Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/6.7.4.3
6.7.4.3 Lidmaatschapsrechten van een onderlinge waarborgmaatschappij
1
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949857:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Gepken-Jager, in: GS Rechtspersonen, art. 2:62 BW, aant. 2 en 3. Zie ook Cremers 2010, p. 517-533 en Asser/Rensen 2-III 2022/312.
Art. 2:53 lid 2 BW: “De onderlinge waarborgmaatschappij is een bij notariële akte als onderlinge waarborgmaatschappij opgerichte vereniging. Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen met haar leden verzekeringsovereenkomsten te sluiten, een en ander in het verzekeringsbedrijf dat zij te dien einde ten behoeve van haar leden uitoefent.” Het hebben van leden en het uitoefenen van het verzekeringsbedrijf zijn dus kenmerkend voor een onderlinge waarborgmaatschappij.
Dortmond 2020, p. 13 en Asser/Rensen 2-III 2022/301 en 313 spreken over een ‘dubbele rechtsverhouding’ (een lidmaatschap en een verzekeringsovereenkomst). Zie ook Overes, Van der Ploeg en Van Veen 2021, p. 166-167: “Kenmerkend voor de verhouding tussen coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij enerzijds en hun leden anderzijds is dat tussen hen twee soorten rechten en verplichtingen bestaan: de lidmaatschapsrechten en -verplichtingen en de rechten en verplichtingen uit de overeenkomsten die de rechtspersonen met de leden in hun bedrijven sluiten.”
Het lidmaatschap van de onderlinge waarborgmaatschappij die haar verzekeringsovereenkomsten overdraagt eindigt, en de verzekeringnemer wordt van rechtswege lid van de onderlinge waarborgmaatschappij die de verzekeringsovereenkomsten verkrijgt. Het gaat hier dus naar mijn mening niet om de situatie zoals bedoeld in art. 2:62 onder b tweede volzin BW waar staat “Bij overdracht of overgang van de rechten en verplichtingen uit zodanige overeenkomst gaat het lidmaatschap, voor zover uit die overeenkomst voortvloeiende, op de nieuwe verkrijger of de nieuwe verkrijgers over, een en ander behoudens afwijkende bepalingen in de statuten.” Deze volzin lijkt geschreven voor de situatie dat juist de verzekeringnemer (en niet de verzekeraar) een rechtsopvolger heeft. Dat lijkt ook af te leiden uit hetgeen gesteld wordt door Overes, Van der Ploeg en Van Veen 2021, p. 154: “Iemands lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij kan dus tegelijk op verschillende rechtsfeiten berusten: bijvoorbeeld, de ene polis heeft het lid zelf gesloten, de andere is aan hem overgedragen.”
Dortmond 1997, p. 17. Zijn bijdrage in deze bundel heeft de veelzeggende titel ‘Het merkwaardige lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij’. Zie ook De Groot 1990, p. 45-56.
Art. 2:53 lid 1 BW: “De coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging. Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen.”
Snijder-Kuipers 2010, p. 24-26 en Snijder-Kuipers en Van Olffen 2019, p. 287.
Cremers 2010, p. 527.
En zo bijvoorbeeld ook Staatscourant 2 juli 2018, nr. 36749 en Staatscourant 3 januari 2020, nr. 1709.
En zo bijvoorbeeld ook Staatscourant 10 januari 2013, nr. 805, Staatscourant 9 januari 2014, nr. 689, Staatscourant 16 september 2014, nr. 26370 en Staatscourant 12 januari 2015, nr. 962.
Gepken-Jager, in: GS Rechtspersonen, art. 2:62 BW, aant. 2. Deze tekst was ook opgenomen in de bewerking van het commentaar op art. 2:62 BW van de hand van Van der Sangen. Uit Dortmond 1997, p. 18 valt af te leiden dat een dergelijke tekst ook al was opgenomen in de versie van de Groene Serie Rechtspersonen van destijds.
Dortmond 1997, p. 18.
Boshuizen 2001, p. 266.
Staatsblad 1985, 705.
