Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/4.2.4
4.2.4 Militair ingrijpen
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233687:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
In het verlengde hiervan is overigens de vraag gesteld of aan zogenoemde government contractors ook een beroep op de doctrine kan toekomen. Daarmee worden bedrijven bedoeld die voor het Amerikaanse leger taken uitvoeren, zoals het vervoeren van militairen tijdens militaire operaties, het ter beschikking stellen van tolken en ander personeel voor het ondervragen van gevangen genomen strijders, en het beheren en onderhouden van detentiecentra en opvanglocaties voor het leger. De lagere rechter heeft deze vraag bevestigend beantwoord: ook een government contractor kan in een voorkomend geval een beroep op de doctrine toekomen. Zie hierover bijv. Richer 2010; Skinner 2014, met verdere verwijzingen en voorbeelden uit de rechtspraak.
Zie ook Vladeck 2016 voor een overzicht van de relevante rechtspraak.
Zie hierover bijv. Jackson 1973, p. 488-495; Rotunda en Nowak 2012, p. 470-472; Fisher 2013, p. 302-304; Breyer 2016, p. 22, met verdere verwijzingen.
Zie bijv. U.S. District Court (District of Columbia) 19 juni 2003, 293 F.Supp.2d 15 (Sadowski v. Bush). Vgl. ook Shane, Bruff en Kinkopf 2018, p. 1050-1051, met verdere verwijzingen.
U.S. Court of Appeals (D.C. Circuit) 8 juni 2010, 607 F.3d 836 (El-Shifa Pharmaceutical Industries Company v. United States).
Idem, p. 838-839.
Idem, p. 842: ‘The political question doctrine bars our review of claims that, regardless of how they are styled, call into question the prudence of the political branches in matters of foreign policy or national security constitutionally committed to their discretion.’
Idem.
Idem, p. 844.
Idem, p. 845.
Idem, p. 844.
U.S. Court of Appeals (D.C. Circuit) 30 juni 2017, 861 F.3d 241 (Bin Ali Jaber v. United States). Zie kritisch hierover het redactionele commentaar in Harvard Law Review 2018d.
Idem, p. 243-244.
Idem, p. 245-250: ‘In short, El–Shifa controls the Court’s analysis here and compels dismissal of Plaintiffs’ claims.’
Idem, p. 247.
U.S. District Court (District of Columbia) 21 november 2016, 217 F.Supp.3d 283 (Smith v. Obama). Een hiertegen ingesteld hoger beroep is moot verklaard en daarom niet inhoudelijk behandeld omdat de betrokken militair het leger inmiddels had verlaten. Zie U.S. Court of Appeals (D.C. Circuit) 10 juli 2018, 731 Fed.Appx. 8 (Mem) (Smith v. Trump).
Idem, p. 288.
Idem, p. 298-299: ‘The questions posed in this case go significantly beyond interpreting statutes and determining whether they are constitutional. Plaintiff asks the Court to second-guess the Executive’s application of these statutes to specific facts on the ground in an ongoing combat mission halfway around the world.’
Idem, p. 302.
U.S. District Court (District of Columbia) 17 mei 2016, 187 F.Supp.3d 85 (Ali Mobarez v. Kerry).
Idem, p. 87-88.
Idem, p. 90-91.
Idem, p. 92.
Idem, p. 92-94.
Zie bijv. ook U.S. Court of Appeals (4th Circuit) 23 januari 2015, 777 F.3d 175 (Wu Tien Li-Shou v. United States), over de deelname van de Amerikaanse marine aan de internationale strijd tegen piraterij in NAVO-verband. Ook hier viel de rechter op de doctrine terug.
