrs. 18/01694, 18/01696 en 18/03992, ECLI:NL:PHR:2019:780, onder 2.2 en Richardson onder 4.1.
HvJ 17 december 2015, zaak C-419/14, (WebMindLicenses), punt 83; HvJ 5 november 2014, zaak C-166/13, (Mukarubega), punt 44.
In artikel 41 van het Handvest is, zo blijkt uit de titel van het artikel, het recht op behoorlijk bestuur geregeld. Het artikel is opgenomen in het hoofdstuk over burgerschap van het Handvest en het eerste en tweede lid van artikel 41 van het Handvest luiden als volgt:
“1. Eenieder heeft er het recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.
2. Dit recht behelst met name:
a) het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen;
b) het recht van eenieder om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim;
c) de plicht van de betrokken diensten, hun beslissingen met redenen te omkleden.”
Blijkens de toelichting bij artikel 41 van het Handvest is dit artikel gebaseerd op het bestaan van de Unie als een rechtsgemeenschap waarvan de kenmerken zijn ontwikkeld in de jurisprudentie. In deze jurisprudentie is behoorlijk bestuur erkend als algemeen rechtsbeginsel.1 Het tweede lid van dit artikel verwoordt het kenbaarmakingsbeginsel expliciet. De aanhef van het eerste lid verwijst naar de instellingen, organen en instanties van de Unie, zodat het de vraag is of een belanghebbende dit artikel in een nationale procedure kan inroepen.2
In een aantal arresten heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 41 van het Handvest de lidstaten bindt wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen (zie bijvoorbeeld de zaken M. en Kamino).3 In de zaak M. besliste het Hof dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging een algemeen beginsel van Unierecht vormt en dat meer in het bijzonder het recht in elke procedure te worden gehoord, integraal deel uitmaakt van genoemd grondrecht en dat dit recht thans niet alleen is neergelegd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest, maar ook in artikel 41 ervan.4 Deze overweging vindt bevestiging in het arrest van het Hof van Justitie inzake Kamino, waarin het Hof van Justitie op gelijke wijze oordeelt.5 Daarmee lijkt artikel 41 van het Handvest ook de lidstaten te binden. Hetzelfde Hof van Justitie heeft echter in een aantal andere zaken geoordeeld dat artikel 41 van het Handvest niet van toepassing is op geschillen aangaande de lidstaten (Mukarubega, YS, Cicala, Boudjlida en WebMindLicenses).6 Het Hof van Justitie heeft in die zaken overwogen dat uit de bewoordingen van artikel 41 van het Handvest volgt dat dit artikel niet is gericht tot de lidstaten, maar uitsluitend tot de instellingen, organen en instanties van de Unie.
Het van toepassing verklaren van artikel 41 van het Handvest op bestuursorganen van de lidstaten lijkt, gelet op de tekst van dit artikel, niet aan de orde.7 Hoe komt het dan dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie op dit punt tegenstrijdig is? De conclusie van A-G Mengozzi in de zaak Benallal schept meer duidelijkheid.8 De redenering waarom artikel 41 van het Handvest de lidstaten wel zou binden, is als volgt. Volgens artikel 51, eerste lid, van het Handvest zijn de lidstaten verplicht de bepalingen van het Handvest toe te passen wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen. Daaronder valt ook het in artikel 41 van het Handvest neergelegde kenbaarmakingsbeginsel. Vervolgens betoogt de advocaat-generaal dat een letterlijke, tekstuele uitleg van artikel 41 van het Handvest zou neerkomen op een erkenning dat het in artikel 41 van het Handvest bedoelde recht te worden gehoord een uitzondering vormt op artikel 51 van het Handvest. A-G Wathelet had dit al in de conclusie in de zaak Mukarubega opgemerkt, maar dat volgde het Hof van Justitie in die zaak niet.9
De tegenstrijdige jurisprudentie van het Hof van Justitie geeft geen uitsluitsel over de vraag of artikel 41 van het Handvest de lidstaten bindt. Ik kom echter tot de conclusie dat artikel 41 van het Handvest de lidstaten niet bindt. De motivering van deze conclusie – aan de hand van de tekst van artikel 41 van het Handvest, de toelichting daarbij, de verslagen van de Commissie en de plaats van artikel 41 van het Handvest – is als volgt.