Kamerstukken II 1992/93, 23199, nr. 3, p. 39 en Kamerstukken II 2004/05, 29708, nr. 10, p. 300.
Cremers 2010, p. 526 vermeldt dat art. 3:120 lid 8 Wft in haar ogen “doorschiet”, met name omdat het de vraag is of de Wft de plaats is om te bepalen wanneer een lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij kan eindigen, en omdat de bepaling niet consistent lijkt met het bepaalde in art. 2:62 BW met betrekking tot het lidmaatschap van rechtswege.
Ook in geval van portefeuilleoverdrachten door een onderlinge waarborgmaatschappij2 bevatten de advertentieteksten in een aantal gevallen bijzonderheden. Een verzekeraar met zetel in Nederland moet de rechtsvorm hebben van een naamloze vennootschap of van een onderlinge waarborgmaatschappij.3 Indien een onderlinge waarborgmaatschappij haar portefeuille met verzekeringen overdraagt, zijn er dus in principe aan de kant van de verkrijgende verzekeraar twee scenario’s: (i) het kan gaan om een overdracht aan een andere onderlinge waarborgmaatschappij of (ii) het kan gaan om een overdracht aan een naamloze vennootschap. Aan de kant van de overdragende verzekeraar zijn ook meerdere scenario’s mogelijk. Ik licht dit hierna toe. Daarna bespreek ik in een tabel een aantal teksten die ik in advertenties op grond van art. 3:119 of art. 3:120 Wft naar aanleiding daarvan aantrof.
De kant van de verkrijgende verzekeraar
Scenario (i): de onderlinge waarborgmaatschappij draagt de rechten en verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomsten over aan een andere onderlinge waarborgmaatschappij.
“Zij die als verzekeringnemer bij een onderlinge waarborgmaatschappij een overeenkomst van verzekering lopende hebben, zijn van rechtswege lid van de waarborgmaatschappij.” zo is in art. 2:62 onder a BW bepaald. Als ik dus als verzekeringnemer een verzekeringsovereenkomst sluit met een onderlinge waarborgmaatschappij, dan ben ik ook van rechtswege lid van die onderlinge waarborgmaatschappij. Ik heb dan dus zowel de hoedanigheid van verzekeringnemer, als de hoedanigheid van lid van de onderlinge waarborgmaatschappij.4 Dat is alleen anders indien die onderlinge waarborgmaatschappij krachtens haar statuten ook verzekeringnemers die geen lid zijn mag verzekeren,5 en ik vervolgens daarvoor heb gekozen, maar dat geval laat ik buiten beschouwing. Als de onderlinge waarborgmaatschappij met behulp van de Wft-procedure de rechten en verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomsten overdraagt aan een andere onderlinge waarborgmaatschappij, dan ben ik vanaf het moment dat de overdracht jegens mij van kracht wordt lid van de verkrijgende onderlinge waarborgmaatschappij. De wettekst van art. 2:62 onder a BW bepaalt immers dat het gaat om het “lopende hebben” van een verzekeringsovereenkomst bij een onderlinge waarborgmaatschappij. Ik heb na de portefeuilleoverdracht een verzekeringsovereenkomst “lopende” bij de verkrijgende onderlinge waarborgmaatschappij. Mijn lidmaatschap van rechtswege van de overdragende onderlinge waarborgmaatschappij eindigt, omdat ik geen verzekeringsovereenkomst meer “lopende” heb bij de overdragende onderlinge.6
Scenario (ii): de onderlinge waarborgmaatschappij draagt de rechten en verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomsten over aan een naamloze vennootschap.7
Ook in dat geval eindigt het lidmaatschap van rechtswege van de overdragende onderlinge waarborgmaatschappij, maar de verzekeringnemer wordt geen lid van de verkrijgende rechtspersoon. Een naamloze vennootschap kent immers geen leden en lidmaatschappen.
De kant van de overdragende verzekeraar
Op grond van het bepaalde in art. 2:62 onder a BW heeft de overdragende onderlinge waarborgmaatschappij vanaf het moment dat de overdracht van alle rechten en verplichtingen van de verzekeringsovereenkomsten van kracht wordt jegens de verzekeringnemers dus geen leden meer. De onderlinge waarborgmaatschappij heeft immers geen verzekeringsovereenkomsten meer “lopende”.8 Aan de kant van de overdragende verzekeraar kunnen zich vervolgens in verband daarmee in beginsel meerdere scenario’s voordoen.
