Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/3.2.4.3.e
3.2.4.3.e Stakingswinst bij uittreden van een vennoot uit een personenvennootschap
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS343078:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Groene Serie Personenassociaties, deel 2, hoofdstuk 4, paragraaf 1.
Zie uitgebreider Groene Serie Personenassociaties, deel 2, hoofdstuk 4, paragraaf 1 en Essers en Van Kempen, Cursus Belastingrecht IB, 3.2.35.A.
Bij een verblijvensbeding met een levering bij voorbaat hoeven de erfgenamen geen leveringshandelingen meer te verrichten (NR, Kamerstukken II 2006/07, 31 065, nr. 5, blz. 7). In die situatie is art. 3.58Wet IB niet van toepassing, hetgeen naar mijn mening betekent dat de uitstel van betalingsfaciliteit van art. 25, zeventiende lid, IW 1990 niet kan worden benut.
Het uittreden van een vennoot uit een personenvennootschap leidt tot algehele staking van diens subjectieve onderneming. Derhalve is de problematiek zoals behandeld in paragraaf 3.2.4.3.b ook hier relevant. Het uittreden van een vennoot uit een personenvennootschap kent evenwel nog specifieke aandachtspunten, waarop hierna wordt ingegaan. Het uittreden van een vennoot als gevolg van opzegging, dan wel overlijden, leidt op grond van art. 7A:1683 BW tot ontbinding van de vennootschap. Om de continuïteit van de onderneming niet in gevaar te brengen, worden in de regel voortzettingsen vermogensbedingen in de vennootschapsovereenkomst opgenomen. Voortzettingsbedingen zijn bedingen op grond waarvan het recht bestaat en ook wel de verplichting om de vennootschap voort te zetten. De gevolgen hiervan zijn voor de belastingheffing niet van belang. Met een vermogensbeding kan worden geregeld wat er moet gebeuren met de aanspraken van de uittredende vennoot op vermogen dat wordt gebruikt door de vennootschap.1 Vermogensbedingen kunnen worden onderscheiden in verblijvensbedingen, toedelingsbedingen en overnemingsbedingen.2 Deze bedingen zijn voor de belastingheffing wel van belang. Indien op grond van een dergelijk beding de onderneming overgaat op een ander heeft dit voor de uittredende vennoot tot gevolg dat hij zijn subjectieve onderneming staakt. Hij zal moeten afrekenen over de winst behaald met en bij staken (zie paragraaf 3.2.4.3.b). Specifieke punten zijn hier nog het afrekenen over de stille reserves in eventueel buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen en de uitwerking van een eventueel voorbehoud van stille reserves dat destijds bij toetreding is overeengekomen. De uittredende vennoot kan een beroep doen op de stakingsaftrek (art. 3.79 Wet IB 2001) en de stakingslijfrentepremieaftrek (art. 3.129 Wet IB 2001). Belastingheffing is niet aan de orde als wordt gekozen voor doorschuiving op grond van art. 3.63 Wet IB 2001. Dit is in ieder geval mogelijk aan overblijvende vennoten waarmee de uittredende vennoot gedurende 36 maanden voorafgaand aan het tijdstip van overdracht een samenwerkingsverband vormde. Indien niet alle vennoten aan deze eis voldoen, kan een gedeelte van de onderneming worden doorgeschoven (art. 3.63, derde lid, Wet IB 2001). Voor een verdere uitwerking van de doorschuiffaciliteit wordt verwezen naar paragraaf 4.2.3.4. Voor de overblijvende vennoten is belastingheffing niet aan de orde. Tot herwaardering zijn zij geenszins verplicht. Na de overdracht wordt de gerechtigdheid van ieder van de overblijvende vennoten bepaald aan de hand van de nieuwe winstverdeling (HR 26 juni 1957, nr. 13 189, BNB 1957/267).
Het overlijden van één van de vennoten heeft tot gevolg dat de erfgenamen het aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap moeten leveren aan de overblijvende vennoten. De belastingheffing sluit aan bij het moment onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden. Dan wordt het vermogen van de onderneming geacht te zijn overgedragen aan degene aan wie het krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomt (art. 3.58, eerste lid, Wet IB 2001).3 Indien de onderneming krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht wordt voortgezet, kan een beroep worden gedaan op de in art. 3.62 Wet IB 2001 opgenomen doorschuifmogelijkheid (zie hiervoor paragraaf 4.2.3.3).