Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.6:4.6 Bedrijfswaarde in historisch verband met afschrijving
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.6
4.6 Bedrijfswaarde in historisch verband met afschrijving
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS351670:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 januari 1943, B. 7064 betreffende de winstbelasting boekjaar 1939/1940.
In gelijke zin HR 14 februari 1951, B. 8946.
HR 2 januari 1958, nr. 13 379, BNB 1958/56 met noot van M.J.H. Smeets.
In gelijke zin zelfs nog Hof Amsterdam, 19 december 1960, nr. 720/ 1960 MK II, BNB 1961/ 266.
Th.S. IJsselmuiden, De Fiscale Balans, Fiscale Monografie nr. 21, blz. 30.
HR 2 januari 1958, nr. 13 379, BNB 1958/56 met noot van M.J.H. Smeets.
HR 18 juni 1952, B. 9239.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vrij algemeen wordt afschrijving uitgelegd als een methode om de kosten van een bedrijfsmiddel te verdelen over de periode waarin dat bedrijfsmiddel haar nutsprestaties levert. Deze begripsomschrijving is in het verleden niet altijd consistent gehanteerd.
Om inzicht te krijgen in het begrip bedrijfswaarde in relatie tot afschrijving in historisch perspectief, is het noodzakelijk terug te gaan naar het jaar 1943. Ons hoogste rechtscollege1 relateerde toen de bedrijfswaarde aan het karakter van het fenomeen afschrijving door te stellen dat men op deze manier tot uiting wil brengen dat de bedrijfswaarde van een bedrijfsmiddel geleidelijk achteruitgaat 2.
Zelfs in 1958 lezen we dat de Hoge Raad3 het volgende oordeel is toegedaan: `Naar het systeem, neergelegd in het Besluit (en thans in de Wet) strekt de afschrijving op zaken, welke voor de uitoefening van het bedrijf worden gebruikt, tot goedmaking van verlies geleden door vermindering van de bedrijfswaarde dier zaken ten gevolge van het gebruik in het bedrijf, zulks met het doel, het voor die zaken in het bedrijf gestoken kapitaal, zijnde de aanschaffings- of voortbrengingskosten ervan, in stand te houden.'4
Voor de duidelijkheid: dit arrest behandelt de vraag wanneer aanpassing van de residuwaarde en daarmee ook aanpassing van de afschrijving van een zaak volgens goed koopmansgebruik geboden is.
In de hiervoor aangehaalde jurisprudentie is sprake van een relatie tussen afschrijving en bedrijfswaarde die thans als archaïsch moet worden geduid. Afschrijven is naar huidige rechtsopvatting niet langer meer te beschouwen als het tot uitdrukking brengen van de vermindering van de bedrijfswaarde van een bedrijfsmiddel.
IJsselmuiden5 schrijft in een commentaar op BNB 1958/566 dat het woord `bedrijfswaarde' in bovengenoemd arrest de indruk zou kunnen wekken dat de afschrijving over het jaar telkens weer gelijk is aan het verschil in bedrijfswaarde aan het begin en aan het einde van het jaar. Dit is echter niet de thans gevestigde opvatting van de Hoge Raad. Zo spreekt op 18 juni 19527 ons hoogste rechtscollege over afschrijven als 'het tot uitdrukking brengen van het achteruit gaan van de gebruikswaarde voor het bedrijf of beroep van zaken die voor de uitoefening van het bedrijf of beroep worden gebruikt.'
Conclusie: De afschrijving wordt geheel autonoom (los van een waardering op lagere bedrijfswaarde) bepaald, waarbij afschrijving géén uitdrukking geeft aan het begrip bedrijfswaarde casu quo aan een vermindering daarvan.