Scenario (i): de overdragende onderlinge waarborgmaatschappij wordt ontbonden.
Op grond van art. 2:19 lid 1 onder d BW wordt een onderlinge waarborgmaatschappij door het geheel ontbreken van leden ontbonden. Indien de onderlinge waarborgmaatschappij ontbonden wordt, wordt daarna het vermogen vereffend. De rechtspersoon blijft na de ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is (art. 2:19 lid 5 BW). Er moet voldaan worden aan de vereisten opgenomen in de wettelijke regeling over de ontbinding van rechtspersonen (art. 2:19-2:24 BW).
Scenario (ii): de overdragende onderlinge waarborgmaatschappij wordt omgezet in een andere rechtsvorm.
Om ontbinding te voorkomen, wordt de onderlinge waarborgmaatschappij daarom vaak per het moment van het van kracht worden van de portefeuilleoverdracht omgezet in een coöperatie9 of een gewone vereniging10. In ons Burgerlijk Wetboek zijn de onderlinge waarborgmaatschappij, de coöperatie en de gewone vereniging afzonderlijke privaatrechtelijke rechtsvormen, ook al is er op een aantal punten een overlap in het wettelijke kader. Dat betekent dat voor een omzetting in een coöperatie of een gewone vereniging niet volstaan kan worden met een statutenwijziging.11 Hier is “gewoon” art. 2:18 BW met betrekking tot omzetting van toepassing. De rechtspersoon moet voldoen aan alle in dat artikel omschreven vereisten voor een omzetting. Zij die voor de portefeuilleoverdracht van rechtswege lid waren, verkrijgen dan in beginsel het gewone lidmaatschap van de coöperatie of de gewone vereniging.12
Scenario (iii): de overdragende onderlinge waarborgmaatschappij houdt op te bestaan door een juridische fusie met een andere rechtspersoon.
Er zou bijvoorbeeld ook voor gekozen kunnen worden de onderlinge waarborgmaatschappij onmiddellijk nadat de overdracht van de portefeuille aan een andere verzekeraar heeft plaatsgevonden, juridisch te fuseren met een andere rechtspersoon. Dan moet uiteraard worden voldaan aan alle wettelijke vereisten voor een juridische fusie zoals beschreven in Titel 7 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Advertenties onderlinge waarborgmaatschappijen
Er is voor onderlinge waarborgmaatschappijen geen juridische verplichting om in de advertenties die op grond van art. 3:120 Wft worden geplaatst (om mededeling te doen dat de verzekeraar de rechten en verplichtingen heeft overgedragen) mededelingen te doen over wat er met de lidmaatschapsrechten in de overdragende onderlinge waarborgmaatschappij gebeurt of over eventuele lidmaatschapsrechten in de verkrijgende verzekeraar. Een aantal onderlinge waarborgmaatschappijen, bijvoorbeeld veel regionale onderlingen in de Univé Groep, kiezen er echter wel voor om in de advertentie die wordt geplaatst op grond van de Wet op het financieel toezicht ook informatie te verstrekken over wat er na de portefeuilleoverdracht gebeurt met de overdragende onderlinge waarborgmaatschappij en/of de lidmaatschapsverhouding. Ook al roept de desbetreffende tekst bij de verzekeringnemer waarschijnlijk vooral vragen op, het is naar mijn mening zeker nuttig ook langs deze weg dergelijke informatie te verschaffen. De verzekeringnemer kan met zijn vragen immers vervolgens contact opnemen met zijn contactpersoon.