Hiervoor is gebleken dat de lagere Amerikaanse rechter op de political questiondoctrine is teruggevallen in geschillen over het steunen van een militaire staatsgreep, het oprichten van een militaire basis en het steunen van een burgeroorlog in een ander land. Daarbij maakte hij een koppeling tussen de achterliggende, politieke beslissingen daartoe enerzijds en de wijze waarop aan dergelijke beslissingen door het leger of de CIA uitvoering is gegeven anderzijds. Indien een achterliggende beslissing als een political question heeft te gelden, is dat in beginsel ook het geval voor de ter uitvoering daarvan verrichte handelingen van het leger of de CIA.1
In lijn hiermee heeft de lagere federale rechter geoordeeld dat ook beslissingen tot militair ingrijpen van de andere staatsmachten in beginsel als political question hebben te gelden. 2Voorbeelden van zaken uit het verleden waarin hij dit heeft geoordeeld, hebben betrekking op de oorlog in Vietnam. De lagere rechter heeft met een beroep op de political question-doctrine stelselmatig geweigerd zich daarover uit te spreken.3 Hetzelfde geldt voor geschillen waarin de oorlog in Afghanistan ter discussie werd gesteld.4
Vertrekpunt bij de bespreking van de meer recente rechtspraak hierover vormt de zaak El-Shifa Pharmaceutical Industries Company v. United States (hierna: El-Shifa).5 Daarin staat het bombarderen van een farmaceutisch bedrijf in Soedan in opdracht van President Clinton centraal. De aanleiding voor dit bombardement was gelegen in de terroristische aanslagen op de Amerikaanse ambassades in Tanzania en Kenia. Aangenomen werd dat Osama bin Laden daarvoor verantwoordelijk was. Het farmaceutisch bedrijf werd ervan verdacht nauwe banden met Bin Laden te hebben gehad en betrokken te zijn geweest bij de productie van chemische wapens. Deze verdenking bleek later ongegrond. De eigenaren van het bedrijf daagden daarop de Amerikaanse Staat voor de rechter en vorderden een schadevergoeding.6
Onder verwijzing naar de political question-doctrine zag de lagere rechter ook hier van een inhoudelijke beoordeling af. Daarbij benadrukte hij dat het in deze zaak niet ging om de meer juridische vraag of de President al dan niet bevoegd was om tot het bombardement te besluiten, maar om de ‘wijsheid’ van de beslissing daartoe.7 Een oordeel over de wijsheid van een dergelijke beslissing heeft volgens de lagere rechter als een political question te gelden. Daarbij stelde hij deze zaak nadrukkelijk op een lijn met de hiervoor besproken zaken over het steunen van een staatsgreep in Chili en het oprichten van een militaire basis:
‘We have consistently held […] that courts are not a forum for reconsidering the wisdom of discretionary decisions made by the political branches in the realm of foreign policy or national security. In this vein, we have distinguished between claims requiring us to decide whether taking military action was ‘wise’ – a policy choice and value determination constitutionally committed for resolution to the halls of Congress or the confines of the Executive Branch – and claims ‘presenting purely legal issues’ such as whether the government had legal authority to act.’8
Volgens de lagere rechter is bij de beoordeling van de wijsheid van een beslissing tot militair ingrijpen in ieder geval aan de eerste drie Baker-factoren voldaan. Nu het buitenlands beleid op grond van de Amerikaanse Grondwet door het Congres en de President moet worden vormgegeven, is het volgens de lagere rechter niet aan de rechter om een beslissing tot militair ingrijpen van deze andere staatsmachten aan een beoordeling te onderwerpen:
‘It is not the role of judges to second-guess, with the benefit of hindsight, another branch’s determination that the interests of the United States call for military action.’9
Daarnaast ontbreekt het aan concrete en bruikbare rechtsnormen om de wijsheid van een beslissing tot militair ingrijpen van te toetsen en geldt dat beleidsbeslissingen noodzakelijk zijn over de situaties waarin militair ingrijpen gerechtvaardigd moet worden geacht.10 De lagere rechter concludeerde:
‘If the political question doctrine means anything in the arena of national security and foreign relations, it means the courts cannot assess the merits of the President’s decision to launch an attack on a foreign target, and the plaintiffs ask us to do just that.’11
