Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.4.1
4.2.4.1 Algemeen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS401934:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent ook Hartley 2010, p. 216.
HvJEG 17 mei 1972, 93/71 (Leonesio), Jur. 1972, p. 287, r.o. 5.
Dit volgt uit HvJEU 7juli 2011, C-523/09 (Rakvere Pöm AS), n.n.g., r.o. 17; HvJEU 14 april 2011, gevoegde zaken C-42/10, C-45/10 en C-57/10 (Vlaamse Dierenartsenvereniging VZW), n.n.g., r.o. 47; HvJEU 28 oktober 2010, C-367/09 (SGS Belgium), Jur. 2010, p. 1-10761, r.o. 32; HvJEG 24 juni 2004, C-278/02 (Herbert Handlbauer), Jur. 2004, 1-6171, r.o. 25 en HvJEG 11 januari 2001, C-403/98 (Azienda Agricola Monte Arcosu), Jur. 2001, p. 1-103, r.o. 26.
HvJEU 7juli 2011, C-523/09 (Rakvere Pöm AS), n.n.g., r.o. 18; HvJEU 14 april 2011, gevoegde zaken C-42/10, C-45/10 en C-57/10 (Vlaamse Dierenartsenvereniging VZW), n.n.g., r.o. 48; HvJEU 28 oktober 2010, C-367/09 (SGS Belgium), Jur. 2010, p. 1-10761, r.o. 33; HvJEG 24 juni 2004, C-278/02 (Herbert Handlbauer), Jur. 2004, p.1-6171; HvJEG 1 ljanuari 2001, C-403/ 98 (Azienda Agricola Monte Arcosu), Jur. 2001, p. 1-103, r.o. 28.
HvJEG 2 februari 1977, 50/76 (Amsterdam Bulb BV/Productschap voor siergewassen), Jur . 1977, p. 137. Zie ook HvJEG 5 maart 1980, 265/78 (Ferwerda), Jur. 1980, p. 617, r.o. 10 en HvJEG 31 januari 1978, 94/77 (Fratelli Zerbone), Jur. 1978, p. 99, r.o. 23.
Zie voor een overzicht Prechal 2005, p. 226-229. Zie ook Craig & De Bárca 2011, p. 105; Prechal 1995, p. 260-266.
Winter 1972, p. 436. Zie ook recent Frese 2011, p. 204.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.2.2.
Zie Prechal 2005, p. 228-229; Lauwaars & Timmermans 2003, p. 107-108.
Zie de conclusie van advocaat-generaal Kokott van 15 juli 2010 in zaak C-367/09 (SGS Belgium) Jur. 2010, p. 1-10761.
HvJEG 24 juni 2004, C-278/02 (Herbert Handlbauer) Jur. 2004, 1-6171.
In hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.2.2 is reeds aan de orde geweest aan dat sommigen van mening zijn dat een bepaling rechtstreekse werking heeft, indien zij rechten toekent aan particulieren.
Zie verder paragraaf 4.2.4.4.
Een uitzondering wordt gemaakt indien wordt ingegaan op arresten van het Hof van Justitie, waarin het Hof expliciet spreekt van 'rechtstreekse werking'. Naar mijn mening zou voor dat begrip ook rechtstreekse toepasselijkheid kunnen worden ingevuld, maar het gaat wat ver om de overwegingen van het Hof van Justitie op dat punt anders weer te geven, gezien ook de discussies die omtrent het onderscheid tussen rechtstreekse toepasselijkheid en rechtstreekse werking worden gevoerd.