Hierna geef ik enkele voorbeelden van alinea’s in advertenties op grond van art. 3:120 Wft naar aanleiding van een portefeuilleoverdracht door een onderlinge waarborgmaatschappij aan een N.V.:
Staatscourant 3 januari 2019, nr. 62013 waarin mededeling wordt gedaan van de overdracht van alle verzekeringen van Onderlinge Verzekering Maatschappij Univé Hollands Noorden U.A. met ingang van 1 januari 2019 aan Univé Regio + Brandverzekering N.V.:
“Deze portefeuilleoverdracht heeft plaatsgevonden in het kader van een fusie tussen Univé Hollands Noorden en Coöperatie Univé Regio + U.A. (…) als gevolg waarvan Univé Hollands Noorden per 1 januari 2019 heeft opgehouden te bestaan.”
De overdragende onderlinge waarborgmaatschappij is per de datum van portefeuilleoverdracht juridisch gefuseerd met een coöperatie.
Staatscourant 12 januari 2016, nr. 171914 waarin mededeling wordt gedaan van de overdracht van alle verzekeringen van Klaverblad Onderlinge Verzekeringsmaatschappij U.A. met ingang van 1 januari 2016 aan Klaverblad Schadeverzekeringsmaatschappij N.V.: “Klaverblad Onderlinge Verzekeringsmaatschappij U.A. is met ingang van 1 januari 2016 op voet van artikel 2:18 van het Burgerlijk Wetboek omgezet in een coöperatie, genaamd Coöperatie Klaverblad Verzekeringen U.A. (…); het lidmaatschap van de verzekeringnemers bij voorheen Klaverblad Onderlinge Verzekeringsmaatschappij
De overdragende onderlinge waarborgmaatschappij is per de datum van portefeuilleoverdracht omgezet in een coöperatie.
U.A. is dientengevolge overgegaan in het lidmaatschap van Coöperatie Klaverblad Verzekeringen U.A. Indien verzekeringnemers van de overgedragen overeenkomsten van schadeverzekering geen prijs stellen op voortzetting van het lidmaatschap van Coöperatie Klaverblad Verzekeringen U.A. kan dit schriftelijk aan het adres van die coöperatie worden opgezegd (…), binnen drie maanden na dagtekening van deze Staatscourant; het lidmaatschap eindigt dan van rechtswege met ingang van de dag na afloop van deze termijn. Beëindiging van alleen dat lidmaatschap laat de verzekeringsovereenkomst onaangetast. ”.
Staatscourant 11 maart 2011, nr. 4616: “De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid: Vereniging ‘Jelsumerhof’, (…) zijnde voorafgaand aan de na te melden overdracht de onderlinge waarborgmaatschappij: Christelijke Onderlinge Uitvaartmaatschappij ‘Jelsumerhof’ U.A. (…) deelt hierbij ingevolge het bepaalde in art. 3:120 Wft (…) aan polishouders mee dat zij haar rechten en verplichtingen uit na te noemen overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering (…) heeft overgedragen aan (…) Florentis Uitvaartverzekeringen N.V. (…).”
De overdragende onderlinge waarborgmaatschappij is per de datum van portefeuilleoverdracht omgezet in een vereniging.
Staatscourant 28 december 2010, nr. 21552 waarin mededeling wordt gedaan van de overdracht van schadeverzekeringen door Onderlinge Verzekeringmaatschappij ZLM u.a. met ingang van 1 januari 2011 aan Algemene Zeeuwse Verzekering Maatschappij N.V.:
”Voor de verzekeringnemers van de nu overgedragen overeenkomsten, eindigt met ingang van de datum van overdracht als bedoeld onder 3 het lidmaatschap van ZLM, tenzij de desbetreffende verzekerden andere overeenkomsten van verzekeringen met ZLM zijn aangegaan.”
Bij deze portefeuilleoverdracht gaat men er vanuit dat het lidmaatschap van de overdragende onderlinge eindigt met ingang van de datum van overdracht. Zie voor een andere opvatting de volgende rij in deze tabel en voor een toelichting de alinea onmiddellijk onder deze tabel.
