Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/3.4.6
3.4.6 Algemene volmacht
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631692:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II (2009), nr. 423 en Assink/Slagter 2013, nr. 51.4 (p. 926-927).
Volmachten hebben betrekking op het verrichten van rechtshandelingen. In de praktijk wordt het begrip soms ook gehanteerd als wordt bedoeld dat bijvoorbeeld de bedrijfsvoering aan een persoon is opgedragen. Van Nuland, nr. 4.2.1.5, acht het niet mogelijk dat een algemene volmacht kan worden verleend, waarbij feitelijk dezelfde bevoegdheden worden verkregen als statutaire bestuurders en noemt deze ‘praktijk’ rechtens onjuist. Daarin heeft hij gelijk, maar mij gaat het om een fenomeen ‘volmacht’ zoals in de praktijk geregeld gehanteerd en in het kader van dit onderzoek relevant is, en die niet specifiek tot rechtshandelingen is beperkt. Zie De Roo (2009) over de mogelijkheid van delegatie van bestuurstaken aan een ander orgaan.
Zie over de twee stromingen Van Eck (2009). Naar de heersende leer is sprake van een zelfstandige op de statuten gebaseerde vertegenwoordigingsbevoegdheid van de procuratiehouder. Zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II (2009), nr. 397; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond (2013), nr. 236; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa (2013), nr. 161; en Asser/Kroeze 2-I (2021), nr. 332.
In art. 3:62 BW worden voorwaarden gesteld aan algemene en aan bijzondere volmachten die de gevolmachtigde ook bevoegd beogen te maken als het gaat om daden van beschikking. In art. 3:260 lid 3 BW is bepaald dat degene die voor een hypotheekgever wil optreden bij de notariële hypotheekakte, dient te beschikken over een bij authentieke (lees: notariële) akte verleende volmacht. Zie over dit laatste Kelterman (2010).
Zie over vertegenwoordiging krachtens volmacht Van Nuland (2021), nr. 3.5.2.
Hof Den Bosch 23 september 2003, JOR 2003/5 (Lebon/Hellendoorn q.q.).
HR 17 november 2006, JOR 2007/7 (Lebon/Hellendoorn q.q.).
Het uitoefenen van de bestuurstaak is een persoonlijke aangelegenheid. Een bestuurder kan wel een medebestuurder volmacht geven om binnen het bestuur stem uit te brengen, maar niet aan een derde.1 Het bestuur kan wel door middel van een beperkte of algehele volmacht2 een derde de bevoegdheid verlenen om bestuurstaken uit te oefenen, en die derde aldus (nagenoeg) geheel of gedeeltelijk (feitelijk) met het bestuur van de rechtspersoon belasten. De derde kan echter geen bestuursbesluiten nemen.
In art. 2:130/240 lid 4 BW is bepaald dat de statuten ook aan andere personen dan bestuurders bevoegdheid tot vertegenwoordiging kunnen toekennen. Hierbij kan worden gedacht aan procuratiehouders (niet-bestuurders) met een (min of meer) algemene (doorgaans geclausuleerde) bevoegdheid tot vertegenwoordiging. In dit verband wordt wel over een statutaire volmacht gesproken. In de praktijk vindt de nadere bepaling van de vertegenwoordigingsbevoegdheid veelal plaats in het bestuursbesluit inzake de benoeming van een procuratiehouder. Algemene regelingen – met categorieën procuratiehouders (A en B) – komen ook voor. Voor het verlenen van een volmacht aan niet-bestuurders is overigens geen statutaire grondslag vereist. Hoewel daarover anders wordt gedacht,3 dient de bevoegdheid op grond waarvan een procuratiehouder handelt als een volmacht te worden aangemerkt en niet als een zelfstandige op de statuten gebaseerde vertegenwoordigingsbevoegdheid. Dit betekent dat de regeling van de volmacht in Boek 3 BW van (overeenkomstige) toepassing is.4 Hoe dit ook zij, voor de vraag of een procuratiehouder onder omstandigheden als een quasi-bestuurder dient te worden aangemerkt maakt dit niet uit.
De formele bestuurder van Bonbosch B.V. heeft op 13 mei 1991 een algehele volmacht verstrekt aan een zekere Lebon om al die handelingen ten behoeve van de bedrijfsvoering van Bonbosch te verrichten die Lebon noodzakelijk acht.5 Lebon heeft als “freelance” werkzame consultant ter uitvoering van door derden aan Bonbosch verstrekte opdrachten werkzaamheden verricht tot de volmacht op 25 april 1995 werd ingetrokken. Bonbosch is op 3 april 1996 in staat van faillissement verklaard en de curator heeft vervolgens Lebon als feitelijke bestuurder aansprakelijk gesteld. In hoger beroep oordeelt het hof6 dat Lebon in de periode van drie jaar voorafgaand aan het faillissement over een zodanige machtspositie binnen Bonbosch beschikte, dat hij het beleid kon bepalen en dat zijn werkzaamheden – Lebon tekende de gedeponeerde jaarstukken, ging namens Bonbosch leningen aan, is namens Bonbosch een leaseovereenkomst aangegaan en nam namens Bonbosch het besluit om in weerwil van een duidelijk juridisch advies een bepaalde betaling niet te verrichten – niet anders kunnen worden geduid dan als te zijn gedaan in het kader van het door hem bepaalde beleid. Lebon dient volgens het hof te worden aangemerkt als feitelijke bestuurder als bedoeld in art. 2:248 lid 7 BW. Dit wordt niet anders, aldus het hof, doordat Lebon niet de enige (feitelijke) bestuurder is geweest, noch doordat aan de formele bestuurder geen decharge is verleend, terwijl evenmin relevant is of Lebon voordeel uit zijn handelen heeft genoten. Dit alles zou anders kunnen zijn indien Lebon uitsluitend op instructie van de formele bestuurder zou hebben gehandeld, ter zake waarvan hij tot bewijs wordt toegelaten. Het hof overwoog verder dat het (mede)bepalen van het beleid “als ware hij bestuurder” onder meer kan geschieden doordat het formele bestuur dit gedoogt, door het geven van opdrachten aan de formele bestuurders die de opdrachten opvolgen en in de meer vergaande vorm dat de feitelijke bestuurder op zodanige wijze het beleid bepaalt dat de formele bestuurders feitelijk terzijde worden gesteld. In cassatie zijn de tegen de uitspraak van het hof aangevoerde middelen verworpen, waarbij de Hoge Raad overwoog dat de door het hof genoemde feiten geen ander oordeel toelaten.7