Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.12.1
4.12.1 Bedrijfswaarde en splitsing van de kostprijs van de deelneming/ waardering van de deelneming op nettovermogenswaarde
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS344299:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin N.H. de Vries, annotatie bij HR 23 september 1992, nr. 28 155, in BNB 1993/60.
HR 24 september 1975, nr. 17 612, met conclusie A-G Van Soest, BNB 1976/184 met noot van H.J. Hofstra.
N.H. de Vries, annotatie bij HR 23 september 1992, nr. 28 155, in BNB 1993/60.
In gelijke zin H.J. Hofstra in zijn noot onder BNB 1976/ 184.
Vergelijk in dit verband onder meer HR 19 januari 1972, nr. 16 629, BNB 1972/ 72 met noot van H.I. Hofstra; HR 10 januari 1973, nr. 16 976, BNB 1973/58 met noot van H.J. Hofstra; Hof 's-Gravenhage 10 juni 1965, nr. 72/1964 M II, BNB 1966/59; HR 28 maart 1923, B. 3225.
De bedrag was het de koper kennelijk waard.
HR 24 september 1975, nr. 17 612, BNB 1976/184.
HR 23 september 1992, nr. 28 155, BNB 1993/60 met noot van N.H. de Vries.
HR 6 september 1995, nr. 30 077, BNB 1996/ 7.
De kern van de waardering van de deelneming op nettovermogenswaarde is dat waardering van de activa minus de passiva, voorzieningen en schulden van de deelneming op basis van dezelfde waarderingsgrondslagen plaatsvindt als bij de moedermaatschappij ten aanzien van haar eigen bezittingen, schulden en haar resultatenbepaling. Hetzelfde geldt voor de uit een dergelijke deelneming verkregen resultaten. In wezen berust de toepassing van de nettovermogens-waardemethode op het transparantieprincipe doordat de deelneming als een verlengstuk van de moedermaatschappij wordt beschouwd1. Indien op het tijdstip van de verwerving van de deelneming de kostprijs van die deelneming hoger is dan de op dat moment berekende nettovermogenswaarde, wordt dit positieve verschil vennootschapsrechtelijk ingevolge art. 2:389, vijfde lid BW als goodwill aangemerkt. Een dergelijke externe goodwill wordt afzonderlijk geadministreerd en kan vervolgens op een drietal wijzen in de jaarrekening van de moedermaatschappij worden verwerkt door:
een afschrijving ineens ten laste van de resultatenrekening
de goodwill ineens ten laste van de vrije reserves te brengen
activering van de goodwill als immaterieel vast activum, gevolgd door geleidelijke afschrijving in maximaal vijf jaar.
Een standaardarrest op het gebied van waardering van deelnemingen vormt nog steeds dat van de Hoge Raad van 24 september 19752 betreffende een naamloze vennootschap (NV) die alle aandelen van vijf NV's koopt en deze beneden de kostprijs waardeert waarbij het verschil tussen aankoopprijs en de lagere nettovermogenswaarde ten laste van het resultaat wordt gebracht.
Het Hof oordeelt dat in casu uit niets blijkt dat belanghebbende de door haar opgeofferde bedragen voor iets anders dan de aandelen van vijf naamloze vennootschappen heeft uitgegeven. De in het arrest omschreven omstandigheden laten vermoeden dat de deelnemingen voor belanghebbende (binnen de totaliteit van haar onderneming) een waarde hadden gelijk aan de betaalde prijs. Het Hof gaat ervan uit dat de kostprijs van de deelnemingen gelijk was aan de feitelijk betaalde prijs en de bedrijfswaarde op hetzelfde bedrag moet worden gesteld.
Dit alles overziende, is het oordeel van het Hof er een van feitelijke aard en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.
Ons hoogste rechtscollege wijst in casu een waardering van de deelnemingen beneden kostprijs af en oordeelt dat het in strijd is met goed koopmansgebruik om met betrekking tot een deel van de kostprijs van de deelneming niet tot activering over te gaan. Tevens is de Hoge Raad niet onder de indruk van het argument van belanghebbende dat aan het te verwachten integratievoordeel geen blijvende waarde toe te kennen zou zijn. En zelfs indien dit wel zo zou zijn, dan rechtvaardigt dit feit nog geen afzonderlijke activering en afschrijving van goodwill verworven bij de aankoop van de deelneming (zijnde het verschil tussen de kostprijs en de nettovermogenswaarde van de deelneming).
Conclusie:
De Hoge Raad accepteert géén splitsing van de kostprijs van een deelneming in afzonderlijk te activeren bedragen.