Staatscourant 5 juli 2011, nr. 1227915 waarin mededeling wordt gedaan van de overdracht van verzekeringen door Onderlinge Waarborgmaatschappij Wederkerige 1820 u.a. aan Ansvar verzekeringsmaatschappij N.V.:
“Verzekeringnemers zijn vanaf het moment van aanvang van de verzekeringsovereenkomst met de Onderlinge lid van de Onderlinge geworden. Op grond van artikel 3:120 lid 8 van de Wet op het financieel toezicht eindigt het lidmaatschap van de verzekeringnemer van rechtswege met ingang van de tweede dag volgend op die van deze Staatscourant, nu de verzekeringnemer ingevolge de overdracht geen verzekering meer bij de Onderlinge heeft lopen.
Alleen die verzekeringnemers die op de tweede dag volgend op die van deze Staatscourant hun lidmaatschap niet zelf hebben opgezegd en/of waarvan het lidmaatschap niet is geëindigd doordat er geen verzekering meer loopt, maken te zijner tijd aanspraak op een batig saldo bij de vereffening van het vermogen van de Onderlinge. De verdeelsleutel van het batig saldo zal te zijner tijd persoonlijk aan de verzekeringnemers worden bekend gemaakt.”
Bij deze portefeuilleoverdracht gaat men er op grond van het bepaalde in art. 3:120 lid 8 Wft vanuit dat het lidmaatschap van de overdragende onderlinge eindigt met ingang van de tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst. Zie voor een andere opvatting de vorige rij in deze tabel en voor een toelichting de alinea onmiddellijk onder deze tabel.
Het hangt ervan af of iemand de tekst van art. 2:62 BW of de tekst van art. 3:120 lid 8 Wft laat prevaleren welk moment wordt beschouwd als het moment waarop het lidmaatschap van de overdragende onderlinge waarborgmaatschappij precies eindigt. Art. 2:62 onder b eerste volzin BW geeft aan: “Tenzij de statuten anders bepalen, duurt het lidmaatschap dat uit een verzekeringsovereenkomst ontstaat, voort totdat alle door het lid met de waarborgmaatschappij gesloten verzekeringsovereenkomsten zijn geëindigd.” In art. 3:120 lid 8 Wft staat echter dat het lidmaatschap van rechtswege eindigt met ingang van de tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst. Art. 3:120 lid 8 Wft maakt geen onderscheid naar de aard van de verzekeringen die worden overgedragen (levensverzekeringen, natura-uitvaartverzekeringen of schadeverzekeringen). In de Groene Serie Rechtspersonen wordt deze bepaling beschouwd als een aanvulling van artikel 2:62 onder b BW: “In dat artikel wordt immers niet geregeld wanneer het lidmaatschap bij een onderlinge eindigt, indien de gesloten verzekeringen in stand blijven, doch overgaan op een andere verzekeraar.”16 In die redenering eindigt het lidmaatschap dus met ingang van de tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst. Dortmond meent dat men ook zou kunnen stellen dat het lidmaatschap, op grond van de eerste volzin van het bepaalde onder b in art. 2:62 BW, eindigt zodra het verzekeringsbedrijf door de onderlinge aan een ander is overgedragen.17 Deze twee opinies worden ook gesignaleerd en besproken door Boshuizen.18 De insteek die nu is opgenomen in art. 3:120 lid 8 Wft is voor het eerst gekozen in de Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf,19 zonder nadere toelichting in de parlementaire geschiedenis. In latere parlementaire geschiedenis wordt alleen maar aangegeven dat de bepaling “verduidelijkt”20 dat bij een overdracht door een onderlinge waarborgmaatschappij een verzekeringnemer die lid is van die onderlinge uit hoofde van het sluiten van een verzekering, zijn lidmaatschap uit dien hoofde verliest. Ik meen dat het meest logisch is ervan uit te gaan dat het lidmaatschap door de werking van art. 2:62 onder b eerste volzin BW al eindigt op het moment van overdracht van de verzekeringsportefeuille. Aldus geredeneerd komt men eigenlijk aan de werking van art. 3:120 lid 8 Wft niet meer toe.21
In hoofdstuk 8.6 ga ik verder in op de portefeuilleoverdracht door een onderlinge waarborgmaatschappij, ter beantwoording van mijn onderzoeksvraag welke rechten de betrokken polishouder heeft indien zijn verzekeraar de verzekeringsportefeuille wil overdragen aan een andere verzekeraar.