Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.3.3
7.3.3 De ontvangst van het Loretta-arrest
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS305219:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
O.a. Bauw 2015, p. 80; Harryvan en Oldenhuis 2011/59; Van Doorn 2011/52; Keijzer en Oldenhuis 2011, p. 99.
Van Doorn 2011/52; Hartlief 2011, p. 1313; Tjong Tjin Tai 2011, p. 2268.
NJ-noot Tjong Tjin Tai onder het Loretta-arrest; Van Swaaij en Pluymen 2011, p. 299.
Van Doorn 2011/52.
NJ-noot Tjong Tjin Tai onder het Loretta-arrest; Van Swaaij en Pluymen 2011, p. 300.
Hartlief 2011, p. 1313; Keijzer en Oldenhuis 2011, p. 97-102; NJ-noot Tjong Tjin Tai onder het Loretta-arrest.
Conclusie Langemeijer voor het Loretta-arrest, sub 3.16; Keijzer en Oldenhuis 2011, p. 98; NJ-noot Tjong Tjin Tai onder het Loretta-arrest.
NJ-noot Tjong Tjin Tai onder het Loretta-arrest.
Bauw 2015, p. 80.
Zie voor tegengestelde opvattingen Spier e.a. 2015, p. 133; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/ 256;Van Doorn 2011/52 en A-G Langemeijer in zijn conclusie voor het Loretta-arrest, sub 2.10 en 3.11 enerzijds en anderzijds Van Swaaij en Pluymen 2011, p. 301-302; Keijzer en Oldenhuis, 2011, p. 100; Oldenhuis en Kolder 2012, p. 32; Kolder, JA 2014/59, waarin ik de vraag al opwierp ‘of het categorisch uitzonderen van (iedere vorm van) bewaren en vervoeren van art. 6:181 wel stand zal houden’.
Van Swaaij en Pluymen 2011, p. 300-301.
Van Swaaij en Pluymen 2011, p. 299.
NJ-noot Tjong Tjin Tai onder het Loretta-arrest, waarin wordt gewezen op de dierenarts die een dier kortstondig behandelt en op de voor een kort ritje ingehuurde chauffeur die de bedrijfsauto van de directeur bestuurt. Van Swaaij en Pluymen 2011, p. 302 wijzen erop dat transport mogelijk te incidenteel van aard is.
Hartkamp (Asser/Hartkamp 4-III 1990/184) meende aanvankelijk dat toepassing aan art. 6:181 lid 2 gegeven moet worden, maar meent ‘bij nadere overweging’ (Asser/Hartkamp 4-III 2006/184, en in dezelfde zin nog altijd Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/230) dat een hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 6:181 lid 1 intreedt.
Bijv. Hartlief 2011, p. 1313.
Vgl. ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/230: ‘Omdat niet steeds duidelijk is of sprake is van ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 BW, wordt een deel van de hiervoor genoemde redenen (duidelijkheid voor de benadeelde omtrent de aansprakelijke persoon, vermijden van dubbele verzekering) voor het verleggen van de aansprakelijkheid naar de bedrijfsmatige gebruiker in de praktijk ondergraven.’
Zie het zeer kort na het Loretta-arrest verschenen vonnis Rb. Arnhem 20 april 2011, JA 2011/116 (Beleren paard).
Vgl. inzake dieren Rb. Arnhem 20 april 2011, JA 2011/116 (Beleren paard); Rb. Oost-Brabant 27 februari 2014, JA 2014/59, m.nt. Kolder (Beleren paard en bezitter); Hof Den Bosch 19 april 2016,ECLI:NL:GHSHE:2016:1506 (Trainen paard); Hof Den Bosch 17 mei 2016, JA 2016/106 (Paard Dika); Hof Leeuwarden 28 februari 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV7349 (Uitladen paard); Rb. Den Haag 5 december 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY5997 (Paardrijles); Rb. Gelderland 1 juni 2016,NJF 2016/368 (Paard Aragorn).