De Hoge Raad oordeelt nadrukkelijk dat de bedrijfswaarde van een deelneming niet gelijk is aan de nettovermogenswaarde van de deelneming.
Terecht wijzen A-G Van Soest en de Hoge Raad erop dat het niet mogelijk is de prijs van de deelneming te scheiden in twee bestanddelen, één deel dat een vergoeding vormt voor de waarde (de 'werkelijke' of de 'objectieve' waarde) en één deel dat ertoe strekt de gerechtigde te bewegen het activum (onder omstandigheden zo spoedig mogelijk) af te staan.
De Vries3 wijst erop dat waardering van de deelneming op nettovermogenswaarde tot gevolg heeft dat door de deelneming geleden verliezen op de kostprijs van de deelneming in mindering worden gebracht terwijl de na het tijdstip van de verkrijging der deelneming daarin ontstane stille reserves en/of goodwill bij de waardering buiten aanmerking worden gelaten. Een dergelijke waarderingsmethode is in strijd met goed koopmansgebruik omdat daarmee verliezen op de deelneming tot uitdrukking worden gebracht die in feite niet zijn geleden.
Alhoewel dit duidelijk is, brengt A-G Van Soest in zijn conclusie een ander tot nu toe niet belicht aspect te berde, namelijk dat de bedrijfswaarde van een deelneming reeds aanstonds lager kan zijn dan de kostprijs. Met name zal zich dit voordoen wanneer de kopende ondernemer bij de bepaling van zijn bod een beoordelingsfout heeft gemaakt, hetgeen pas bij de ingebruikneming van de verworven zaak aan het licht treedt, of anders uitgedrukt: het duidelijk wordt dat er sprake is van een 'miskoop'.
In de regel zal echter de bedrijfswaarde van een aangekochte zaak niet lager zijn dan de kostprijs, ook al voelde de kopende ondernemer zich bij de aankoop als het ware in een dwangpositie geplaatst. Van een miskoop zal niet snel sprake zijn, zelfs al heeft de verkoper (bekend met de bijzondere belangstelling van zijn wederpartij voor de zaak) die positie weten uit te buiten. Om met de woorden van A-G Van Soest te spreken: 'De belanghebbende moge bij aankoop van de aandelen een riskant hoge prijs hebben betaald, zij heeft nu eenmaal die prijs voor die aandelen betaald. Zij moge een riskant bezit hebben verworven, dat betekent nog niet, dat de bedrijfswaarde lager is. Met andere woorden: risico is nog geen verlies.'
Conclusie: Dit arrest bevestigt4 (de in een hele reeks van eerdere arresten5 neergelegde leer) dat de kostprijs van een bedrijfsmiddel het totaal omvat wat voor de verkrijging daarvan wordt uitgegeven en dat de bedrijfswaarde ten minste gelijk is aan de betaalde verkrijgingsprijs zolang niet van bijzondere omstandigheden blijkt.
Bij de bepaling van de bedrijfswaarde per balansdatum dient te worden uitgegaan van alle van belang zijnde factoren. Dit gegeven het rechtsvermoeden dat de bedrijfswaarde van een deelneming geacht wordt gelijk te zijn aan de kostprijs daarvan (behoudens tegenbewijs te leveren door belanghebbende). Tot deze van belang zijnde factoren behoren niet alleen de intrinsieke waarde en de nettovermogenswaarde van de deelneming, maar tevens de te verwachten resultaten van de verworven deelneming als ook de synergetische effecten van de verwerving (in het bijzonder de nagestreefde bescherming van de marktpositie).
Het hiervoor aangehaalde rechtsvermoeden gaat er van uit dat belanghebbende de betaalde prijs (het opgeofferde bedrag) uit zakelijke overwegingen voor de deelneming heeft betaald6, zelfs indien de betaalde prijs in verhouding tot de intrinsieke waarde of nettovermogenswaarde van de deelneming erg hoog voorkomt. Het is vervolgens belanghebbende die dit rechtsvermoeden kan weerleggen door aannemelijk te maken dat er sprake is van een miskoop dan wel van zodanige onvoorziene feiten en omstandigheden dat deze de betaalde prijs in een ander daglicht stellen.
Ten slotte: Zoals uit BNB 1976/ 1847, BNB 1993/608 alsmede BNB 1996/ 79 kan worden afgeleid, is de bedrijfswaarde van een deelneming onder geen beding gelijk aan de nettovermogenswaarde van die deelneming. Ook is het desbetreffende waarderingsvoorschrift in art. 2:389, tweede lid BW voor het fiscale begrip bedrijfswaarde irrelevant.