De tekst van artikel 41 van het Handvest
De tekst van artikel 41 van het Handvest is duidelijk.10 Artikel 41 van het Handvest is alleen gericht op de relatie van eenieder tot de instellingen, organen en instanties van de Unie. Dit blijkt uit het eerste lid van dit artikel en uit de redactie van het derde en vierde lid. Tekstueel bestaat er geen twijfel over dat artikel 41 van het Handvest niet is gericht tot de lidstaten. Zoals A-G Bobek betoogt, moeten er dan wel uiterst sterke argumenten zijn om een dergelijke duidelijke en recente bron van primair recht via de rechtspraak te herschrijven.11 Mij overtuigt in dat kader de link die A-G Mengozzi legt met artikel 51 van het Handvest niet. Artikel 51, eerste lid, van het Handvest regelt dat de bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. De tekst van artikel 51 van het Handvest biedt de ruimte om artikel 41 van het Handvest zich te laten richten tot de lidstaten. Daar kan echter tegenin worden gebracht dat artikel 51 alleen in algemene bewoordingen aangeeft dat het Handvest tot de lidstaten kan zijn gericht. Daarmee wordt niet uitgesloten dat uitzonderingen daarop mogelijk zijn. Ook A-G Bobek ziet geen strijdigheid met artikel 51 van het Handvest, maar ziet artikel 41 van het Handvest als een lex specialis op de algemene definitie van het toepassingsgebied van het Handvest, zoals neergelegd in artikel 51, eerste lid, van het Handvest. A-G Bobek merkt hierbij op dat het beslist niet ongebruikelijk is naast een algemene regel meer specifieke bepalingen met een eigen werkingssfeer te definiëren.12
Ook de andere leden van artikel 41 van het Handvest bevestigen mijns inziens dat dit artikel de lidstaten niet bindt. Zo bepaalt artikel 41, derde lid, van het Handvest dat eenieder het recht heeft op vergoeding door de Unie van de schade die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functie is veroorzaakt, overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben. Volgens de toelichting bij het Handvest is dit lid gebaseerd op artikel 340 van het VEU. Artikel 340 van het VEU regelt de contractuele aansprakelijkheid van de Unie. De tekst van artikel 41, derde lid, van het Handvest ziet expliciet op de organen, instellingen en instanties van de Unie. Ook de toelichting en de verwijzing naar artikel 340 van het VWEU geven duidelijk aan dat dit lid alleen voor de Unie is bedoeld. Het binden van de lidstaten aan artikel 41 van het Handvest zou een aansprakelijkheid voor de lidstaten creëren, gebaseerd op artikel 340 van het VWEU. Een dergelijke aansprakelijkheid creëren kan niet de bedoeling zijn en pleit tegen het van toepassing achten van artikel 41 van het Handvest op de lidstaten.
Zo ook de redactie van artikel 41, vierde lid, van het Handvest. Het vierde lid bepaalt dat eenieder zich in een van de talen van de Verdragen kan wenden tot de instellingen van de Unie en in die taal antwoord moet krijgen. Volgens de toelichting bij dit vierde lid, waarborgen de artikelen 20, tweede lid, onder d, en 25 van het VWEU dit recht. In artikel 20, tweede lid, onder d, van het VWEU staat dit recht in dezelfde bewoordingen genoemd en in artikel 25 van het VWEU is geregeld dat in aanvulling op artikel 20 de Raad rechten kan vaststellen na goedkeuring van het Europees Parlement. Ik zie niet in hoe dit artikel van toepassing is op de bestuursorganen van de lidstaten en wat daarvan het nut zou zijn. Het gevolg zou zijn dat in Nederland iedereen in alle talen van de verdragen zou moeten kunnen procederen. Maar het kan, gelet op de redenering van het Hof van Justitie, toch niet zo zijn dat artikel 41, eerste en tweede lid, van het Handvest van toepassing is op de lidstaten en het derde en vierde lid van dit artikel niet? Immers alle leden van artikel 41 zijn blijkens de tekst geschreven voor de organen, instellingen en instanties van de Unie.
