Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/4.2.5
4.2.5 Het verlenen van financiële steun aan bondgenoten
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233656:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Court of Appeals (9th Circuit) 17 september 2007, 503 F.3d 974 (Corrie v. Caterpillar).
Idem, p. 977-978.
Idem, p. 980: ‘Plaintiffs’ complaint does not reference the government’s role in facilitating the sales at issue, but undisputed evidence in the record suggests that the United States pays for every bulldozer […] from Caterpillar.’
Idem, p. 982.
Idem, p. 983.
Idem, p. 984.
Idem, p. 983: ‘We cannot intrude into our government’s decision to grant military assistance to Israel, even indirectly by deciding this challenge to a defense contractor’s sales.’
U.S. Court of Appeals (9th Circuit) 15 december 2014, 774 F.3d 544 (Saldana v. Occidental).
Idem, p. 547-549.
Idem, p. 554.
Idem, p. 554-555: ‘Occidental’s funding, […] at the same time and for the same purpose as the United States, is inextricably bound to foreign policy decisions which our Constitution consigns to, and have already been made by, the political branches.’
Idem, p. 555.
In lijn met de hiervoor besproken rechtspraak heeft de lagere federale rechter de political question-doctrine ook toegepast in geschillen die verband houden met het verlenen van financiële steun aan andere landen. Vertrekpunt hierbij vormt de zaak Corrie v. Caterpillar (hierna: Corrie).1 De aanleiding voor deze zaak was een noodlottige aanrijding van burgers met een bulldozer op de Gazastrook. De bulldozer werd door het Israëlische leger gebruikt voor het slopen van woningen in Palestijnse gebieden. De slachtoffers van de aanrijding waren burgers die tegen deze sloop op vreedzame wijze protesteerden. Hun nabestaanden daagden het in de Verenigde Staten gevestigde bedrijf dat de bulldozer had gemaakt en geleverd voor de Amerikaanse rechter. Zij betoogden dat het Israëlische leger de aanrijding opzettelijk had veroorzaakt, dat de sloop van de Palestijnse woningen onrechtmatig was, en dat het bedrijf daarvoor mede verantwoordelijk kon worden gehouden, nu het ervan op de hoogte was dat en waarvoor de bulldozer door het Israëlische leger zou worden gebruikt.2
Ook in dit geval viel de lagere rechter op de political question-doctrine terug. Daartoe overwoog hij dat in deze zaak niet uitsluitend de eventuele aansprakelijkheid van het bedrijf dat de bulldozer aan het Israëlische leger had geleverd ter beoordeling stond. Vast stond dat de bulldozer door het Israëlische leger was aangeschaft met behulp van financiële steun van de Verenigde Staten.3 Volgens de lagere rechter was het onmogelijk om een oordeel over de eventuele aansprakelijkheid van het bedrijf te geven zonder te treden in een beoordeling van de beslissing om het Israëlische leger met financiële middelen te steunen:
‘Allowing this action to proceed would necessarily require the judicial branch of our government to question the political branches’ decision to grant extensive military aid to Israel. It is difficult to see how we could impose liability on Caterpillar without at least implicitly deciding the propriety of the United States’ decision to pay for the bulldozers which allegedly killed the plaintiffs’ family members.’4
De lagere rechter overwoog dat de beslissing om financiële steun aan andere landen te geven een discretionaire beslissing is ter vormgeving van het buitenlands beleid. Net als vele andere beslissingen op dit gebied moet een dergelijke beslissing grondwettelijk gezien worden geacht aan de andere staatsmachten te zijn voorbehouden. De eerste Baker-factor was daarom van toepassing:
‘It is well established that the conduct of foreign relations is committed by the Constitution to the political departments of the Federal Government; and that the propriety of the exercise of that power is not open to judicial review. Whether to grant military or other aid to a foreign nation is a political decision inherently entangled with the conduct of foreign relations.’5
Volgens de lagere rechter waren ook de vierde, vijfde en zesde Baker-factor van toepassing. Bepalend daarvoor achtte hij dat de beslissing om financiële steun aan Israël te verlenen reeds was genomen. Een inhoudelijk oordeel zou daarom blijk geven van onvoldoende respect voor een eerdere, politieke beslissing van de andere staatsmachten, die beslissing doorkruisen, en kunnen leiden tot mogelijke ‘embarrassment’ als gevolg van uiteenlopende standpunten van de verschillende staatsmachten over een en hetzelfde onderwerp:
‘[W]e are mindful of the potential for causing international embarrassment were a federal court to undermine foreign policy decisions in the sensitive context of the Israeli-Palestinian conflict.’6
Omdat het voorliggende geschil mede raakte aan de beslissing van de Amerikaanse regering om Israël financieel te steunen en deze beslissing als een political question had te gelden, weigerde de lagere rechter zich uit te laten over de aansprakelijkheid van het bedrijf dat de bulldozer aan het Israëlische leger had geleverd.7
Tot een vergelijkbaar oordeel kwam de lagere rechter in de zaak Saldana v. Occidental Petroleum.8 Daarin ging het om het verlenen van financiële steun aan Colombia. De directe aanleiding voor deze zaak was het optreden van het Colombiaanse leger ter bescherming van een belangrijke pijpleiding in het land. Deze pijpleiding was niet alleen van groot belang voor de nationale economie, maar ook voor de toevoer van olie naar de Verenigde Staten. Enkele nabestaanden van slachtoffers van het optreden van het Colombiaanse leger daagden een in de Verenigde Staten gevestigd bedrijf dat via een dochteronderneming de betrokken leiding exploiteerde voor de Amerikaanse rechter. Zij meenden dat dit bedrijf aansprakelijkheid kon worden gesteld voor het optreden van het leger ter bescherming van de pijpleiding. Daarbij wezen zij erop dat het betrokken bedrijf het Colombiaanse leger financieel steunde.9
De lagere rechter zag ook hier van een beoordeling af. Daarbij benadrukte hij dat het Colombiaanse leger niet alleen van het gedaagde bedrijf financiële steun had ontvangen, maar ook van de Verenigde Staten. De steun van de Verenigde Staten was zelfs nog veel groter.10 Onder verwijzing naar zijn oordeel in Corrie overwoog de lagere rechter dat deze zaak ook de achterliggende beslissing van de regering om Colombia van financiële steun te voorzien ter discussie zou stellen.11 Omdat die beslissing als een political question had te gelden, kon ook de aansprakelijkheid van het betrokken bedrijf niet aan een inhoudelijke beoordeling worden onderworpen:
‘Here, Congress and the President determined that economic and military aid and training […] was necessary and appropriate. We cannot adjudicate Plaintiffs’ claims without inquiring into or passing judgment on those political decisions. Any verdict or judgment in favor of Plaintiffs would necessarily conflict with and denounce our government’s official actions.’12