Rb. Den Bosch 13 juli 2011, JA 2011/164 (Val van steiger); Rb. Utrecht 25 juli 2012, NJF 2012/412 (ProRail/Schenker); Rb. Arnhem 22 juni 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR1090 (Stroomverdeelkast). Zie ook par. 3.3.3.2.
Rb. Oost-Brabant 27 februari 2014, JA 2014/59, m.nt. Kolder (Beleren paard en bezitter), r.o. 5.9; Hof Den Bosch 17 mei 2016, JA 2016/106 (Paard Dika), r.o. 3.8.2; Hof Leeuwarden 28 februari 2012, JA 2012/73 (Uitladen paard), r.o. 16; Hof Amsterdam 10 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4170 (Gestald paard), waarin ondanks de stalling in een pension van een schadeveroorzakend paard, de ‘achterliggende’ bezitter als de ex art. 6:179 aansprakelijke had te gelden.
Zo werd in Hof Leeuwarden 28 februari 2012, JA 2012/73 (Uitladen paard) geoordeeld dat het paard door de manege niet ‘enkel’ werd bewaard of vervoerd, maar ‘met het oog op’ het maken van een reclamefilmpje met het dier. In dezelfde zin is Rb. Arnhem 20 april 2011, JA 2011/116 (Beleren paard), waarin het ging om het onder zich hebben van een paard met het oog op het ‘beleren’ daarvan. Zie ook Rb. Gelderland 1 juni 2016, NJF 2016/368 (Paard Aragorn), waarin werd geoordeeld dat het paard vanaf het moment van arriveren op het terrein van de manege met het oog op een training aldaar, onderdeel is gaan uitmaken van haar bedrijfsvoering.
Zie nader par. 7.5.
In vrijwel alle wetenschappelijke beschouwingen over het Loretta-arrest valt te lezen dat de Hoge Raad een ruime uitleg van het gebruiksbegrip van art. 6:181 voorstaat.1 Niettemin worstelen veel auteurs met de ware betekenis van ‘gebruiken’ in de zin van art. 6:181. Dat het niet alleen gaat om het ‘het zich bedienen van’ een zaak of het aanwenden als productiemiddel (‘exploitatie’) wordt door eenieder onderkend.2 Zo ook dat, nu het ‘beleren’ van een paard eveneens ‘gebruik’ oplevert, het gebruiksbegrip van art. 6:181 niet conform het normale spraakgebruik of de taalkundige betekenis wordt uitgelegd.3 De term ‘gebruik’ wordt zelfs wel misleidend geacht.4 Aangenomen wordt dat het ‘slechts’ gaat om een juridisch-technische term, die weliswaar een ruime uitleg toekomt maar bepaald niet vastomlijnd is.5 Met de verschijning van het Loretta-arrest zijn de problemen betreffende het gebruiksbegrip dan ook nog niet opgelost. In de literatuur komen als ‘onzekere’ gevallen voorbij de ingehuurde chauffeur die de auto van de directeur van een multinational bestuurt,6 de reparateur die een proefrit met een auto maakt,7 de monteur die een hijskraan een onderhoudsbeurt geeft,8 de behandelend dierenarts,9 zaken die ten verkoop worden aangeboden in dierenwinkels,10 alsook de bewaarder en vervoerder van zaken.11 Voorts wordt de vraag gesteld wie ‘gebruiker’ van de zaak is ingeval meerdere bedrijven bij een bepaald gebruik zijn betrokken.12 Geworsteld wordt ook met het aspect van profijt: of art. 6:181 in de Loretta-casus ook toepasselijk zou zijn geweest indien de belering niet tegen betaling maar om niet plaatsvond, wordt ‘niet absoluut zeker’ geacht.13 Ook de betekenis van het aspect ‘duurzaamheid’ wordt niet helder geacht, aangezien de ‘soms wel zeer korte duur’ van bepaalde activiteiten de toepasselijkheid van art. 6:181 toch in de weg zou moeten staan, aldus sommige auteurs.14 Onzeker is voorts het geval waarin schade ontstaat door zaken van een zelfstandige hulppersoon als bedoeld in art. 6:171: rust de kwalitatieve aansprakelijkheid voor deze zaken alleen op de hulppersoon zelf, moet worden aangenomen dat hij deze aan zijn opdrachtgever voor gebruik ter beschikking heeft gesteld in de zin van lid 2 van art. 6:181 (met als gevolg dat enkel de opdrachtgever aansprakelijk is), of hebben beiden als ‘gebruiker’ op grond van art. 6:181 lid 1 als (hoofdelijk) aansprakelijke te gelden? 