Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.8.1
7.3.8.1 Inleiding: twee fiscale bewijsgradaties
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940324:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik hanteer hiervoor de term ‘bewijsgradatie’. In de literatuur en de jurisprudentie wordt ook wel het begrip ‘bewijsmaatstaf’ gebruikt.
Zie voor een voorbeeld van de expliciete aansluiting bij de AWR Kamerstukken II 1958/59, 5 380, nr. 3, p. 11 (Wet IB 1964).
HR 27 januari 1971, BNB 1971/55, HR 11 april 1979, BNB 1979/145, HR 5 september 1979, BNB 1979/265 (zie de Hofuitspraak die tot dit arrest leidde), HR 26 januari 1983, BNB 1983/90. Zie ook HR 7 januari 1976, BNB 1976/42, waarin de in dit verband relevante wetsgeschiedenis voor de inkomstenbelasting wordt aangehaald.
Koopman 1996, par. 4.2 geeft verschillende voorbeelden van dergelijke gevallen.
Koopman geeft in dit kader verschillende voorbeelden van arresten van de Hoge Raad, waarin ‘aannemelijk maken’ is bedoeld (Koopman 1996, par. 4.2), terwijl er ook voorbeelden zijn te vinden waarin ‘aantonen’ werd gedefinieerd als ‘het volledige bewijs leveren’ (zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 8 maart 1983, V-N 1984, p. 736, punt 18).
A-G Van Soest heeft hier reeds op gewezen in zijn conclusie bij HR 21 augustus 1985, BNB 1985/302 (par. C.3).
HR 26 mei 1982, BNB 1982/213.
HR 16 september 1992, BNB 1994/2, r.o. 3.1.
Zie bijvoorbeeld art. 13 lid 2 Wet MRB (en daarover HR 5 april 2019, V-N 2019/19.16, BNB 2019/107).
Ook in lagere regelgeving wordt dit begrip gebruikt (zie bijvoorbeeld art. 38 lid 1 URIB 2001).
HR 26 mei 1999, BNB 1999/272, r.o. 3.3, bevestigd in HR 20 februari 2004, BNB 2004/169 en in HR 5 april 2019, V-N 2019/19.16, BNB 2019/107, r.o. 5.3.3.
Hof ’s-Gravenhage 8 januari 2013, V-N 2013/25.11.
Kamerstukken II 1954/55, 4 080, nr. 3, p. 17-18. Vgl. ook Koopman 1996, par. 4.2.
HR 26 mei 1999, BNB 1999/272, r.o. 3.3, HR 29 september 2023, V-N 2023/45.11, r.o. 4.5.2.
In deze paragraaf gaat het om de vraag hoe sterk (hoe overtuigend) het bewijs moet zijn.1 De AWR-wetgever heeft een onderscheid in twee gradaties van bewijskracht aangebracht: ‘(doen) blijken’ in gevallen waarin volledig bewijs werd verlangd en ‘aannemelijk maken’ voor een zwakkere vorm van bewijs.2 Helaas werd niet duidelijk gemaakt wat dan precies onder ‘volledig bewijs’ en ‘een zwakkere vorm van bewijs’ moest worden verstaan. De invulling van die begrippen is destijds dus ter ontwikkeling overgelaten aan de rechtspraak.
De materiële heffingswetten die na invoering van de AWR tot stand kwamen, sloten voor wat betreft de gehanteerde terminologie veelal aan bij de ‘nieuwe’ tweedeling in bewijsgradaties uit de AWR.3 Uit de jurisprudentie die vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw door de Hoge Raad is gewezen, blijkt dat het onderscheid dat de wetgever voor ogen had, ook daadwerkelijk vorm heeft gekregen bij de uitleg van de beide gradaties.4 Aldus is een voor het belastingrecht in de volle breedte geldende notie ontstaan, dat er twee verschillende gradaties bestaan (één lichte en één zware).
In de verschillende heffingswetten zijn de twee bewijsgradaties destijds echter niet steeds even consequent doorgevoerd.5 Meestal beperkte de wettekst zich tot een eenvoudig ‘aantonen’. De in de jurisprudentie gehanteerde terminologie was aanvankelijk evenmin eensluidend.6 Naar mijn opvatting gebruikte de belastingrechter het werkwoord ‘aantonen’ doorgaans in de neutrale betekenis van ‘bewijzen’, dus zonder daarbij een specifieke juridische connotatie op het oog te hebben.7 Steun voor mijn opvatting vind ik in een arrest waarin de Hoge Raad overwoog dat ‘de Inspecteur had behoren aan te tonen dat het belastbare inkomen hoger was (…)’.8 Nu het gaat om een op de inspecteur rustende bewijslast, kan de Hoge Raad met het werkwoord aantonen niets anders hebben bedoeld dan ‘bewijzen’ in algemene zin. Ook de frase ‘aan te tonen door aannemelijk te maken’, die in een enkel arrest voorkomt,9 ondersteunt deze interpretatie. Het voorgaande geldt mijns inziens ook wanneer de term ‘aantonen’ in de wettekst is opgenomen.10 De Hoge Raad heeft in dit kader overwogen dat een verzwaarde bewijslast alleen mag worden aangenomen als duidelijk is dat de wetgever dat uitdrukkelijk heeft gewild, en wel door dan in de belastingwet11 het begrip ‘doen blijken’ te gebruiken.12 Ook als de term ‘aantonen’ in beleidsregels of besluiten van de Staatssecretaris van Financiën is opgenomen, geldt inmiddels dat die term slechts een neutrale betekenis (in de zin van ‘bewijzen’) kan hebben en dus neer komt op ‘aannemelijk maken’.13 Een andere opvatting past nu eenmaal niet in de systematiek van de AWR.
Een deel van de verwarring is wellicht veroorzaakt doordat er vóór de inwerkingtreding van de AWR nog een derde gradatie voorkwam, namelijk ‘overtuigend aantonen’.14 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad die is gewezen na de inwerkingtreding van de AWR volgt, dat er geen verschil (meer) bestaat tussen ‘(doen) blijken’ en ‘overtuigend aantonen’, aangezien het synoniemen betreft die beide ‘het volledig bewijs leveren’ betekenen.15
Hierna sta ik in paragraaf 7.3.8.2 eerst kort stil bij de verhouding tussen beide bewijsgradaties. Vervolgens ga ik in paragraaf 7.3.8.3 nader in op hun betekenis.