Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/22.2.4
22.2.4 Rechtszekerheidsbeginsel
mr. dr. L.M. Koenraad, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. L.M. Koenraad
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Lees bijv. de jurisprudentie over de vraag – in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning – wat moet worden verstaan onder ‘een schoon huis’; CRvB 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402, AB 2016/202, m.nt. C.W.C.A. Bruggeman, Gst. 2016/99, m.nt. H.F. van Rooij. Nader bijv. A.T. Marseille, ‘Weg van het besluit in het sociaal domein: gevolgen voor de rechtsbescherming’, in: R.J.N. Schlössels e.a. (red.), In het nu… Over toekomstig bestuursrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 45-60.
Nader bijv. H.E. Bröring & K.J. de Graaf (red.), Bestuursrecht 1: systeem, bevoegdheid, bevoegdheidsuitoefening en handhaving, Den Haag: Boom Juridisch 2016, p. 308-312.
Nader bijv. F.C.M.A. Michiels e.a., Handhavingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 69-71.
Enige willekeurige voorbeelden: ABRvS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2486; ABRvS 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:754, Gst. 2018/103, m.nt. W.S. Zorg. In beide gevallen ging het om een brief met een plan voor een project dat in strijd was met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, maar zonder concreet verzoek om verlening van een omgevingsvergunning voor afwijking van het betreffende plan.
Bestuursorgaan
Het (formele) rechtszekerheidsbeginsel stipuleert onder meer dat het bestuursorgaan geen misverstand mag laten ont- of bestaan over de rechten en plichten van een burger die voortvloeien uit rechtshandelingen.1 Dit stelt eisen aan de formulering van brieven die bestuursorganen aan burgers versturen. Zo behoort het voor de aangeschreven burger volstrekt duidelijk te zijn of het gaat om een beslissing (dan wel een voornemen of iets dergelijks), en wat hij moet doen of nalaten voor a. het verkrijgen van een aanspraak; dan wel b. het vermijden van handhavingsmaatregelen.
Ad a. De verplichting om duidelijk te maken wat een burger moet doen of nalaten voor het verkrijgen van een aanspraak, wordt vaak in verband gebracht met het (formele) zorgvuldigheidsbeginsel. Het bestuursorgaan – dat immers sowieso verantwoordelijk is voor de beschikbaarheid van voldoende materiaal voor het nemen van een rechtmatig besluit – moet de burger namelijk begeleiden bij het voldoen aan diens informatieplicht. In dit verband valt onder meer te wijzen op jurisprudentie over de wijze waarop bestuursorganen moeten omgaan met de bevoegdheid tot het buiten behandeling laten van aanvragen (artikel 4:5 Awb).2
Ad b. De verplichting om duidelijk te maken wat een burger moet doen of nalaten voor het vermijden van handhavingsmaatregelen, krijgt concreet gestalte in rechterlijke uitspraken over lasten die leiden tot verbeurte van dwangsommen – of toepassing van bestuursdwang – als aan die lasten niet (tijdig en/of geheel) wordt voldaan.3
Burger
Ook de burger dient klare wijn te schenken. Zo ligt het primair op zijn weg om duidelijk te maken hoe zijn brief juridisch moet worden gekwalificeerd (met de kanttekening dat het bestuursorgaan moet vragen om opheldering over de status van brieven waarmee het niet goed raad weet).4 Het maakt namelijk veel uit of het bestuursorgaan van doen heeft met een ‘principe-verzoek’ dan wel een officiële aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 lid 3 Awb voor: a. het nemen van een allereerste beslissing (die strekt tot toekenning van een uitkering of subsidie, of verlening van een vergunning of ontheffing); b. het terugkomen van een besluit dat in rechte onaantastbaar is geworden (artikel 4:6 Awb); c. het volledig heroverwegen van een besluit dat nog niet in rechte onaantastbaar is geworden (een bezwaar of administratief beroep als bedoeld in artikel 6:4 Awb); d. een klacht (artikel 9:1 lid 1 Awb); of e. schadevergoeding (vgl. artikel 8:4 lid 1 sub f Awb).
Elk verzoek moet volgens een specifieke procedure en conform ‘eigen’ wettelijke voorschriften en beleidsregels worden voorbereid, terwijl bestuurlijke beslissingen op verzoeken vatbaar kunnen zijn voor bezwaar (bijvoorbeeld een ‘4:6-besluit’), beroep (bijvoorbeeld een beslissing op bezwaar), een zelfstandig verzoek bij de bestuursrechter (een beslissing op een verzoek om schadevergoeding), een klacht bij de Nationale ombudsman (een beslissing op een klacht) of een civiele procedure. Dit alles verklaart de duidingsplicht van de burger.
Consequenties
Wie niet voldoet aan zijn duidingsplicht – lees: verwarring zaait over de juridische status van zijn brief aan het bestuursorgaan – loopt het risico dat de bestuursrechter zijn brief kwalificeert als een ‘los’ verzoek. De gevolgen van die kwalificatie worden in paragraaf 2.3 beschreven.