15 Het beeld dat alle beschouwingen over art. 6:181 na het Loretta-arrest oproepen, is dat de uitleg van het gebruiksbegrip van deze bepaling nog allerminst uitgekristalliseerd is. De toepassing van art. 6:181 is, inmiddels meer dan 25 jaren na de invoering van deze aansprakelijkheid in 1992, nog altijd met onzekerheden omgeven, óók in veelvoorkomende c.q. ‘alledaagse’ gevallen. Het meest treffend is wellicht nog dat in meerdere commentaren op het Loretta-arrest is aangeven, dat benadeelden er in de praktijk goed aan doen in geval van schade door een zaak of dier zekerheidshalve alle potentieel aansprakelijken maar in rechte te betrekken.16 En dat is nu juist wat de wetgever met het stelsel van art. 6:181 jo. 173, 174 en 179 heeft willen voorkomen.17
In de lagere rechtspraak dook het Loretta-arrest al direct na het wijzen daarvan op.18 Inmiddels is het arrest veelvuldig aangehaald, voornamelijk in gevallen van schadeveroorzakende dieren (art. 6:179),19 maar ook in geval van schade door roerende zaken (art. 6:173).20 De meeste uitspraken bieden ten opzichte van het Loretta-arrest weinig nieuws, aangezien het hoofdzakelijk ging om gevallen waarin sprake was van het ‘beleren’ van paarden of het aanwenden van deze dieren voor het geven van lessen, terwijl het in geval van roerende zaken ging om het zich daarvan bedienen als ‘productiemiddel’. De rechtspraak houdt tot nu toe vast aan het van ‘gebruik’ uitzonderen van het (enkele) voor een ander bewaren en vervoeren van zaken.21 Wel is aangenomen dat het onder zich hebben van een zaak met het oog op het eigenlijke gebruik reeds ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 kan opleveren.22 De logische pendant hiervan zal als gezegd zijn dat ook het (nog) onder zich hebben van een zaak na afloop van het eigenlijke gebruik evenzeer als ‘gebruik’ ex art. 6:181 kwalificeert. Feitenrechters worstelen met het gebruiksbegrip van art. 6:181 zodra zowel de bezitter als (vermeend) bedrijfsmatige gebruiker een zekere ‘bemoeienis’ met de zaak heeft (behouden). Een illustratie daarvan biedt Rb. Oost-Brabant 27 februari 2014, JA 2014/59, m.nt. Kolder (Beleren paard é n bezitter), waarin de manege die andermans paard ‘beleerde’ niet als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ ex art. 6:181 werd aangemerkt. Door de rol die de bezitter in het geheel is blijven spelen – zij wilde leren hoe zij haar paard kon beleren –, achtte de rechtbank de ‘bemoeienis’ van de manege met het paard minder vergaand dan in de Loretta-zaak – waarin alléén het paard van de bezitter werd ‘beleerd’ – en werd aansprakelijkheid ex art. 6:181 niet op zijn plaats geacht. Ik meen echter (JA 2014/59) dat een andere uitkomst in de rede had gelegen, met name omdat ‘zeggenschap’ een voornaam aanknopingspunt voor de aansprakelijkheid ex art. 6:181 vormt23 en de training van bezitter én paard (ook) in dit geval plaatsvond onder leiding en instructie van de manege. In ieder geval maakt ook deze uitspraak duidelijk dat met het Loretta- arrest nog niet alle problemen ter toepassing van het ‘gebruiksbegrip’ van art. 6:181 de wereld uit zijn.