Dat Europese verordeningen ingevolge artikel 288 VWEU rechtstreeks toepasselijk zijn in de lidstaten, betekent niet dat al hun bepalingen rechtstreekse werking hebben.1 Niet elke bepaling kan door nationale uitvoeringsorganen bij het nemen van besluiten of door nationale rechters bij de toetsing daarvan worden toegepast, zonder dat is voorzien in nationale uitvoeringsmaatregelen. Hoewel het Hof van Justitie er eerst van uit leek te gaan dat rechtstreekse toepasselijkheid hetzelfde betekent als rechtstreekse werking,2 overweegt het Hof van Justitie in latere arresten dat bepalingen uit Europese verordeningen wegens de aard van de verordening en haar functie in het systeem van de bronnen van het Europese recht in het algemeen rechtstreekse werking hebben zonder dat de nationale instanties uitvoeringsmaatregelen hoeven vast te stellen.3 In het algemeen, omdat het Hof van Justitie vervolgens overweegt dat voor sommige van hun bepalingen uitvoeringsmaatregelen van de lidstaten noodzakelijk zijn. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt dat in dat kader doorslaggevend is of nationale uitvoeringsorganen beoordelingsmarge hebben bij de uitvoering van een bepaling.4 Indien deze beoordelingsmarge ontbreekt, moeten zij deze bepaling rechtstreeks toepassen. In dat kader doet niet ter zake of de desbetreffende bepaling aan een particulier een recht toekent dan wel een verplichting oplegt.5
Het vorenstaande roept de vraag op of er wel een verschil bestaat tussen 'rechtstreeks toepasselijk' en 'rechtstreekse werking'. Hierover is in de literatuur zeer veel gediscussieerd.6 Zo heeft Winter over het onderscheid geschreven dat rechtstreekse toepasselijkheid inhoudt dat een bepaling van een Europese verordening automatisch deel uitmaakt van het recht van de lidstaten en rechtstreekse werking ziet op het vermogen van bepalingen uit Europese verordeningen om rechten voor particulieren te creëren.7 Bij deze definiëring bestaat inderdaad onderscheid tussen de begrippen rechtstreekse werking en rechtstreeks toepasselijk. Het is immers goed mogelijk dat een bepaling weliswaar automatisch deel uitmaakt van het recht van de lidstaten, maar geen rechten voor particulieren creëert. Denk bijvoorbeeld aan bepalingen in Europese verordeningen die verplichtingen aan particulieren opleggen. Zoals besproken wordt in dit onderzoek aangesloten bij een ruimer begrip van rechtstreekse werking.8 Van rechtstreekse werking is sprake indien een bepaling zich ervoor leent om door de nationale rechter en nationale uitvoeringsorganen direct te worden toegepast. Dit ruime begrip van rechtstreekse werking is niet beperkt tot bepalingen die rechten toekennen aan particulieren. Indien van dit ruime begrip van rechtstreekse werking wordt uitgegaan, valt het onderscheid tussen rechtstreeks toepasselijk en rechtstreekse werking weg.9 De hiervoor besproken jurisprudentie van het Hof van Justitie bevestigt dit. Ik zie niet in dat een bepaling die geen rechtstreekse werking heeft omdat nationale uitvoeringsmaatregelen noodzakelijk zijn, wel rechtstreeks toepasselijk zou kunnen zijn. In dat verband verwijs ik naar de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak SGS Belgium.10Onder punt 30 schrijft zij het volgende:
'Uit dit arrest (het gaat om het arrest Handlbauer),11of uit de vroegere rechtspraak kan niet worden opgemaakt dat het Hof een duidelijk onderscheid maakt tussen de begrippen "rechtstreekse toepassing", "rechtstreekse toepasbaarheid" en "rechtstreekse werking". Hoewel bepaalde partijen bij de procedure zich uitvoerig over eventuele verschillen tussen deze bepalingen hebben gebogen, lijkt het mij weinig dienstig hier in te gaan op de principiële discussie aangaande het Duitse begrip "unmittelbare Wirkung" van het Unierecht en meer in het bijzonder van verordeningen, in de zin van het Engelse begrip "direct effect" en het Franse begrip "effet direct":
Volgens Kokott dient eenvoudigweg te worden vastgesteld, of een belastende overheidsmaatregel ten aanzien van een onderneming rechtstreeks op een bepaling van die verordening kan worden gebaseerd. Ook voor dit onderzoek is het onderscheid tussen rechtstreekse werking en rechtstreekse toepasselijkheid niet van wezenlijk belang; cruciale vraag is of voor de uitvoering van bepalingen uit Europese verordeningen nationale uitvoeringsmaatregelen noodzakelijk zijn. Er bestaat echter een aantal argumenten om in dit onderzoek het begrip 'rechtstreeks toepasselijk' te hanteren, indien wordt gesproken over de vraag in hoeverre een nationaal uitvoeringsorgaan zich in de nationale subsidieverhouding direct kan baseren op een bepaling neergelegd in een Europese subsidieverordening. Allereerst benadrukt dit begrip dat het in dit onderzoek gaat om de toepassing van Europese subsidieverordeningen door nationale uitvoeringsorganen. Ten tweede heeft het begrip 'rechtstreekse werking' de connotatie dat dergelijke bepalingen niet ten laste van particulieren kunnen worden ingeroepen.12 Omdat verordeningen rechtstreeks toepasselijk zijn, kunnen daarin neergelegde rechtstreeks werkende bepalingen juist wel ten laste van particulieren worden ingeroepen.13 In het vervolg van dit hoofdstuk wordt dan ook zoveel mogelijk de term 'rechtstreeks toepasselijk' gebruikt.14
De conclusie is dan ook dat bepalingen uit Europese verordeningen in het algemeen rechtstreeks toepasselijk zijn, maar ook vaak nationale uitvoeringsmaatregelen vergen. Dit beeld wordt bevestigd in Europese subsidieverordeningen met name op het terrein van de structuurfondsen. Veel bepalingen houden een beoordelingsmarge in voor de lidstaten, terwijl over veel aspecten van de uitvoering, zoals de selectie van projecten, in het geheel geen gemeenschappelijke Europese regels bestaan. In de nu volgende paragrafen bespreek ik de vraag welke soort bepalingen in de Europese subsidieverordeningen wel rechtstreeks toepasselijk zijn.