De toelichting bij artikel 41 van het Handvest13
De toelichting bij artikel 41 van het Handvest verwijst naar een zevental arresten van het Hof van Justitie en het Gerecht.14 Zes van die arresten betreffen organen, instellingen en instanties van de Unie. Slechts één zaak niet (de zaak Heylens).15 Hierdoor lijkt de toelichting op het eerste gezicht ruimte te geven voor toepassing van artikel 41 van het Handvest op de lidstaten, maar dat is onjuist. De zaak Heylens betrof de vraag of een nationale regeling van een lidstaat in strijd was met Unierecht. De toelichting bij artikel 41 van het Handvest verwijst naar de zaken Burban, Nölle en New Europe Consulting voor de onderbouwing van het door het Hof van Justitie erkende algemene beginsel van behoorlijk bestuur. Vervolgens verwijst de toelichting voor de formulering van het beginsel van behoorlijk bestuur naar de zaken Heylens, Orkem, TU München, Lisrestal en Nölle. Uit de verwijzing naar de zaak Heylens is daarom niet de conclusie te trekken dat artikel 41 van het Handvest ook van toepassing is op bestuursorganen van de lidstaten.
De verslagen van de Commissie16
De Commissie besteedt in het jaarlijkse verslag over de toepassing van het Handvest van de grondrechten van 2014 aandacht aan deze zaken.17 De Commissie constateert in dit verslag dat in de zaken Mukarubega en Boudjlida het Hof van Justitie de eerdere rechtspraak heeft herhaald, dat artikel 41 van het Handvest niet aan de lidstaten is gericht en dat artikel 41 van het Handvest daarom niet van toepassing is. In 2015 voegt de Commissie hieraan nog verwijzingen toe naar zaken over het in het Unierecht geregelde mededingingsrecht.18 In de verslagen over de jaren 2014 tot en met 2018 verwijst de Commissie bij artikel 41 alleen naar procedures betreffende de organen, instellingen en instanties van de Unie. De verslagen van de Commissie geven daarmee geen andere aanwijzing dan dat dit artikel alleen is gericht aan de organen, instellingen en instanties van de Unie.
Plaats van artikel 41 in het Handvest
Ook de plaats die artikel 41 in het Handvest heeft gekregen, levert een argument op voor het standpunt dat artikel 41 van het Handvest de lidstaten niet bindt. Artikel 41 is onderdeel van titel V van het Handvest en deze titel bevat een aantal bepalingen die de belangrijkste rechten van burgers betreffen wanneer zij rechtstreeks te maken krijgen met de organen, instellingen en instanties van de Unie (kiesrecht voor het Europees Parlement, Europese ombudsman, recht van petitie ten aanzien van het Europese parlement, vrij verkeer en verblijf).19
Gelet op de expliciete tekst van artikel 41 van het Handvest, de toelichting bij dit artikel, de verslagen van de Commissie en de plaats van dit artikel in het Handvest, concludeer ik dat artikel 41 van het Handvest niet van toepassing is op nationale geschillen.20 Bij mijn onderzoek ga ik daarvan uit. Wellicht heeft het Hof van Justitie dit zelf ook ingezien nu het juist in de meest recente zaken artikel 41 van het Handvest niet op de lidstaten van toepassing verklaart.21