Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/22.2.1
22.2.1 Zorgvuldigheidsbeginsel
mr. dr. L.M. Koenraad, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. L.M. Koenraad
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin bijv. L.M. Koenraad, ‘Deskundig besturen. Beschouwingen over de plaats van deskundigenadvisering in het bestuursrecht’, JBplus 2006, afl. 1, p. 15-33. Deze analyse leunt overigens sterk op Y.E. Schuurmans, Bewijslastverdeling in het bestuursrecht. Zorgvuldigheid en bewijsvoering bij beschikkingen, Deventer: Kluwer 2005.
Uitdrukkelijk in deze zin bijv. HvJEU 3 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2041(Kamino & Datema vs Nederland), BNB 2014/231, m.nt. M.J.W. van Casteren. Men leze ook de beschouwingen van R.J.N. Schlössels over het arrest in T. Barkhuysen e.a. (red.), AB Klassiek, Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 41.
De informatieplicht moet worden onderscheiden van de algemene inlichtingenplicht in het sociaal zekerheidsrecht (bijv. art. 17 lid 1 Participatiewet): de belanghebbende doet aan het bevoegd gezag uit eigen beweging onverwijld mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of zijn recht op bijstand.
Het niet verlenen van medewerking is in ieder geval een feit (als bedoeld in art. 184 Sr) dat kan leiden tot vervolging door het openbaar ministerie (zie bijv. HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2634, AB 2018/61, m.nt. J.G. Brouwer). Onder omstandigheden is het bevoegd gezag ook bevoegd tot handhavend optreden in de vorm van een last onder dwangsom en/of een bestuurlijke boete.
Lees bijv. CRvB 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3338, Gst. 2018/48, m.nt. L.M. Koenraad & K.I.M. Lever. In de noot wordt verwezen naar andere – ook oude – relevante jurisprudentie en literatuur.
Men leze in dit verband vooral het baanbrekende proefschrift van Schuurmans (Schuurmans 2015). Zie verder bijv. de preadviezen van R.J.N. Schlössels, Y.E. Schuurmans, R.J. Koopman en D.A. Verburg in Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter? (VAR-reeks 142), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2009.
Zie bijv. CRvB 1 juni 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT7174, JB 2005/ 237, m.nt. D.W.M. Wenders, AB Klassiek 2016, nr. 32, m.nt. Y.E. Schuurmans.
Bestuursorgaan
Het bestuursorgaan moet als regel zelf op zoek naar kennis over feiten en omstandigheden die nodig zijn voor het nemen van een correct besluit (artikel 3:2 Awb), desnoods met behulp van externe deskundigen.1 Het bestuursorgaan is verantwoordelijk voor de juistheid van de door hem gevonden gegevens. Dit leidt onder meer tot de beginselplicht om de burger voorafgaand aan de beoogde beschikking met deze gegevens te confronteren, zeker als die voor de burger nadelige consequenties hebben (afd. 4.1.2 Awb).2
Burger
De burger op zijn beurt is gehouden tot het verschaffen van relevante informatie die het bestuursorgaan redelijkerwijs niet – althans veel moeilijker dan de burger – kan achterhalen (artikel 4:2 lid 2 Awb). De burger is verantwoordelijk voor de juistheid van de door hem verstrekte informatie, wat onder meer leidt tot de verplichting om deze informatie – desgevraagd – te begeleiden met controleerbare bewijsstukken. Hij heeft ten opzichte van het bestuursorgaan dus een informatieplicht.3
Daarnaast behoort de burger medewerking te verlenen aan de pogingen van het bestuur om voldoende gegevens boven tafel te krijgen. Die plicht krijgt concreet gestalte tijdens het toezicht van het bestuur op de naleving van wettelijke voorschriften (artikel 5:20 Awb) en tijdens het onderzoek van een deskundige die door het bestuur is ingeschakeld.4 Nota bene: de medewerkingsplicht van de burger eindigt in ieder geval waar zijn zwijgrecht (artikel 5:10a Awb) begint. 5Ook de medewerkingsplicht vormt een concrete vertaling van het beginsel dat de burger zich zorgvuldig jegens het bestuur behoort te gedragen.
Inmiddels hebben de onderzoeksplicht van het bestuur en de informatieplicht van burger zich ontwikkeld tot een zelfstandig bestuursrechtelijk bewijsrecht, dat overigens tegelijkertijd veel verwantschap vertoont met de regels voor het vaststellen van feiten in het burgerlijk recht (met name als de burger vraagt om toekenning van een aanspraak) en inspiratie put uit het strafprocesrecht (zeker als het gaat om het opleggen van sancties).6
Consequenties
Wie niet voldoet aan zijn informatieplicht – lees: de door hem aan te leveren gegevens niet aan het bestuursorgaan verstrekt – moet er rekening mee houden dat het bestuursorgaan en de bestuursrechter de gestelde feiten niet zullen betrekken bij respectievelijk de vaststelling van de rechtsbetrekking en de beoordeling van het beroep. Bedenk in dit verband dat de informatieplicht zich tijdens de rechterlijke fase vertaalt tot bewijslast van de burger.7 De bestuursrechter beschouwt het niet voldoen aan de informatieplicht dan ook als het niet slagen in de opdracht van de burger om het benodigde bewijs te leveren.