Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.13.4:2.13.4 Schending budgetrecht
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.13.4
2.13.4 Schending budgetrecht
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover ook paragraaf 2.13.8.
Handelingen II 2008/09, nr. 11, p. 723-739 en 742-769 (Debat over Fortis en ABN AMRO).
Kamerstukken II 2011/12, 31 980, nr. 61, p. 487-488 en 500 (Rapport commissie De Wit).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In noodsituaties waarin acuut ingrijpen nodig is en vertrouwelijke informatie een grote rol speelt lijkt het adagium nood-breekt-wet te gelden. Het formele budgetrecht, maar in sommige gevallen ook het materiële budgetrecht, kan dan niet worden gehandhaafd. De regering moet in dergelijke situaties immers snel en kordaat optreden waardoor niet altijd tijd is voor formele (wetgevings)procedures. Bovendien tast het niet toepassen van artikel 34 Comptabiliteitswet 2001 en artikel 105 Grondwet de geldigheid van de rechtshandelingen van de regering niet aan. Het budgetrecht en artikel 34 Comptabiliteitswet 2001 hebben interne werking en hebben daarom alleen gelding in de verhouding tussen het parlement en de regering. Het parlement bepaalt uiteindelijk in welke situaties en in hoeverre het een schending toelaat.1
De kritiek van de Tweede Kamer op het handelen van de Minister van Financiën tijdens de kredietcrisis richtte zich dan ook niet zozeer op de schending van het budgetrecht, als wel op het feit dat de informatievoorziening aan de Kamer, zowel vooraf als achteraf, sterk te wensen over liet.2 Het ging hier immers om aanzienlijke bedragen. Deze conclusie trekt ook de parlementaire enquêtecommissie Financieel stelsel (commissie De Wit) die onderzoek heeft gedaan naar de ingrepen van de regering tijdens de kredietcrisis.3 Volgens de commissie zou de informatiepositie van het parlement mede gelet op het budgetrecht echter zoveel mogelijk gewaarborgd moeten worden, juist ook tijdens crisissituaties. De informatievoorziening vooraf – mocht de situatie dat eisen – zou daarom ook vertrouwelijk kunnen plaatsvinden.4 Anderzijds kwam de commissie De Wit tot de conclusie dat de Tweede Kamer weinig actief was geweest bij de controle van de minister. De informatie was er vaak wel, maar de Kamer deed daar te weinig mee.5