El-Shifa is kenmerkend voor de wijze waarop in de lagere rechtspraak wordt omgegaan met zaken over militair ingrijpen. Ter illustratie hiervan kan worden gewezen op de zaak Bin Ali Jaber v. United States over een in Jemen uitgevoerd bombardement met behulp van een drone.12 Dit bombardement was gericht op drie al-Qaida-strijders. In totaal kwamen daarbij echter vijf mensen om het leven. De nabestaanden van de twee andere slachtoffers daagden de Amerikaanse Staat voor de rechter en vorderden een schadevergoeding.13
Onder verwijzing naar El-Shifa en de political question-doctrine wees de lagere rechter de vordering zonder inhoudelijke beoordeling af.14 Daarbij benadrukte hij dat deze zaak niet zozeer de bevoegdheid om tot militair ingrijpen te besluiten, maar meer in algemene zin de wijsheid van de achterliggende beslissing van de regering tot militair ingrijpen in de regio ter discussie stelde. Dit is een beslissing met eerst en vooral een politiek en geen juridisch karakter die grondwettelijk gezien aan de andere staatsmachten toekomt. De lagere rechter overwoog:
‘Put simply, it is not the role of the Judiciary to second-guess the determination of the Executive, in coordination with the Legislature, that the interests of the U.S. call for a particular military action in the Ongoing War on Terror.’15
Een ander voorbeeld is de zaak Smith v. Obama.16 Daarin moest de rechter zich uitspreken over de militaire operaties tegen IS. Volgens een gedeserteerde militair had President Obama daartoe ten onrechte besloten, nu het ontbrak aan uitdrukkelijke goedkeuring daarvoor van het Congres.17
Onder verwijzing naar El-Shifa zag de rechter ook hier van een inhoudelijke beoordeling af. Daarbij benadrukte hij dat het in deze zaak niet zozeer ging om de vraag of de President bevoegd was om tot militaire operaties tegen IS te besluiten. Volgens de lagere rechter werd hem in wezen gevraagd de wijsheid van de beslissing daartoe te beoordelen.18 Daarmee viel ook deze zaak binnen het bereik van de political question-doctrine. Als aanvullend argument voegde de lagere rechter hieraan toe dat niet was gebleken dat de President en het Congres over het militaire optreden tegen IS van mening verschilden. Een inhoudelijke beoordeling lag volgens de lagere rechter daarom nog minder voor de hand:
‘[J]udicial intervention into military affairs is particularly inappropriate when the two political branches to whom war-making powers are committed are not in dispute as to the military action at issue.’19
Een derde voorbeeld is Ali Mobarez v. Kerry over de beslissing van de Amerikaanse regering om de ambassade in Jemen te sluiten.20 De directe aanleiding voor deze zaak was gelegen in de grote onrust in het land. De beslissing om de ambassade te sluiten maakte de evacuatie van het ambassadepersoneel noodzakelijk. Sommige Amerikanen die niet voor de ambassade werkten, maar om andere redenen in Jemen verbleven, meenden dat de regering zorg moest dragen voor de evacuatie van alle Amerikanen die zich in het land bevonden.21
De lagere rechter viel ook in deze zaak op de political question-doctrine terug.22 Onder verwijzing naar El-Shifa stelde hij daarbij voorop dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de vraag of een andere staatsmacht al dan niet een bepaalde bevoegdheid toekomt en de vraag of een staatsmacht van deze bevoegdheid op goede gronden gebruik heeft gemaakt of had moeten maken. De political question-doctrine raakt aan deze tweede vraag:
‘When deciding the claim merely requires the court to engage in […] statutory analysis and constitutional reasoning, it has authority to do so (i.e., the claim is justiciable), but a claim that goes beyond those classically judicial functions to request that a court override discretionary foreign-policy decisions that the political branches have made – however framed – falls within the heartland of the political-question doctrine.’23
De lagere rechter stelde vast dat het betoog van eisers erop neerkwam dat de regering tot evacuatie van alle Amerikanen in Jemen had moeten besluiten, zo nodig met inzet van het Amerikaanse leger. Daarmee raakte deze zaak niet aan de vraag of de uitvoerende macht een bepaalde bevoegdheid op het gebied van het buitenlands beleid toekomt, maar aan de wijze waarop deze staatsmacht van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.24,25